Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:4417

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
31-10-2017
Datum publicatie
06-11-2017
Zaaknummer
200.194.548/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzekering arbeidsongeschiktheid.

Kernbeding? Onredelijk bezwarend beding?

Uitkering ten onrechte geweigerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/5849
RAV 2018/15
NTHR 2017, afl. 6, p. 386
NTHR 2018, afl. 3, p. 181
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.194.548/01

rolnummer rechtbank Amsterdam : CV 15-15393

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 31 oktober 2017

inzake

de vennootschap naar buitenlands recht

LONDON GENERAL INSURANCE COMPANY LIMITED,

kantoorhoudend te Amsterdam,

appellante in principaal appel,

geïntimeerde in incidenteel appel,

advocaat: mr. R.A. de Weerd te Alkmaar,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonend te [woonplaats] ,

geïntimeerde in principaal appel,

appellant in incidenteel appel,

advocaat: mr. K.F.J. Machielsen te Utrecht.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna LGI en [geïntimeerde] genoemd.

LGI is bij dagvaarding van 27 juni 2016 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam van 12 april 2016 (verder ook: het eindvonnis), onder bovenvermeld rolnummer gewezen tussen [geïntimeerde] als eiser en LGI als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven;

- memorie van antwoord, tevens houdende incidenteel appel tevens akte aanvulling eis;

- memorie van antwoord in incidenteel appel, tevens antwoordakte aanvulling eis.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 31 mei 2017 doen bepleiten door hun in de aanhef van dit arrest genoemde advocaten aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Van de zijde van [geïntimeerde] is nadien nog binnengekomen een leesbare kopie van de eerder overgelegde polisvoorwaarden.

Ten slotte is arrest gevraagd.

LGI heeft geconcludeerd dat het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog de vordering van [geïntimeerde] zal afwijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] tot terugbetaling van al hetgeen zij ter uitvoering van het bestreden vonnis aan hem heeft voldaan, met rente, en met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties, met nakosten en rente.

[geïntimeerde] heeft geconcludeerd, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, in het principaal appel tot bekrachtiging van het bestreden vonnis en in incidenteel appel, naar het hof begrijpt, tot toewijzing van zijn in hoger beroep aangevulde vorderingen, een en ander met veroordeling van LGI in de kosten van het geding in principaal en incidenteel appel.

LGI heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het incidentele appel, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten daarvan.

LGI en [geïntimeerde] hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in het in deze zaak gewezen vonnis van 1 december 2015 (verder: het tussenvonnis) onder het kopje ‘Feiten’ de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn, behoudens voor zover bestreden bij grief 1 in incidenteel appel welke grief hierna nog zal worden besproken, in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve in zoverre ook het hof tot uitgangspunt. Het hof zal bij de feitenvaststelling rekening houden met hetgeen bij genoemde grief is aangevoerd.

3 Beoordeling

3.1

Het gaat in deze zaak om het volgende.

3.1.1

[geïntimeerde] heeft in 2010, bij de aankoop van een woning te [plaats] en op advies van zijn bank, een zogenaamde ING woonlastenverzekering (verder ook: de verzekering) gesloten tegen een eenmalige koopsom van € 500,40. De verzekering houdt in dat hem in geval van arbeidsongeschiktheid een maandelijks bedrag van € 225,- zal worden uitbetaald vanaf een jaar na het intreden van de arbeidsongeschiktheid. De verzekering is ondergebracht bij LGI. Bij de verzekering behoren polisvoorwaarden.

3.1.2

Het polisblad houdt onder meer in:

Verzekering

Ingangsdatum : 09-06-2010

Looptijd in maanden : 120 maanden (…)

Verzekerd maandbedrag : € 225.00

(…)

Verzekerd risico Eigen risicoperiode Uitkeringsduur

Arbeidsongeschiktheid 365 dagen Maximaal 100 maanden per schade’

3.1.3

De polisvoorwaarden houden onder meer in:

Artikel 1 definities

In deze polisvoorwaarden wordt verstaan onder:

a. a) Verzekerde: de op het polisblad vermelde in Nederland woonachtige natuurlijke persoon die op de ingangsdatum van de verzekering een hypothecaire geldlening heeft, tenminste 18 jaar is en nog niet de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt en gedurende tenminste zestien uur per kalenderweek op grond van een arbeidsovereenkomst naar Nederlands burgerlijk recht dan wel op grond van een aanstelling in openbare dienst in Nederland werkzaam is.

