Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:4426

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
31-10-2017
Datum publicatie
02-07-2018
Zaaknummer
200.200.8
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1. IPR. Verweer van onbevoegdheid van de Nederlandse rechter is niet vóór alle verweren ten gronde gevoerd en faalt daarom. Art. 11 Rv.

2. Anders dan de eerste rechter oordeelde, mocht de appellant, een advocaat, erop vertrouwen dat hij een opdracht van de geïntimeerde, een Turkse onderneming, had. Hof stelt alsnog een redelijke vergoeding vast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0544
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.200.811/01

zaak/rolnummer rechtbank Amsterdam : 4416019 CV EXPL 15-23456

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 31 oktober 2017

inzake

[appellant] ,

wonend te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. G.J.E. Schoofs te Maastricht,

tegen

De onderneming naar Turks recht [geïntimeerde]

gevestigd te [vestingsplaats] (Turkije),

geïntimeerde,

advocaat: mr. M.S. Kat te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van 14 september 2016 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter), van 24 juni 2016, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met een productie;

- memorie van antwoord.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 15 september 2017 doen bepleiten door hun advocaten voornoemd, mr. Schoofs aan de hand van een pleitnotitie die is overgelegd.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellant] heeft na wijziging van eis geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - [geïntimeerde] zal veroordelen tot betaling van een bedrag van € 4.725,= excl. BTW als vergoeding voor verrichte handelingen ten behoeve en in het belang van [geïntimeerde] alsmede een bedrag van € 1.000,= wegens immateriële schade met veroordeling in de integrale proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep vermeerderd met wettelijke handelsrente indien [geïntimeerde] nalatig blijft om binnen veertien dagen na betekening van de uitspraak deze kosten te voldoen.

[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 1. de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.

1. [appellant] is advocaat en verbonden aan Wyck Advocaten LLP (hierna: Wyck

Advocaten).

1.2.

Per e-mail van 26 juni 2012 (evenals de hiernavolgende e-mails geschreven in

het Turks en door [appellant] bij conclusie van repliek vertaald naar het Nederlands)

heeft [persoon 1], een vriend van [appellant] en destijds werkzaam bij [geïntimeerde],

vanaf zijn persoonlijke e-mailadres [appellant] onder meer medegedeeld:

“Lieve [geïntimeerde], ik ben geconfronteerd geworden met een oplichting. In mijn

correspondentie met Eurocontrol gaf ik aan dat wij voor betaling van kleine bedragen

steeds heel veel transferkosten moeten betalen en verzocht ik hen om mij een

rekeningnummer door te geven waarop wij ineens één betaling doen met specificaties.

(…) Wij hebben het geld betaald. Op de ING bank (...). Zou jij de onderneming en/of

persoon in Nederland kunnen checken? Indien het geld nog niet is opgenomen van de

ING bank, kunnen wij dit blokkeren? Ik zend nog 2 e-mails, niemand weet dit nog, hou het vertrouwelijk (...)“

1.3.

Per e-mail van 23 juli 2012 heeft [appellant] [persoon 3],

eigenaar/directeur van [geïntimeerde] en een (oude) zakelijke bekende van [appellant], onder

meer medegedeeld:

“Naar aanleiding van ons telefoongesprek van heden:

0p 26 juni 2012 heeft de heer [persoon 1] mij (...) verzocht om hem en uw

onderneming te helpen. (...)

Zowel op basis van ons oude kennismaking als ook op basis van mijn vriendschap met

de heer [persoon 1], heb ik met spoed beslag doen leggen op de ING rekening. (...)

De datum waartegen [persoon 2] (toevoeging hof: houder van

voornoemde ING-rekening) is gedagvaard is 10 oktober 2012. (...)“

1.4.

[geïntimeerde] heeft niet op voornoemde e-mail gereageerd. [appellant] heeft [persoon 3] op

13 en 31 augustus 2012 opnieuw e-mails gestuurd, waarop [geïntimeerde] evenmin

reageerde.

