Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:4393

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
31-10-2017
Datum publicatie
06-11-2017
Zaaknummer
23-004157-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vernietiging. Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod en handelen in strijd met artikel 26 eerste lid WWM. Uitgebreide strafmaatoverweging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-004157-16

datum uitspraak: 31 oktober 2017

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 27 oktober 2016 in de strafzaak onder parketnummer 13-706519-16 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

adres: [adres].

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door de politierechter in de rechtbank Amsterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 2 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

17 oktober 2017.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1:
hij op of omstreeks 1 juli 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad (ongeveer) 897 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram, van een materiaal bevattende hennep, in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

2:
hij op of omstreeks 1 juli 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad (ongeveer) 1,83 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;


3:
hij op of omstreeks 30 juni 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, (een) wapen(s) van categorie II onder 5°, te weten een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht, voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep voor zover nog inhoudelijk aan de orde zal worden vernietigd, reeds omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewijsoverweging

Blijkens de stukken uit het dossier is in de woning van de verdachte meer dan 3 kilogram hennep aangetroffen. Nu slechts ten laste is gelegd dat verdachte (ongeveer) 897 gram opzettelijk aanwezig heeft gehad en geen sprake is van een kennelijke schrijffout ziet het hof, anders dan gevorderd door de advocaat-generaal, geen ruimte om te komen tot bewezenverklaring van een grotere hoeveelheid dan de in de tenlastelegging genoemde hoeveelheid nu dit zou betekenen dat de grondslag van de tenlastelegging wordt verlaten.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:
hij op 1 juli 2016 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad 897 gram hennep;

3:
hij op 30 juni 2016 te Amsterdam een wapen van categorie II onder 5°, te weten een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht, voorhanden heeft gehad.

Hetgeen onder 1 en 3 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 3 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 en 3 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 en 3 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 en 3 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis.

De raadsman heeft het hof verzocht de verdachte voor het onder 1 en 3 ten laste gelegde te veroordelen tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf. Ter onderbouwing van dit standpunt wijst de raadsman op jurisprudentie met betrekking tot de het voorhanden hebben/vervoeren van hennep en op de Oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) ten aanzien van het voorhanden hebben van een stroomstootwapen. Daarvoor geldt als oriëntatiepunt een geldboete van € 550,00.

Daarnaast verzocht de raadsman bij het bepalen van de straf rekening te houden met de omstandigheid dat de verdachte voor een andere zaak vijf weken langer in voorarrest (met beperkingen) zou hebben verbleven dan de uiteindelijk opgelegde straf.

Verder heeft de verdachte lichamelijke problemen, hoewel het nu verder beter met hem gaat dan ten tijde van het tenlastegelegde. De verdachte is onder behandeling (geweest) voor agressieproblemen en een stoornis in de impulsbeheersing. Hij heeft ook zijn financiële problemen aangepakt en zit in de schuldsanering, aldus de raadsman.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van een aanzienlijke hoeveelheid, te weten 897 gram, hennep. Hennep is een verdovend middel waarvan het gebruik schadelijk kan zijn voor de volksgezondheid.

Tevens heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een stroomstootwapen. Het voorhanden hebben van een dergelijke wapen levert een onaanvaardbaar risico op voor de veiligheid en gezondheid van personen. Ook kan hiervan een dreigende werking op derden uitgaan.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 3 oktober 2017 is hij eerder onherroepelijk ter zake van misdrijven veroordeeld, hetgeen in zijn nadeel weegt.

In beginsel rechtvaardigt het voorgaande, de ernst van de feiten, en de omstandigheid dat sprake is van recidive, oplegging van een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf als opgelegd door de politierechter.

Het hof ziet echter in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals deze door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gebracht, en waaruit blijkt van een wending ten goede in het leven van de verdachte, aanleiding om een gevangenisstraf in geheel voorwaardelijke vorm op te leggen in combinatie met een onvoorwaardelijke taakstraf. Het hof acht het onwenselijk dat de stijgende lijn wordt doorbroken door oplegging van een onvoorwaardelijk gevangenisstraf. Het hof acht, alles afwegende, een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

In het voorgaande ligt besloten dat het hof in de door de raadsman aangevoerde omstandigheid dat hij in een andere zaak langer in voorarrest zou hebben verbleven dan de uiteindelijk opgelegde gevangenisstraf, noch anderszins geen grond wordt gevonden voor het opleggen van een langere straf dan de hieronder bedoelde.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet, de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover nog inhoudelijk aan de orde en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. F.M.D. Aardema, mr. W.M.C. Tilleman en mr. M.B. de Wit, in tegenwoordigheid van

L. Bähr, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

31 oktober 2017.

Mr. W.M.C. Tilleman en mr. M.B. de Wit zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.