(…)

Artikel 7 Uitkering

1. De verzekering in geval van arbeidsongeschiktheid kan alleen worden ingeroepen indien verzekerde ten tijde van het ontstaan van de arbeidsongeschiktheid in Nederland woonachtig en voor tenminste zestien uur per week op basis van een arbeidsovereenkomst naar Nederlands burgerlijk recht dan wel aanstelling in Nederland openbare dienst werkzaam was.

(…)

Artikel 16 Duur en einde van de verzekering

(...)

2. Onverminderd hetgeen elders in deze polisvoorwaarden is bepaald omtrent opzegging en/of beëindiging van de verzekering, eindigt deze:

(…)

e) op de dag waarop verzekerde niet langer in Nederland woonachtig is of op de dag waarop verzekerde niet langer in Nederland op grond van een arbeidsovereenkomst naar Nederlands recht dan wel op grond van een aanstelling in openbare dienst in Nederland werkzaam is voor tenminste 16 uur per kalenderweek, anders dan door een op grond van deze verzekering ontstane onvrijwillige volledige werkloosheid’.

3.1.4

[geïntimeerde] was in juni 2010 in loondienst werkzaam in Nederland. Hij is op 8 augustus 2013 in dienst getreden bij een hotel in Antwerpen op grond van een arbeidsovereenkomst naar Belgisch recht. [geïntimeerde] reisde vanuit zijn woning in [plaats] dagelijks op en neer naar zijn werk in Antwerpen. Bij [geïntimeerde] werd op 12 november 2013 myositis met scelerodermie vastgesteld, een auto-immuunziekte. Hij heeft als gevolg van deze ziekte zijn werk moeten neerleggen en heeft zijn werk sindsdien niet meer hervat.

3.1.5

[geïntimeerde] heeft een beroep gedaan op de arbeidsongeschiktheidspolis. LGI heeft zijn claim afgewezen met een beroep op de artikelen 7 lid 1 en 16 lid 2 onder e van de polisvoorwaarden. [geïntimeerde] heeft LGI vervolgens in gebreke gesteld en gesommeerd tot betaling, maar LGI heeft haar standpunt gehandhaafd.

3.2

[geïntimeerde] vorderde in eerste aanleg, kort gezegd, (I) de artikelen 7 lid 1 en 16 lid 2 sub e van de polisvoorwaarden, althans de woorden ‘naar Nederlands burgerlijk recht’ in die artikelen te vernietigen op grond van de artikelen 6:233 sub a juncto 6:236 sub a en/of 6:237 sub b BW dan wel artikel 6:233 sub b BW, (II) te verklaren voor recht dat LGI in verzuim is en ten onrechte de uitkering uit de verzekering heeft geweigerd, dat hij op en na 12 november 2014 arbeidsongeschikt is in de zin van de polisvoorwaarden en recht heeft op een uitkering van € 225,- per maand en dat LGI geen beroep toekomt op artikel 16 lid 2 sub e van de polisvoorwaarden en (III) LGI te veroordelen om vanaf 12 november 2014 te betalen een bedrag van 225,- per maand, indien en voor zover zijn gezondheid niet substantieel verbetert en totdat 100 maanden uitkering zijn betaald, met wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten. [geïntimeerde] beriep zich op bovenstaande wetsartikelen betreffende de vernietigbaarheid van bedingen in algemene voorwaarden en, subsidiair, op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in artikel 6:248 lid 2 BW. De kantonrechter heeft het beroep van [geïntimeerde] op de artikelen 6:233 en verder BW afgewezen op in het tussenvonnis en het eindvonnis weergegeven gronden. Bij het eindvonnis is geoordeeld dat het in de gegeven omstandigheden onaanvaardbaar is om [geïntimeerde] anders te behandelen dan een in Nederland wonende werknemer en is het beroep van [geïntimeerde] op artikel 6:248 lid 2 BW gehonoreerd. De kantonrechter heeft LGI veroordeeld om aan [geïntimeerde] te betalen een bedrag van € 225,- per maand vanaf 12 november 2014 tot 12 november 2024 of zoveel eerder als de arbeidsongeschiktheid van [geïntimeerde] als gedefinieerd onder de polis zal zijn geëindigd, met buitengerechtelijke kosten en proceskosten. De vordering van [geïntimeerde] de door hem genoemde artikelen van de polisvoorwaarden te vernietigen en zijn vorderingen strekkende tot voornoemde verklaringen voor recht zijn afgewezen omdat, zo overweegt de kantonrechter, [geïntimeerde] daarbij geen belang meer heeft.