1.5.

Op 9 januari 2013 is [persoon 2] bij verstek veroordeeld. [appellant] heeft het

betreffende vonnis doorgestuurd aan [geïntimeerde].

1 .6. Per e-mail van 14 januari 2013 heeft [persoon 4], OCC directeur van [geïntimeerde],

[appellant] nadat zij elkaar telefonisch hadden gesproken, zijn verzoek aan [appellant]

bevestigd om de communicatie direct met hem te laten verlopen.

1.7.

Per e-mails van 14 en 29 januari 2013 heeft [appellant] [persoon 4] op de hoogte gesteld

van betalingsvoorstellen van [persoon 2].

1.8.

In augustus 2013 hebben [appellant] en [persoon 5], werkzaam bij [geïntimeerde], per

e-mail contact gehad over voorwaarden die [geïntimeerde] stelt aan afbetaling door

[persoon 2].

1.9

Bij e-mail van 13 augustus 2013 heeft [persoon 5] aan [appellant] onder meer het volgende bericht: “(…) In de zaak van [geïntimeerde] Eurocontrol heeft u de laatste keer aan de heer [persoon 4] laten weten dat de tegenpartij de schulden met maandelijkse betalingen van € 200,00 zou aflossen. Naar aanleiding van de bespreking met het bestuur, kunnen wij slechts maandelijkse termijnbetalingen van 750 € accepteren onder de voorwaarde dat dit middels documenten die naar internationaal recht zijn opgesteld in zekerheid zijn gesteld. Ik wacht uw informatie hierover af. (…)”

1.10

Per e-mail van 14 augustus 2013 heeft [appellant] [persoon 5] medegedeeld:

“Uit de door mij ontvangen e-mail van 11 juli 2013 (...) blijkt dat de tegenpartij

(mevrouw Van Haaren) op een trouwe wijze maandelijks € 200,00 betaald. Hiernaast

betaald mevrouw Van Haaren om de drie maanden € 150,00.

Op 23 juli 2013 is op de derdenrekening van mijn kantoor door de deurwaarder een

bedrag van € 2.000,- gestort.

De directe kosten die mijn kantoor heeft gemaakt (griffiegelden en advertentiekosten)

bedragen € 2.059,31. (...)

Als u mij toestaat wensen wij het bedrag van € 2.000,00 te verrekenen met de door ons kantoor gemaakte kosten. (...)”

1.11

Vervolgens heeft [persoon 5] [appellant] per e-mail van 15 augustus 2013 verzocht om uitbetaling van het bedrag van € 2.000,- en verder gesteld dat “De kosten die u heeft gemaakt zullen in 2 termijnen aan u betaald worden. Betaalwijze is dat indien wij de helft van de totale vordering hebben ontvangen zullen wij u de helft van uw kosten (€ 1000,00 en indien alles is ontvangen de andere helft (€ 1000,00) voldoen.”

Partijen hebben daarna verder gecorrespondeerd.

1.12.

Per e-mail van 26 maart 2014 heeft [persoon 5] [appellant] onder meer medegedeeld:

“Over de EUROCONTROL zaak heb ik nogmaals met het bestuur overleg gevoerd.

Wat moeten we doen om de ontvangen gelden van de rekening waarop ze zijn gestort te innen? Verder gaf u eerder aan dat ook u een vordering heeft. Zou u ons hierover nogmaals kunnen informeren? Wij wensen deze kwestie met uw hulp tot en einde te brengen. (….)”

1 .13. [appellant] heeft [persoon 5] hierop diezelfde dag onder meer medegedeeld:

“Zoals ik al eerder heb aangegeven (…) heeft ons kantoor kosten gemaakt

(griffiegelden en deurwaarderskosten (....).“

1.14.

[persoon 5] heeft [appellant] hierop onder meer medegedeeld dat zijn kosten na inning van

de vordering van [geïntimeerde] zullen worden betaald.

1.15.

