Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:4420

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
31-10-2017
Datum publicatie
02-11-2017
Zaaknummer
200.197.257/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overeenkomst van opdracht; aansprakelijkheid ex art. 6:171 BW voor fouten niet ondergeschikte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2017/520
AR 2017/5752
RCR 2018/13
NTHR 2018, afl. 1, p. 53
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.197.257/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : 4561468 CV EXPL 15-29577

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 31 oktober 2017

inzake

[appellant] ,

wonend te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. J.R.L. van Gasteren te Leusden,

tegen

VERENIGING HOME WORKS,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

advocaat: mr. J.M. Geelkerken te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en Home Works genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van 4 augustus 2016 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) van 6 mei 2016, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellant] als eiser en Home Works als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord, met producties;

- akte van [appellant] ;

- antwoordakte met producties van Home Works;

- antwoordakte van [appellant] .

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - alsnog zijn vorderingen als in eerste aanleg geformuleerd zal toewijzen, met veroordeling van Home Works in de kosten van het geding in beide instanties.

Home Works heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis waarvan beroep en veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 1.1 tot en met 1.6 de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. De feiten onder 1.2 en 1.3, die betrekking hebben op de positie van de huishoudelijke hulp in relatie tot Home Works, zijn in hoger beroep bestreden, zodat het hof de feiten opnieuw zal vaststellen. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.

2.1

[appellant] heeft in 2005 een overeenkomst van opdracht gesloten met WoonMooi B.V. (hierna: WoonMooi) waarbij schoonmaakdiensten werden geleverd in de persoon van [X] (hierna [X] ).

2.2

WoonMooi is op 12 februari 2008 in staat van faillissement gesteld, welk faillissement op 25 augustus 2009 is opgeheven bij gebrek aan baten

2.3

Na het faillissement van WoonMooi is [X] dezelfde schoonmaakwerkzaamheden blijven verrichten voor [appellant] , waartoe Home Works maandelijks aan [appellant] factureerde.

2.4

Home Works is op 1 januari 2007 als vereniging opgericht en kent als doelomschrijving ‘het faciliteren van en samenwerken met leden van de vereniging in het streven naar een meer efficiënte werkwijze ten aanzien van de dienstverlening aan derden door de leden’.

2.5

[X] heeft op 9 mei 2008 aan de Stichting Air, h.o.d.n. Home Works, een volmacht gegeven om haar lid te maken van de vereniging Home Works.

2.6

Op 11 november 2014 heeft [X] tijdens de werkzaamheden bij [appellant] een emmer water op een houten vloer laten vallen.

2.7

[appellant] heeft Home Works op 18 november 2014 aansprakelijk gesteld voor de schade. Hij heeft daartoe onder meer aangevoerd “(…) U bent aansprakelijk voor de schade, omdat deze ontstaan is als gevolg van uw handelen. De schade is namelijk ontstaan door handelen van uw medewerkster (in loondienst) [X] (…).”

2.8

Home Works heeft de aansprakelijkheid betwist bij e-mail van 28 november 2014 en zij heeft daartoe onder meer het volgende opgemerkt: “Home Works werkt op basis van de regeling dienstverlening aan huis. (..) Op basis van deze regeling bent u opdrachtgever en draagt Home Works voor u o.a. zorg voor alle overige plichten jegens de hulp zoals het doorbetalen tijdens ziekte en vakantie.(…) Een ander aspect van deze regeling is dat (..) de klant als opdrachtgever zelf aansprakelijk is voor schade die door de huishoudelijke hulp veroorzaakt wordt. (…)”

2.9

De overeenkomst van opdracht tussen [appellant] en Home Works in begin 2015 beëindigd.

2.10

[appellant] heeft als begroting van de schade een offerte overgelegd d.d. 28 mei 2015 van De Plancken Vloer BV welke sluit op € 8.898,20.

3 Beoordeling

3.1

[appellant] vordert betaling van een bedrag van € 7.430,20 inclusief BTW aan hoofdsom te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 november 2014 alsmede buitengerechtelijke kosten en veroordeling van Home Works in de kosten van het geding. Hij stelde daartoe in eerste aanleg dat [X] in het kader van een overeenkomst van opdracht tussen [appellant] en Home Works als schoonmaakster schade heeft veroorzaakt en dat nu [X] als ondergeschikte van Home Works moet worden beschouwd, Home Works voor deze schade aansprakelijk is op grond van artikel 6:170 BW.

