Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:4390

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
01-11-2017
Datum publicatie
08-11-2017
Zaaknummer
200.222.345/01 OK
Rechtsgebieden
Ondernemingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

OK; Enquête; Geen gegronde redenen voor twijfel; verzoek afgewezen. art. 2:345 lid1BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/5885
ARO 2018/32
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

___________________________________________________________________

GERECHTSHOF AMSTERDAM

ONDERNEMINGSKAMER

zaaknummer: 200.222.345/01 OK

beschikking van de Ondernemingskamer van 1 november 2017

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

H.A.S. HOLDING B.V.,

gevestigd te Enschede,

VERZOEKSTER,

advocaat: mr. A.C. Huisman en mr. K. Vreemann, beiden kantoorhoudende te Enschede,

t e g e n

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HASBOS B.V.,

gevestigd te Enschede,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SES NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Enschede,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BOHEMA BEHEER B.V.,

gevestigd te Enschede,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

NELA BEHEER B.V.,

gevestigd te Enschede,

VERWEERSTERS,

advocaat: mr. J.M. Eringa, kantoorhoudende te Enschede,

e n t e g e n

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

B.O.S. HOLDING B.V.,

gevestigd te Enschede,

2. [A],

wonende te [....] ,

BELANGHEBBENDEN,

advocaat: mr. J.M. Eringa, kantoorhoudende te Enschede.

1. Het verloop van het geding

1.1 In het vervolg zullen partijen (ook) als volgt worden aangeduid:

  • -

    verzoekster met HAS Holding;

  • -

    verweersters ieder afzonderlijk met HASBOS, SES Nederland, Bohema en Nela, en gezamenlijk met HASBOS c.s.;

  • -

    belanghebbenden ieder afzonderlijk met BOS Holding en [A] , en gezamenlijk met BOS Holding c.s.

1.2 HAS Holding heeft bij op 4 september 2017 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verzoekschrift met producties de Ondernemingskamer verzocht, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad, een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken van HASBOS c.s. over de periode vanaf 1 januari 2015. Daarbij heeft zij tevens verzocht – zakelijk weergegeven – bij wijze van onmiddellijke voorzieningen voor de duur van het geding:

  1. BOS Holding respectievelijk [A] te schorsen als bestuurder van HASBOS c.s. en een derde te benoemen als bestuurder van HASBOS c.s., en aan deze bestuurder een doorslaggevende stem toe te kennen indien de Ondernemingskamer de schorsing van BOS Holding respectievelijk [A] zou afwijzen;

  2. één of meer tijdelijke commissarissen te benoemen bij HASBOS c.s.;

  3. de door BOS Holding gehouden aandelen in het kapitaal van HASBOS ten titel van beheer over te dragen aan een door de Ondernemingskamer te benoemen beheerder, althans het stemrecht verbonden aan de aandelen van BOS Holding te schorsen, althans het stemrecht te schorsen voor zover het enig agendapunt over het ontslag of schorsing van HAS Holding betreft;

  4. an wel een andere voorziening te treffen die de Ondernemingskamer juist acht;

alsmede om BOS Holding en [A] hoofdelijk te veroordelen in de kosten van het geding, met rente en nakosten.

1.3 HASBOS c.s. en BOS Holding c.s. hebben bij op 14 september 2017 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen (gezamenlijk) verweerschrift met producties geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van HAS Holding in haar verzoek voorzover dat is gericht tegen SES Nederland, Bohema en Nela, althans tegen Bohema en Nela, voorts het verzoek af te wijzen en HAS Holding te veroordelen in de kosten van het geding.

1.4 Het verzoek is behandeld ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 20 september 2017. Bij die gelegenheid hebben de advocaten de standpunten van de onderscheiden partijen toegelicht aan de hand van – aan de Ondernemingskamer en de wederpartij overgelegde – aantekeningen en onder overlegging van op voorhand aan de Ondernemingskamer en de wederpartij gezonden nadere producties. Partijen en hun advocaten hebben vragen van de Ondernemingskamer beantwoord en inlichtingen verstrekt.