Per e-mail van 10 februari 2015 heeft [appellant] [geïntimeerde] onder meer medegedeeld:

“Ik zal de door mij besteedde tijd en nog te besteden tijd aan u factureren. Over deze

kwestie was ik tot op heden mild maar uw vasthoudende beschuldigingen maakt dat ik

gedwongen word om mijn houding op deze wijze te veranderen. (...)“

1.16.

Vanaf 17 februari 2015 is verder gecorrespondeerd tussen [appellant] en mr. Ayaz,

advocaat van [geïntimeerde] in Turkije, waarbij mr. Ayaz het standpunt heeft

ingenomen dat [geïntimeerde] [appellant] geen opdracht heeft gegeven, zodat [appellant] niet

bevoegd was om namens haar een procedure te voeren en gelden te innen.

Tevens is verzocht de ten behoeve van [geïntimeerde] door [persoon 2] aan [appellant]

overgemaakte bedragen aan [geïntimeerde] te doen toekomen.

1.17.

De door [appellant]/Wyck Advocaten gemaakte kosten (griffiegelden en

deurwaarderskosten) van € 2.059,31 zijn tot een bedrag van € 2.000,- door [appellant]

verrekend met de middels het verstekvonnis van [persoon 2] ontvangen gelden.

1.18.

Op 18 augustus 2015 is op briefpapier van Wyck Advocaten een factuur aan

[geïntimeerde] opgesteld voor een bedrag van € 4.725,- met de omschrijving “Wegens

juridisch advies en bijstand”.

3 Beoordeling

3.1

[appellant] vorderde in eerste aanleg betaling van een bedrag van € 4.725,00 exclusief btw wegens verleende juridische bijstand, alsmede betaling van een bedrag van € 5.000,00 als immateriële schadevergoeding en de wettelijke handelsrente over beide bedragen vanaf 17 februari 2015, althans vanaf 18 augustus 2015, althans vanaf 26 augustus 2015, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten. Hij stelde daartoe dat hij heeft gehandeld in opdracht van [geïntimeerde] danwel als zaakwaarnemer is opgetreden. Aan de gevorderde immateriële schadevergoeding legde hij ten grondslag dat [geïntimeerde] jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld door hem te beschuldigen van oplichting, diefstal en valsheid in geschrifte, en aangifte jegens hem heeft gedaan waardoor hij in zijn eer en goede naam is aangetast.

3.2

[geïntimeerde] heeft betwist dat er ooit opdracht is gegeven voor de door [appellant] verrichte handelingen en heeft voorts het volgende aangevoerd. Het verzoek van een van haar werknemers ([persoon 1]) om te trachten een door [geïntimeerde] ten onrechte gedane betaling terug te draaien kan gezien de context waarin dit verzoek plaatsvond niet als zodanig worden beschouwd. [persoon 1] probeerde immers een fout van hemzelf te (doen) herstellen. Van zaakwaarneming is geen sprake omdat [appellant] als advocaat eerst bij [geïntimeerde] had dienen en kunnen verifiëren of [geïntimeerde] wenste dat [appellant] namens haar handelde. Er was geen redelijke grond voor zaakwaarneming. Een deel van de gefactureerde uren heeft betrekking op de met [geïntimeerde] gevoerde correspondentie, maar die was niet nodig geweest indien [appellant] alvorens te handelen contact had opgenomen met de bij [geïntimeerde] bevoegde personen. [geïntimeerde] betwist dat zij [appellant] heeft beschuldigd van oplichting en valsheid in geschrifte, zodat zij ook geen schadevergoeding is verschuldigd.