3.3

De grieven 1 tot en met 3 in principaal appel richten zich tegen de (gedeeltelijke) toewijzing van de vordering op de subsidiaire grondslag, te weten artikel 6:248 lid 2 BW, en tegen de overwegingen die tot die toewijzing hebben geleid. Daarnaast is in de toelichting op de grieven ook een verweer te lezen tegen de primaire, door de kantonrechter niet gehonoreerde grondslag. LGI voert bij grief 4 in principaal appel aan dat niet kan worden vastgesteld of is voldaan aan overige polisvoorwaarden, zodat ook daarom niet aan toewijzing van de vordering kan worden toegekomen. LGI betoogt bij haar vijfde en laatste grief in principaal appel dat de maximale uitkeringsduur 100 maanden bedraagt en niet 120 maanden, zoals door de kantonrechter kennelijk is aangenomen. [geïntimeerde] bestrijdt de grieven in het principale appel. Hij betoogt bij grief 1 in incidenteel appel dat niet als feit kan worden vastgesteld dat gedurende 100 maanden een uitkering dient te worden betaald. [geïntimeerde] voert bij grief 2 in incidenteel appel aan dat LGI geen beroep toekomt op de voorgedrukte verklaring in het aanvraagformulier inhoudende dat hij, [geïntimeerde] , de polisvoorwaarden heeft ontvangen en gelezen. Grief 3 luidt dat de kantonrechter ten onrechte de vordering tot vernietiging van artikel 7 lid 1 en artikel 16 lid 2 sub e van de polisvoorwaarden op grond van artikel 6:233 sub b BW heeft afgewezen. De grieven 4 tot en met 6 in incidenteel appel betreffen de verwerping door de kantonrechter van het beroep van [geïntimeerde] op artikelen 6:233 sub a BW in samenhang met de artikelen 6:236 sub a en/of 6:237 sub b BW. [geïntimeerde] betoogt bij grief 7 in incidenteel appel tenslotte dat zijn beroep op het vrij verkeer van werknemers ten onrechte is afgewezen. LGI bestrijdt op haar beurt de incidentele grieven.

3.4

[geïntimeerde] heeft in hoger beroep zijn vordering aangevuld en opnieuw geformuleerd en vordert thans, zakelijk weergegeven (hof: de wijzigingen en aanvullingen zijn hieronder schuin gedrukt) (i) de artikelen 7 lid 1 en 16 lid 2 sub e van de polisvoorwaarden, althans de woorden ‘naar Nederlands burgerlijk recht’ in die artikelen en (twee maal) de woorden ‘in Nederland’ in artikel 16 lid 2 sub e te vernietigen op grond van de artikelen 6:233 sub a juncto 6:236 sub a en/of 6:237 sub b BW dan wel artikel 6:233 sub b BW, althans te verklaren voor recht dat LGI geen beroep toekomt op artikel 16 lid 2 sub e van de polisvoorwaarden, (ii) artikel 1 onder a van de polisvoorwaarden, althans de woorden ‘naar Nederlands burgerlijk recht’ en ‘in Nederland’ in dat artikel te vernietigen op grond van de artikelen 6:233 sub a juncto 6:236 sub a en/of 6:237 sub b BW dan wel artikel 6:233 sub b BW, (iii) het beding in het aanvraagformulier luidende ‘ik heb de voorwaarden van de Woonlastenverzekering ING ontvangen en ga akkoord met deze voorwaarden’ te vernietigen op grond van de artikelen 6:233 sub a juncto 6:236 sub k BW, (iv) te verklaren voor recht dat LGI in verzuim is en ten onrechte de uitkering uit de verzekering heeft geweigerd, dat hij op en na 12 november 2013 arbeidsongeschikt is in de zin van de polisvoorwaarden en mitsdien vanaf 12 november 2014 recht heeft op een uitkering van € 225,- per maand (v) LGI te veroordelen om vanaf 12 november 2014 te betalen een bedrag van 225,- per maand, indien en voor zover zijn gezondheid niet substantieel verbetert en totdat 120 maanden uitkering zijn betaald, met wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten. Het hof zal bij gebreke van verzet daartegen van de zijde van LGI uitgaan van de gewijzigde en aangevulde vordering.