2 De feiten

2.1

[A] en [B] (hierna: [B] ) zijn broer en zus. Zij hebben op 21 december 2000 de houdstermaatschappij HASBOS opgericht waarin op 25 september 2002 het door hun ouders in 1972 opgerichte familiebedrijf SES is ondergebracht. [B] houdt, indirect via haar persoonlijke houdstermaatschappij HAS Holding, 40% van de aandelen in het geplaatst kapitaal van HASBOS; [A] houdt indirect via zijn persoonlijke houdstermaatschappij BOS Holding de overige 60% van de aandelen. HAS Holding en BOS Holding vormen samen het bestuur van HASBOS en zijn gezamenlijk bevoegd HASBOS te vertegenwoordigen.

2.2

HASBOS houdt alle aandelen in het geplaatste kapitaal van SES Nederland, Bohema en Nela.

2.3

SES Nederland is opgericht op 18 december 1998 door de ouders van [A] en [B] . Vanuit Enschede drijft SES Nederland een onderneming op het gebied van het vervaardigen en verhandelen van (kinder)speelgoed met verkoopkantoren in Duitsland, Frankrijk en België. Bij SES Nederland zijn circa 100 werknemers werkzaam. SES Nederland is enig aandeelhouder van de vennootschap naar Duits recht SES Deutschland GmbH en de vennootschap naar Frans recht SES France Sarl. Het bestuur van SES Nederland wordt gevormd door [A] en [B] die beiden zelfstandig bevoegd zijn SES Nederland te vertegenwoordigen. [B] heeft een achtergrond als register-accountant en was, feitelijk tot medio december 2015, als CFO voornamelijk verantwoordelijk voor de financiën; [A] is CEO en nauw betrokken bij de research en development van nieuwe en bestaande producten en is verantwoordelijk voor de sales.

2.4

Bohema is houdster van de intellectuele eigendomsrechten die door SES Nederland worden gebruikt in het kader van de exploitatie van haar onderneming. In Nela is het onroerend goed ondergebracht van waaruit SES Nederland haar activiteiten ontplooit. [B] en [A] zijn gezamenlijk bevoegd beide vennootschappen als bestuurders te vertegenwoordigen.

2.5

Artikel 10 lid 2 van de statuten van HASBOS respectievelijk artikel 13 lid 5 van de statuten van SES Nederland bepaalt dat de directeuren te allen tijde door de algemene vergadering kunnen worden geschorst of ontslagen. Op grond van artikel 13 lid 5 van de statuten van SES Nederland vereist een besluit tot schorsing of ontslag van directeuren een gekwalificeerde meerderheid van twee derde van de uitgebrachte stemmen in de algemene vergadering die meer dan de helft van het geplaatste kapitaal vertegenwoordigen. De statuten van HASBOS schrijven geen gekwalificeerde meerderheid in de algemene vergadering voor voor ontslag van een directeur.

2.6

De statuten van HASBOS en SES Nederland bevatten in respectievelijk artikel 10 lid 5 en artikel 14 lid 4 een beletregeling die bepaalt dat bij belet of ontstentenis van één of meer directeuren de overige directeur(en) met het gehele bestuur is/zijn belast.

2.7

In de loop van 2014/begin 2015 is tussen [B] en [A] verschil van inzicht ontstaan over voornamelijk de (wijze van) groei van de onderneming, de interne verhoudingen, waaronder de wijze van leidinggeven, en de onderlinge taakverdeling.