3.3

De kantonrechter heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen. Hij heeft daartoe kort samengevat het volgende overwogen. De hiervoor onder 1.2 genoemde e-mail van [persoon 1] is niet te beschouwen als een opdracht van [geïntimeerde] aan [appellant]. [appellant] heeft gehandeld op grond van een vriendschappelijke relatie met [persoon 1] en [persoon 3]. Zonder nadere toelichting- die ontbreekt - valt niet in te zien waarom hieruit voor [geïntimeerde] een betalingsverplichting voort zou vloeien. Er is ook pas gedeclareerd nadat een conflict was ontstaan tussen partijen. Dat er sprake is geweest van een machtiging achteraf voor zijn handelen, zoals door [appellant] gesteld, maakt dat niet anders. Met betrekking tot de door [appellant] gestelde kosten uit zaakwaarneming zien deze grotendeels op verstrekkende proceshandelingen waarvan niet valt in te zien welke redelijke grond [appellant] had om deze te verrichten zonder eerst bij [geïntimeerde] te verifiëren of zij deze wenste, althans daarmee akkoord ging. Dat [geïntimeerde] jegens [appellant] onrechtmatig heeft gehandeld, heeft [appellant] in het licht van de betwistingen door [geïntimeerde], onvoldoende onderbouwd. [appellant] is in de proceskosten veroordeeld. Tegen deze beslissingen en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellant] met zijn grieven op.

3.4

Vooraleer over te gaan tot de bespreking van een of meer grieven zal het hof het beroep van [geïntimeerde] op het ontbreken van onbevoegdheid van de Nederlandse rechter beoordelen. [geïntimeerde] heeft gesteld dat zij een onderneming is gevestigd in Turkije zonder activiteiten in Nederland, dat [appellant] geheel uit eigen beweging en zonder medeweten van [geïntimeerde] handelingen heeft verricht zonder dat daaraan een overeenkomst ten grondslag ligt, terwijl er ook geen sprake is van een rechtskeuze of een forumkeuze. Er is weliswaar betekend aan het kantooradres van een Nederlandse advocaat maar dat maakt dat niet anders, omdat dat geen gekozen woonplaats is.

3.5

Het hof verwerpt het verweer van [geïntimeerde]. Ingevolge art. 11 Rv dient dit verweer te worden opgeworpen voorafgaand aan alle verweren ten gronde. Aan deze voorwaarde is niet voldaan nu [geïntimeerde] heeft nagelaten dit verweer te voeren voorafgaand aan de conclusie van antwoord in eerste aanleg. Daar komt nog bij dat, naar blijkt uit de in de memorie van grieven niet bestreden overweging in het vonnis van 24 juni 2016,[geïntimeerde] ook in eerste aanleg uitdrukkelijk woonplaats heeft gekozen in Nederland, zodat ook reeds daarom het verweer faalt.

3.6

De grieven 1 en 3 hebben betrekking op het oordeel van de kantonrechter dat tussen partijen geen overeenkomst van opdracht heeft bestaan. [appellant] licht de grief toe door te wijzen op de omstandigheid dat [persoon 1] bevoegd was om aanzienlijke betalingen te doen, dat hij alle betrokkenen goed kende en dat de kantonrechter de e-mails van [persoon 4] en Hulya [persoon 5] – beiden van [geïntimeerde] – niet bij de oordeelsvorming heeft betrokken. Beiden hebben [appellant] gevraagd om verdere assistentie te verlenen bij de inning van de bedragen waartoe inmiddels [persoon 2] was veroordeeld, zonder daarbij enig voorbehoud te maken of mededeling te doen de activiteiten verder te staken. [appellant] heeft [geïntimeerde] verder steeds op de hoogte gehouden van zijn handelingen.