3.5

[geïntimeerde] betoogt bij zijn grieven 2 en 3 in incidenteel appel dat hij de polisvoorwaarden niet voor of bij het sluiten van de verzekering heeft ontvangen maar pas lange tijd daarna. LGI heeft hem aldus niet een redelijke mogelijkheid geboden om van deze voorwaarden kennis te nemen zodat hem, [geïntimeerde] , een beroep toekomt op onderdeel b van artikel 6:233 BW en de voorwaarden op die grond vernietigbaar zijn. Aan LGI komt geen beroep toe op de voorgedrukte verklaring in het door hem ondertekende aanvraagformulier, inhoudende dat hij de polisvoorwaarden heeft ontvangen. De verklaring is volgens hem een vernietigbaar beding omdat het zijn bevoegdheid om bewijs te leveren uitsluit of beperkt en aldus in strijd is met artikel 6:236 onder k BW. De kantonrechter had LGI moeten opdragen te bewijzen dat de polisvoorwaarden aan hem ter hand zijn gesteld, aldus nog steeds [geïntimeerde] . LGI stelt daar tegenover dat [geïntimeerde] de voorwaarden wel heeft ontvangen. Zij verwijst daartoe naar bedoelde verklaring in het aanvraagformulier. Zij wijst erop dat de verklaring door [geïntimeerde] is ondertekend en dus dwingende bewijskracht heeft. Zij betwist dat de verklaring vernietigbaar is.

3.6

Het hof gaat vooralsnog voorbij aan de stellingen omtrent vernietigbaarheid op grond van artikel 6:233 sub b BW, en zal eerst het beroep van [geïntimeerde] op vernietigbaarheid op grond van artikel 6:233 sub a, en de door hem aangehaalde onderdelen van de grijze en zwarte lijst, beoordelen zoals door hem toegelicht in eerste aanleg en bij zijn grieven 4 tot en met 6 in incidenteel appel, dit onder de aanname dat [geïntimeerde] de polisvoorwaarden voor of ten tijde van het afsluiten van de verzekeringsovereenkomst heeft ontvangen. Het meest verstrekkende verweer van LGI tegen het beroep van [geïntimeerde] op 6:233 sub a BW is dat de bedingen op grond waarvan zij de uitkering heeft geweigerd, zijn aan te merken als kernbedingen. LGI betoogt dat zij de vrijheid heeft te bepalen waarvoor zij dekking verleent. [geïntimeerde] heeft geen andere verwachtingen over die dekking kunnen hebben dan in de polisvoorwaarden is bepaald. Het hof zal eerst beoordelen of de artikelen 7 lid 1 en 16 lid 2 van de polisvoorwaarden, gelet op de aard, de algehele opzet en de voorwaarden van het contractuele kader waarvan de bepalingen deel uitmaken alsook op de juridische en feitelijke context ervan, een kernprestatie van dat contractuele kader vastlegt, die er als zodanig kenmerkend voor is (HvJ EU 23 april 2015, ECLI:EU:C:2015:262).

3.7

Het hof overweegt daartoe als volgt. Op het polisblad is het verzekerde risico in één woord samengevat als ‘arbeidsongeschiktheid’. Het polisblad bevat geen verdere omschrijving of afbakening van dat verzekerde risico. De prestatie die LGI volgens het polisblad bij het intreden van het verzekerde risico dient te leveren is het, na een eigenrisicoperiode van 365 dagen, gedurende een gemaximeerde periode uitkeren van een maandelijks bedrag van € 225,-. Het vorenstaande is in elk geval aan te merken als behorend tot de kern van de door LGI te leveren prestatie.

3.8

In artikel 1 onder e van de polisvoorwaarden is het begrip arbeidsongeschiktheid gedefinieerd. In het eerste ziektejaar is, aldus dit artikelonderdeel, sprake van arbeidsongeschiktheid indien verzekerde ten minste 30 dagen volledig ongeschikt is door medisch vast te stellen gevolgen van ziekte of ongeval, in het tweede ziektejaar indien verzekerde ongeschikt is om voor 35% of meer van de normale werktijd werkzaamheden te verrichten door dezelfde oorzaak en na dit tweede ziektejaar als verzekerde door de daarmee belaste instantie in het kader van de sociale zekerheidswetgeving voor ten minste 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. Artikel 6 van de polisvoorwaarden bevat nadere regels omtrent de vaststelling van de arbeidsongeschiktheid zoals gedefinieerd in artikel 1 onder e. De polisvoorwaarden kunnen naar het oordeel van het hof in zoverre worden gezien als een omschrijving en afbakening van het verzekerde risico, zodat deze bedingen zijn aan te merken als kernbedingen. Artikel 7 van de polisvoorwaarden is getiteld ‘Uitkering’. Lid 2 van dit artikel bepaalt dat de verzekering voorziet in een uitkering ‘ter grootte van het aantal aaneengesloten perioden van 30 dagen dat verzekerde arbeidsongeschikt is geweest’ en lid 3 dat de uitkering ingaat na een aaneengesloten periode van arbeidsongeschiktheid van ten minste 30 dagen met terugwerkende kracht tot de eerste dag van de arbeidsongeschiktheid, met inachtneming van de gekozen eigen risico periode blijkend uit het polisblad. Het hof is van oordeel dat ook deze artikelleden kunnen worden gezien als bedingen die de verbintenis van de verzekeraar omschrijven en afbakenen, en aldus eveneens kernbedingen zijn die niet het voorwerp van een toetsing als bedoeld in artikel 6:233 sub a BW kunnen zijn.