3.2

Home Works heeft deze aansprakelijkheid afgewezen, omdat zij zich op het standpunt stelt dat [X] niet is aan te merken als een ondergeschikte in de bovenbedoelde zin. Home Works bemiddelt slechts voor leden van haar vereniging, zoals [X] , en degenen die een hulp in de huishouding wensen, zoals [appellant] , en zij voert daartoe slechts de administratie. Dit is ook vastgelegd in een standaard overeenkomst en de daarvan deel uitmakende Algemene Voorwaarden, die beide aan [appellant] zijn toegezonden. Volgens die Algemene Voorwaarden is [appellant] de opdrachtgever van [X] en niet Home Works, terwijl bovendien elke aansprakelijkheid voor schade is uitgesloten.

3.3

De kantonrechter heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen en hem in de proceskosten veroordeeld. Hij overwoog daartoe, kort samengevat, het volgende. Weliswaar is niet gebleken van een schriftelijke overeenkomst van opdracht, zodat van toepasselijkheid van Algemene Voorwaarden waar Home Works zich op beroept onvoldoende is gebleken, maar tussen [X] en Home Works bestond geen ondergeschiktheidsverhouding. Home Works heeft de komst van [X] bij [appellant] geregeld en zij zond ook facturen, die [appellant] rechtstreeks aan haar betaalde, maar [appellant] was degene die de instructies gaf over de wijze waarop [X] het huis diende schoon te maken. Home Works was daartoe niet bevoegd. Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellant] met zijn grieven op.

3.4.1

[appellant] heeft zijn stellingen in hoger beroep aangevuld met een nadere grondslag waarbij de aansprakelijkheid van Home Works voor de gestelde schade mede, zij het subsidiair, wordt gebaseerd op artikel 6:171 BW. Het hof ziet aanleiding eerst deze grondslag, als neergelegd in grief 4, te bespreken. Het hof overweegt daartoe het volgende. Artikel 6:171 BW bepaalt dat indien een niet ondergeschikte die in opdracht van een ander werkzaamheden ter uitoefening van diens bedrijf verricht, jegens een derde aansprakelijk is voor een bij die werkzaamheden begane fout, is ook die ander jegens de derde aansprakelijk .

Kort gezegd: Home Works is (eveneens) aansprakelijk voor de gestelde door [X] gemaakte fout te achten, indien [X] die werkzaamheden verricht in het kader van het door Home Works uitgeoefende bedrijf. Vaststaat dat tussen Home Works en [appellant] een overeenkomst van opdracht bestond, die niet schriftelijk is vastgelegd. Deze overeenkomst is in tijd de directe opvolging van de overeenkomst die [appellant] destijds met WoonMooi had gesloten en waarbij WoonMooi zorg droeg voor het (doen) verrichten van schoonmaakwerkzaamheden en daartoe [X] als schoonmaakster had gestuurd, nadat [appellant] had verzocht om een schoonmaakster. Nadat WoonMooi failliet was gegaan is Home Works feitelijk in haar plaats getreden. Het initiatief is daarvan kennelijk uitgegaan van [X] . Niet of onvoldoende is komen vast te staan dat [appellant] door Home Works is geïnformeerd over een gewijzigde juridische constructie waarvan Home Works zich jegens [X] bediende in vergelijking met WoonMooi voordien. Dat valt ook niet af te leiden uit de door [appellant] in geding gebrachte facturen. Worden door WoonMooi “geleverde diensten” in de vorm van schoonmaakkosten gefactureerd, Home Works vraagt betaling “voor diensten van Home Works” die per gewerkt uur als “huishoudelijke hulp” gespecificeerd zijn. Met andere woorden: in de communicatie met [appellant] is Home Works te beschouwen als degene die de dienst in de vorm van een huishoudelijke hulp levert en daarvoor een urenverantwoording aanlevert. Althans [appellant] heeft dat zo mogen begrijpen en de overeenkomst met Home Works dan ook terecht beschouwd als een overeenkomst van opdracht tot het verrichten van schoonmaakwerkzaamheden. De verzoeken van Home Works aan [appellant] in het kader van een klanttevredenheidsonderzoek wijzen er ook niet op dat [appellant] moest begrijpen dat Home Works geen verantwoordelijkheid droeg voor het eigenlijke schoonmaakwerk. Dat de juridische werkelijkheid mogelijk anders en meer complex was kan [appellant] in de relatie met Home Works dan ook niet worden tegengeworpen. Home Works had bij het aangaan van de relatie met [appellant] ervoor dienen te zorgen dat [appellant] op de hoogte was van een mogelijk andere juridische constructie waarin [X] via Home Works werkzaam was in vergelijking met voorheen WoonMooi. Aldus is Home Works in de relatie met [appellant] aan te merken als een bedrijf dat schoonmaakdiensten levert, zodat [X] , die in opdracht van Home Works bij [appellant] werkzaam was, in ieder geval is te beschouwen als een niet ondergeschikte in de zin van art. 6:171 BW.