3.7.1

Het hof overweegt als volgt. Vastgesteld kan worden dat [appellant] in juni 2012 is benaderd door een personeelslid van [geïntimeerde], [persoon 1], toen deze laatste had bemerkt dat hij namens [geïntimeerde] een groot bedrag had betaald, waarbij bedrog in het spel was. [persoon 1] heeft [appellant] verzocht te trachten deze betaling ongedaan te maken althans het geld terug te vorderen. Dat de directie van [geïntimeerde] hiervan op dat moment (nog) niet op de hoogte was blijkt in voldoende mate uit de betreffende e-mail. [appellant] heeft hierop actie ondernomen, allereerst door te trachten de betreffende rekening bij de ING te blokkeren en vervolgens door de rekeninghouder te dagvaarden om tot terugbetaling van het bedrag te geraken. [appellant] heeft vervolgens op 23 juli 2012 de directeur van [geïntimeerde] telefonisch gesproken, hem van een en ander op de hoogte gesteld en daartoe tevens een bevestiging per e-mail gezonden. Op deze e-mail is door [geïntimeerde] niet gereageerd en evenmin op een aantal opvolgende e-mails, waarin [appellant] verzoekt om contact. Eerst nadat het vonnis was gewezen én [appellant] dat in januari 2013 had toegezonden aan [geïntimeerde] volgde een niet-inhoudelijke reactie van [persoon 4], waarna op 13 augustus 2013 [persoon 5] zich inhoudelijk uitlaat over het betalingsvoorstel van [persoon 2] dat reeds in januari 2013 door [appellant] onder de aandacht van [geïntimeerde] was gebracht. In al deze contacten of correspondentie, die heeft plaatsgevonden met [geïntimeerde] en haar vertegenwoordigers, is nimmer door [geïntimeerde] aan [appellant] aangegeven dat hij zijn handelen diende te staken of verder achterwege diende te laten. [geïntimeerde] was er reeds vanaf eind juli 2012 van op de hoogte welke handelingen [appellant] had verricht en dat [appellant] voornemens was een procedure te starten in verband met een door [persoon 1] gedane betaling, maar zij heeft [appellant] laten begaan om vervolgens in overleg met hem te treden hoe verder de zaak af te handelen (maandelijkse afbetaling door [persoon 2], het betalen van de door [appellant] betaalde verschotten). Onder deze omstandigheden mocht [appellant] erop vertrouwen dat hij van [geïntimeerde] (minst genomen) de stilzwijgende opdracht had om de gevolgen van de ten onrechte gedane betaling door [persoon 1] namens [geïntimeerde] zoveel mogelijk te redresseren. [geïntimeerde] had daar immers ook zelf een belang bij. Dat nadien [geïntimeerde] zich in de correspondentie weinig welwillend heeft opgesteld doet daaraan niet af.

3.7.2

Door partijen is geen afspraak gemaakt over de hoogte van het loon, integendeel [appellant] was kennelijk aanvankelijk zinnens om helemaal geen vergoeding in rekening te brengen - een toezegging daarover heeft hij overigens niet gedaan -, maar hij heeft zijn intentie gewijzigd als gevolg van het door hem ervaren wantrouwen jegens zijn handelen van de zijde van [geïntimeerde]. Dat leidt ertoe dat [appellant] nog aanspraak kan maken op loon. Op grond van het bepaalde in art. 7:405 BW gaat het hierbij om “een op de gebruikelijke wijze berekend loon of, bij gebreke daarvan, een redelijk loon”. [appellant] verzoekt om betaling van een bedrag van € 4.725,00. Hij heeft dat bedrag in de dagvaarding in eerste aanleg toegelicht door te verwijzen naar de talloze momenten van contacten met [geïntimeerde] en of haar vertegenwoordigers, die er kennelijk en in toenemende mate vooral op waren gericht de situatie telkens opnieuw uit te leggen. Naar het oordeel van het hof komen niet al die contacten voor een vergoeding in aanmerking met name ook omdat [appellant] zelf een rol heeft gespeeld in het ontstaan van de verwarring door niet dadelijk vanaf het begin en voordat hij ook maar enige actie ondernam [geïntimeerde] te informeren over de situatie. Het hof zal daarom een redelijke vergoeding vaststellen en daarbij aanknopen bij de bij vonnis van 9 januari 2013 ten laste van [persoon 2] toegewezen kosten salaris gemachtigde (€ 600,00) en de buitengerechtelijke kosten (€ 952,00), derhalve in totaal € 1.552,00 alsmede een vergoeding voor de gemaakte uren, die rechtstreeks betrekking hebben op de afwikkeling van de zaak, in totaal begroot op € 2.500,00 exclusief BTW. De wettelijke handelsrente, waartegen geen verweer is gevoerd, zal worden toegewezen vanaf 26 augustus 2015.