3.9

Artikel 7 lid 1 van de polisvoorwaarden, op grond waarvan LGI heeft geweigerd de uitkering te verstrekken, bepaalt dat de verzekering alleen kan worden ingeroepen indien verzekerde ten tijde van het ontstaan van de arbeidsongeschiktheid werkzaam was op basis van een arbeidsovereenkomst naar Nederlands burgerlijk recht. Het hof is van oordeel dat dit onderdeel van artikel 7 niet kan worden aangemerkt als een nadere omschrijving of afbakening van het begrip arbeidsongeschiktheid, niet alleen omdat dit in artikel 1 en 6 van de polisvoorwaarden al uitputtend is gedaan, maar ook omdat artikel 7 lid 1 slechts het gevolg van een buiten dat begrip gelegen omstandigheid regelt. Niet valt in te zien dat het recht, dat ten tijde van het intreden van de arbeidsongeschiktheid op de arbeidsovereenkomst van verzekerde van toepassing was, in enig relevant verband staat met het begrip arbeidsongeschiktheid, in die zin dat het toepasselijke recht dat begrip omschrijft of afbakent. Het artikellid, voor zover hiervoor aangehaald, is eerder aan te merken als een bepaling waarin een buiten de essentiële kenmerken van het verzekerde risico gelegen feit tot uitsluiting van de dekking leidt. Het gaat evenmin om een nadere invulling van de verbintenis van LGI. Voor zover de bepaling al kan worden gezien als een afbakening van die verbintenis, valt niet in te zien dat deze in aanmerking wordt genomen bij de berekening van de door de consument te betalen premie. Het recht dat op de arbeidsovereenkomst van verzekerde van toepassing is, is immers geen omstandigheid die van invloed is op het al dan niet intreden van het verzekerde risico en evenmin op de omvang van eventuele bijkomende kosten, waarover hierna meer. LGI heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel leiden. Het beding kan, nu het te ver is verwijderd van de essentie van de door LGI te leveren prestatie, en omdat enige verwijzing naar een dergelijke beperkende voorwaarde op het polisblad ontbreekt, niet worden aangemerkt als een kernbeding.

3.10

Artikel 16 lid 2 onder e van de polisvoorwaarden, dat door LGI eveneens aan haar weigering ten grondslag is gelegd, bepaalt voor zover van belang dat de verzekering eindigt op de dag dat verzekerde niet langer in Nederland op grond van een arbeidsovereenkomst naar Nederlands burgerlijk recht werkzaam is. LGI beroept zich bij haar afwijzing van de uitkering ook op dit onderdeel van artikel 16, kennelijk mede in verband met artikel 7 lid 4 van de polisvoorwaarden waarin is bepaald dat het recht op uitkering vervalt op het moment dat de verzekering eindigt op grond van artikel 16. Het hof is van oordeel dat ook deze bepalingen, in onderling verband bezien, niet kunnen worden aangemerkt als een nadere omschrijving of afbakening van het verzekerde risico. De genoemde bepalingen regelen immers dat de verzekering en daarmee de dekking van rechtswege eindigt bij het intreden van buiten de essentiële kenmerken van het verzekerde risico gelegen feiten. Ook ligt het niet voor de hand dat dat een beperking van de verbintenis van LGI betreft die in aanmerking wordt genomen bij de berekening van de door de consument te betalen premie. Het gaat immers op het eerste oog om omstandigheden die niet in verband staan met de financiële verplichting van LGI. LGI heeft weliswaar erop gewezen dat zij extra kosten voor onderzoek naar buitenlandse sociale zekerheidsstelsels wil voorkomen maar daartoe zijn niet bepalend, zoals ook uit het onderhavige geval blijkt, de plaats van tewerkstelling van de verzekerde of het op zijn arbeidsovereenkomst toepasselijke recht. Een en ander betekent dat ook hier geen sprake is van een kernbeding.