3.4.2

De volgende te beantwoorden vraag is dan of [X] bij de uitvoering van haar werkzaamheden een fout heeft gemaakt in de zin van dat artikel. Daarbij moet het gaan om een toerekenbare onrechtmatige daad. Vaststaat dat [X] bij het verrichten van haar werkzaamheden water heeft gemorst op de houten vloer in het huis van [appellant] . Home Works heeft aanvankelijk gesteld dat [X] een emmer uit haar handen had laten glippen met als gevolg een gescheurde bodem, nadien dat [X] een emmer had omgegooid en bij memorie van antwoord dat het handvat was losgeschoten. [X] heeft dit water zoveel mogelijk dadelijk opgeruimd, maar kennelijk geen oog gehad voor de omstandigheid dat een deel van het water onder de houten vloer is gelopen en daarbij het hout enigszins heeft aangetast. [X] heeft het ongeval nog wel gemeld middels een briefje, maar [appellant] ontdekte pas later wat er werkelijk was gebeurd. Aldus heeft [X] niet adequaat gereageerd en dat valt haar te verwijten. De omvang van deze schade is door het hof niet vast te stellen en de door Home Works in het geding gebrachte foto’s in zwart wit geven op dat punt ook geen inzicht. Volgens [appellant] zijn enige vloerplanken gaan “schotelen”, maar bij brief van 8 januari 2015 erkent de rechtsbijstandverlener van [appellant] dat “de vloer inmiddels enigszins is verbeterd”. Voor ligt een offerte van De Plancken Vloer BV van 28 mei 2015 waarin slechts wordt gesteld dat “de waterschade is dusdanig dat de gehele vloer vervangen dient te worden” echter zonder enige specificatie of toelichting. Waarom schuren niet mogelijk zou zijn als door Home Works gesuggereerd in een e-mailreactie op dit rapport van 13 juli 2015 is evenmin duidelijk geworden. De reactie daarop in de inleidende dagvaarding onder 35.7, dat bij schotelen van planken schuren geen zin heeft, is van [appellant] zelf, maar die valt geen deskundigheid toe te dichten. Kortom het hof zal de schade overeenkomstig het bepaalde in art. 6:96 BW dan maar schatten op een bedrag van € 1.250,00, daarbij tevens rekening houdend met het feit dat het hier om een betrekkelijk oude vloer gaat, die bovendien al de nodige beschadigingen (aantasting door vlekken en een losliggend plankje) vertoonde.

3.5

Nu de grief slaagt heeft [appellant] geen belang meer bij de behandeling van de overige grieven. Het bestreden vonnis zal worden vernietigd, Home Works zal worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 1.250,00 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 november 2014. Dat buitengerechtelijk kosten zijn gemaakt is niet door Home Works bestreden, maar nu de grondslag wordt gevormd door de wet normering buitengerechtelijke incassokosten en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, zal het hof deze stellen op € 187,50.

3.6

Beide partijen zijn deels in het ongelijk gesteld daarom zullen de proceskosten worden gecompenseerd, zowel die van eerste aanleg als die in hoger beroep. Daarmee slaagt ook grief 5.

4 Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep,

en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt Home Works tot betaling van € 1.250,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 november 2014,

alsmede betaling van € 187,50 inclusief btw aan buitengerechtelijke kosten;

bepaalt dat ieder der partijen de eigen proceskosten draagt zowel die van de eerste aanleg als in hoger beroep;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. G.C. Boot, C.M. Aarts en R.J.F. Thiessen en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 31 oktober 2017.