3.7.3

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg en thans ook in hoger beroep betoogd dat [appellant] niet zelf een vorderingsrecht heeft, maar de entiteit Wyck Advocaten, waar [appellant] werkzaam is. De betreffende declaratie staat ook op naam van deze entiteit. [appellant] heeft betoogd dat hij tot 6 december 2013 een kostenmaatschap had met zijn collega Hendriks en dat vanaf 6 december 2013 de kostenmaatschap is voortgezet onder een LLP-vorm. In een kostenmaatschap heeft elk lid een eigen inningsbevoegdheid. Naar het oordeel van het hof is het gelijk hier aan de zijde van [appellant]. De opdracht is in wezen verstrekt in 2012/2013, zodat het daarop gebaseerde vorderingsrecht reeds om die reden berust bij [appellant].

3.7.4

Dit betekent dat de grieven 1 en 3 slagen en dat [appellant] bij de bespreking van de grieven 2 en 4 waarbij hij de subsidiair aangevoerde grondslagen zaakwaarneming en ongerechtvaardigde verrijking aan de orde stelt, geen belang meer heeft.

3.8.1Kara vordert tevens immateriële schadevergoeding wegens aantasting in eer en goede naam. Hij baseert zich daarbij op beschuldigingen geuit door [persoon 3] tegen hem danwel tegen derden en het doen van aangifte. Zijn vordering heeft hij in hoger beroep verminderd tot € 1.000,=. De afwijzing door de kantonrechter heeft hij bestreden in grief 5.

[geïntimeerde] heeft gesteld dat de door [appellant] gedane beweringen niet of onvoldoende met feiten zijn onderbouwd, zodat zij deze ook niet deugdelijk kan weerleggen.

3.8.2

Het hof sluit zich aan bij het oordeel van de kantonrechter dat [appellant] zijn stellingen onvoldoende heeft onderbouwd. Ook in hoger beroep heeft [appellant] dat nagelaten. Hij stelt dat er ten onrechte jegens hem aangifte is gedaan bij de Turkse politie van oplichting en dat er bovendien soortgelijke uitlatingen zijn gedaan door [persoon 3] richting zijn (inmiddels) ex-cliënten [persoon 6] en [persoon 7]. Stukken die deze stellingen kunnen onderbouwen zijn niet overgelegd. Het enkel verwijzen naar de e-mail contacten met de Turkse politie is daartoe onvoldoende. Het hof laat dan nog maar daar dat eveneens niet zonder meer duidelijk is waarom eventuele grievende uitlatingen van [persoon 3] over [appellant] zonder meer (ook) aan [geïntimeerde] zouden moeten worden toegerekend. De vordering zal daarom worden afgewezen. Verdere bewijslevering is niet aan de orde nu [appellant] niet aan zijn stelplicht heeft voldaan. Grief 5 slaagt niet. Dat geldt ook voor grief 6 die ziet op het aanbieden van bewijs. Grief 7 die algemeen is geformuleerd, behoeft gelet op het hiervoor overwogene geen afzonderlijke bespreking.

3.9

De slotsom is dat de grieven gedeeltelijk slagen. Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd. [geïntimeerde] zal als grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in beide instanties.

4 Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep,

en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan [appellant] van een bedrag van € 2.500,00 exclusief BTW uit hoofde van een overeenkomst van opdracht te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 26 augustus 2015 tot aan de dag der voldoening;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties, in eerste aanleg aan de zijde van [appellant] begroot op € 298,84 aan verschotten en € 500,00 voor salaris en in hoger beroep tot op heden op € 391,75 aan verschotten en € 1.896,00 voor salaris, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente hierover, indien [geïntimeerde] binnen veertien dagen na betekening van deze uitspraak nalatig blijft in de betaling ervan;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.M. Aarts, M.L.D. Akkaya en G.C. Boot en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 31 oktober 2017.