3.11

Het hof komt dan ook toe aan de vraag of sprake is van onredelijk bezwarende bedingen als bedoeld in artikel 6:233 onder a BW, die aldus op grond van dat wetsartikel vernietigbaar zijn. [geïntimeerde] heeft daartoe in stelling gebracht dat de artikelen 7 lid 1 en 16 lid 2 onder e van de polisvoorwaarden bedingen zijn als bedoeld in artikel 6:236 sub a BW (de ‘zwarte’ lijst) en als bedoeld in artikel 6:237 sub b BW (de ‘grijze’ lijst). LGI betwist dat sprake is van bedingen zoals door [geïntimeerde] aangegeven. Zij wijst voorts erop dat het voorkomen op de grijze lijst slechts een vermoeden oplevert dat sprake is van onredelijk bezwarende bedingen. Het hof zal eerst beoordelen of sprake is van bedingen als bedoeld in de grijze lijst, onderdeel b.

3.12

Het hof zal aldus bezien of sprake is van een beding dat de inhoud van de verplichtingen van LGI wezenlijk beperkt ten opzichte van hetgeen [geïntimeerde] , mede gelet op de wettelijke regels die op de overeenkomst betrekking hebben, zonder dat beding redelijkerwijs mocht verwachten. Dat sprake is van een wezenlijke beperking van de verplichtingen van LGI staat voldoende vast; LGI hoeft op grond van tekst van de bepalingen immers geen uitkering aan [geïntimeerde] te verstrekken. Het is dan ook de vraag wat [geïntimeerde] (zonder dit beding) redelijkerwijs mocht verwachten ten aanzien van de verplichtingen van LGI. Het hof stelt in dit verband vast dat de verzekering door ING aan [geïntimeerde] is aangeboden toen hij na aankoop van een woning een hypothecaire geldlening wenste af te sluiten en daartoe ING als hypotheekverstrekker had benaderd. Zowel de aanhef van het polisblad als van de polisvoorwaarden benoemen de verzekering als ‘woonlastenverzekering’. De verzekering werd voorts aan [geïntimeerde] aangeboden met een vaste looptijd en tegen een eenmalig vooruit te betalen premiebedrag (met de mogelijkheid van verlenging tegen een maandpremie). [geïntimeerde] kon gelet op een en ander naar het oordeel van het hof verwachten dat hij gedurende de overeengekomen looptijd van 120 maanden was verzekerd tegen het intreden van arbeidsongeschiktheid en daaruit voortvloeiende teruggang in inkomen. Dat het begrip arbeidsongeschiktheid een nadere invulling behoeft zoals in het definitie-artikel gegeven en in artikel 6 nader uitgewerkt, kon hij eveneens verwachten. Ook een precisering van de verplichting tot uitkering zoals vastgelegd in de leden 2 en 3 van artikel 7 kon hij verwachten. Hetzelfde geldt voor gebruikelijke uitsluitingen van dekking zoals opzet of grove schuld, of extreme omstandigheden zoals gewapend conflict, een en ander zoals nader uitgewerkt in artikel 8 van de polisvoorwaarden. Hij behoefde echter niet te verwachten dat de verplichtingen van LGI zouden ophouden te bestaan in het geval dat hij vanuit zijn woonplaats in Nederland in België zou gaan werken, ook niet als dat zou zijn op grond van een arbeidsovereenkomst naar Belgisch recht. Dat hij op enig tijdstip gedurende de looptijd van de overeenkomst op deze wijze zijn inkomen zou gaan verwerven is immers niet zo ongebruikelijk - en op zichzelf genomen niet, en zeker niet voor hem kenbaar, van invloed op het intreden van het verzekerde risico - dat hij kon verwachten dat hij daardoor geen beroep meer op de verzekering kon doen. Het voorgaande betekent dat sprake is van een beding als bedoeld in artikel 6:237 sub b BW en dat dit beding aldus wordt vermoed onredelijk bezwarend te zijn.

3.13

LGI betoogt nog dat zij bij een onbegrensde dekking meer risico loopt. Zij zou, om te kunnen beoordelen of een verzekerde met een arbeidsovereenkomst naar buitenlands recht aanspraak maakt op een uitkering krachtens de verzekering, onderzoek moeten doen naar de sociale zekerheidswetgeving van andere landen. Dit maakt de schade-afhandeling complexer en kostbaarder, aldus LGI. Zij heeft dit willen voorkomen door het opnemen van de onderhavige bepalingen. Het hof overweegt, ervan uitgaande dat LGI met een en ander het rechtsvermoeden van artikel 7:237 BW heeft willen ontkrachten, het volgende. [geïntimeerde] heeft onbetwist gesteld dat hij valt onder de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving, volgens het UWV volledig arbeidsongeschikt is en een uitkering op grond van de WIA ontvangt, hetgeen meebrengt dat LGI geen nader onderzoek naar zijn arbeidsongeschiktheid hoefde of hoeft te doen. Het hof is gelet daarop van oordeel dat de onderhavige bepalingen veel verder strekken dan het daarmee door LGI beoogde doel. In het geval van [geïntimeerde] leidt dat ertoe dat hij zonder redelijke grond geen recht zou hebben op een uitkering uit de door hem afgesloten verzekering. Een en ander brengt mee dat LGI met hetgeen zij aanvoert het rechtsvermoeden dat sprake is van een onredelijk bezwarend beding, onvoldoende heeft weerlegd.

3.14

Van de zijde van LGI is nog aangevoerd dat [geïntimeerde] op het aanvraagformulier heeft moeten invullen dat hij werkzaam was in Nederland op basis van een arbeidsovereenkomst naar Nederlands recht en dat hij daarom wist of heeft kunnen weten dat de beperkende voorwaarden bestonden. Het hof gaat hieraan voorbij. De door LGI bedoelde vraag op het aanvraagformulier houdt in dat [geïntimeerde] ja of nee moest aankruisen op de vraag of hij voor minimaal 16 uur per week in Nederland werkzaam was op grond van een arbeidsovereenkomst naar Nederlands burgerlijk recht. Uit deze vraag wordt niet duidelijk welke van de omstandigheden die [geïntimeerde] dient te bevestigen voor LGI van betekenis zijn, laat staan waarom en op welke wijze. Ook betreft de vraag, naar uit de tekst daarvan mag worden aangenomen, alleen de situatie op het moment van de aanvraag. Een verdere uitleg van de vraag of een daaraan verbonden waarschuwing ontbreekt. Het door LGI gestelde is daarom van te weinig gewicht om tot andere dan de hiervoor gegeven oordelen te leiden.

3.15

De conclusie is dat de grieven 4 tot en met 6 in incidenteel appel slagen. Met het voorgaande falen tevens de grieven 1 tot en met 3 in principaal appel. Het onder (i) gevorderde is toewijsbaar als na te melden. Het hof merkt op dat [geïntimeerde] geen belang heeft bij een verdergaande vernietiging dan in het navolgende zal worden toegewezen.

3.16

LGI betwist bij grief 4 in principaal appel dat, zoals de kantonrechter heeft overwogen, het bij haar verzekerde risico zich heeft gerealiseerd. LGI voert daarbij aan dat het de vraag is of aan artikel 1 onder e van de polisvoorwaarden is voldaan. Ook is het volgens haar mogelijk dat zich uitsluitingsgronden als bedoeld in artikel 8 van de polisvoorwaarden hebben voorgedaan. Zij wijst erop dat zij niet beschikt over het medische dossier van [geïntimeerde] . [geïntimeerde] daarentegen wijst op de medische gegevens die hij reeds bij inleidende dagvaarding heeft overgelegd. Hij voert bovendien aan dat hij wegens zijn arbeidsongeschiktheid een (Nederlandse) overbruggingsuitkering heeft ontvangen en vanaf het tweede ziektejaar een IVA-uitkering ontvangt en voorts dat LGI de eerste twee ziektejaren het oordeel van deskundigen en niet haar eigen oordeel dient te volgen en daarna het oordeel van het UWV.

3.17

Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde] met de door hem als productie 12 tot en met 15 overgelegde medische stukken in voldoende mate heeft onderbouwd dat hij gedurende de eerste twee ziektejaren arbeidsongeschikt was wegens een medische oorzaak zoals bedoeld in artikel 1 onder e van de polisvoorwaarden. In die richting wijst overigens ook het feit dat hem na die twee ziektejaren een IVA-uitkering is toegekend. LGI heeft daar een onvoldoende gemotiveerde betwisting tegenover gezet. Zij is in haar betoog zelfs niet ingegaan op de inhoud van voornoemde medische stukken en evenmin op het feit dat [geïntimeerde] een overbruggingsuitkering heeft ontvangen en thans een IVA-uitkering ontvangt. Aldus staat voldoende vast dat [geïntimeerde] gedurende de eerste twee jaren na 12 november 2013 arbeidsongeschikt is geweest. LGI heeft ook onweersproken gelaten dat [geïntimeerde] na die eerste twee ziektejaren een IVA-uitkering is toegekend en dat zij op grond van de polisvoorwaarden het oordeel van het UWV dient te volgen. LGI heeft evenmin toegelicht waarom sprake zou zijn van een uitsluitingsgrond; zij heeft zelfs nagelaten te vermelden welke van de uitsluitingsgronden aan de orde zou zijn. De grief faalt. Dit betekent dat het onder (iv) gevorderde toewijsbaar is als na te melden.

3.18

Bij grief 5 in principaal appel wijst LGI erop dat de uitkeringsduur maximaal 100 perioden duurt en dat de kantonrechter daar ten onrechte geen rekening mee heeft gehouden. Deze grief slaagt. Op het polisblad is een uitkeringsduur vermeldt van maximaal 100 maanden per schade. Ook in artikel 7 lid 2 van de polisvoorwaarden wordt bepaald dat een maximum van 100 uit te keren perioden geldt. Er is dan ook geen verwarring mogelijk over het aantal perioden dat LGI dient uit te keren, zoals [geïntimeerde] beweert. Grief 1 in incidenteel appel, waarbij [geïntimeerde] dit betoogt, faalt dan ook. Voor zover op het polisblad een duur van 120 maanden is vermeld betreft dit immers uitdrukkelijk de looptijd van de verzekering en dus niet de (apart vermelde) uitkeringsduur. Gevolg is dat de vordering onder (v) slechts toewijsbaar is tot een maximum van 100 maanden.

3.19

[geïntimeerde] heeft geen belang bij de door hem sub (ii) gevorderde vernietiging van artikel 1 onder a van de polisvoorwaarden. LGI heeft immers bij haar weigering geen beroep gedaan op dit onderdeel van de polisvoorwaarden. Ook heeft [geïntimeerde] geen belang bij het door hem onder (iii) gevorderde. Het hof heeft immers reeds geoordeeld dat de bedingen in de polisvoorwaarden waarop LGI zich beroept onredelijk bezwarend zijn. Het is dan niet meer van belang om vast te stellen of [geïntimeerde] de polisvoorwaarden heeft ontvangen. Het hof merkt in dit verband overigens op dat de verklaring op het aanvraagformulier niet zonder meer als een beding in de zin van artikel 6:233 BW kan worden gezien.

3.20

Partijen hebben geen bewijs aangeboden van voldoende concrete feiten die, indien bewezen, tot andere oordelen zouden leiden dan hiervoor gegeven. Hun bewijsaanbiedingen zullen dan ook worden gepasseerd.

3.21

De slotsom is dat grieven 1 tot en met 4 in principaal appel falen en dat de grieven 5 in principaal appel en de grieven 4 tot en met 6 in incidenteel appel slagen. Partijen hebben geen belang bij bespreking van hun overige grieven. Het vonnis zal (deels) worden vernietigd en er zal worden beslist als na te melden. London zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het principale en het incidentele appel worden veroordeeld.

4 Beslissing

Het hof:

in principaal en incidenteel appel:

vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover LGI daarbij is veroordeeld om aan [geïntimeerde] een bedrag van € 225,- netto per maand vanaf 12 november 2014 tot 12 november 2024 te betalen;

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor het overige;

en voorts:

vernietigt de woorden ‘naar Nederlands burgerlijk recht’ in artikel 7 lid 1 en de woorden ‘in Nederland’ (voorafgaand aan: op grond van een arbeidsovereenkomst) en de woorden ‘naar Nederlands burgerlijk recht’ in artikel 16 lid 2 sub e van de polisvoorwaarden op grond van de artikelen 6:233 sub a juncto 6:237 sub b BW;

verklaart voor recht dat LGI in verzuim is en ten onrechte de uitkering uit de verzekering heeft geweigerd en dat [geïntimeerde] op en na 12 november 2013 arbeidsongeschikt is in de zin van de polisvoorwaarden en mitsdien vanaf 12 november 2014 recht heeft op een uitkering van € 225,- per maand;

veroordeelt LGI om vanaf 12 november 2014 te betalen een bedrag van 225,- per maand, indien en voor zover de gezondheid van [geïntimeerde] niet substantieel verbetert en totdat 100 maanden uitkering zijn betaald;

veroordeelt London in de kosten van het geding in principaal en incidenteel hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 718,- aan verschotten en € 5.221,- voor salaris;

verklaart alle veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.H.F.M. Cortenraad, D. Kingma en H.M.M. Steenberghe en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 31 oktober 2017.