2.8

In het voorjaar van 2015 is bij SES Nederland op initiatief van [B] een raad van advies (hierna: RvA) ingesteld bestaande uit [C] (hierna: [C] ) en [D] (hierna: [D] ). De RvA zou het bestuur van SES Nederland bijstaan met onafhankelijk strategisch advies, met name ten aanzien van de groei van de onderneming. Onder begeleiding van de RvA hebben [B] en [A] getracht tot een oplossing voor het tussen hen ontstane verschil van inzicht te komen. In dat kader is onder meer gesproken over het opsplitsen van het managementteam, opsplitsing van de groep, uitkoop van de andere aandeelhouder en het aanstellen van een interim manager.

2.9

Tijdens een bespreking op 8 september 2015 tussen [B] , [A] en de RvA is geconstateerd dat de bestuurlijke samenwerking tussen [B] en [A] moest worden beëindigd. [B] heeft medegedeeld de aandelen van [A] in HASBOS over te willen nemen na een waardebepaling. [A] heeft toen te kennen gegeven dat het zijn voorkeur heeft dat [B] terugtreedt als CFO van SES Nederland; verkoop van haar aandelen is wat hem betreft niet noodzakelijk. Rond oktober 2015 hebben partijen besloten de mogelijkheden voor een uittreding van HAS Holding als aandeelhouder van HASBOS en het terugtreden van [B] als bestuurder binnen de verschillende groepsvennootschappen te onderzoeken.

2.10

Medio december 2015 vond in Straatsburg een jaarlijkse vergadering plaats waarin het bestuur met het verkoop- en marketingteam van SES Nederland overleg voert over onder meer nieuwe producten. [A] heeft [B] op het laatste moment telefonisch laten weten dat haar aanwezigheid bij die vergadering in verband met het conflict tussen beide bestuurders niet gewenst was. [B] heeft afgezien van deelname aan deze vergadering.

2.11

Bij brief van 18 december 2015 heeft [B] [A] geschreven haar verantwoordelijkheid te nemen en bereid te zijn om in het belang van iedereen voor bepaalde tijd afstand te nemen van SES. Op 11 januari 2016 heeft [B] zich ziekgemeld bij SES Nederland en heeft vervolgens op 14 januari 2016 het personeel laten weten in ieder geval tot 1 april 2016 afwezig te zijn. Zij is na 18 december 2015 niet meer op kantoor aanwezig geweest.

2.12

Bij e-mail van 2 mei 2016 hebben de leden van de RvA aangekondigd hun taak neer te leggen en hun zorgen uitgesproken over het voortduren van het geschil tussen [A] en [B] en de schadelijke gevolgen daarvan voor de onderneming. De RvA plaatst in zijn bericht vraagtekens bij met name de opstelling van [A] als CEO en schrijft dat hij diens schorsing zou hebben overwogen indien hij daartoe bevoegd zou zijn geweest.

2.13

[A] heeft bij e-mail van 3 mei 2016 zijn teleurstelling uitgesproken over het opstappen van de RvA. Zakelijk weergegeven schrijft [A] dat het van een positieve bijdrage van de RvA aan de bedrijfsvoering van SES niet is gekomen omdat de RvA zich voornamelijk bezig heeft gehouden met het aandeelhoudersconflict tussen [B] en hemzelf. [A] acht de opmerking over een eventuele schorsing misplaatst.

2.14

Bij brief van 11 mei 2016 heeft de raadsman van [B] aangestuurd op de overdracht van de aandelen van HAS Holding aan BOS Holding via de in de statuten opgenomen aanbiedingsregeling, danwel via een door HAS Holding te entameren geschillenregelingsprocedure indien BOS Holding vrijwillige overname weigert.

2.15

De bedrijfsarts heeft bij brief van 27 mei 2016 aan SES Nederland geschreven dat er geen sprake is van ziekte, maar dat [B] is uitgevallen door een arbeidsconflict en dat communicatie op dat moment niet mogelijk is. Conform het advies van de bedrijfsarts is een (arbeidsrechtelijk) mediationtraject gevolgd, echter zonder resultaat.

2.16

Op 1 november 2016 zijn partijen overeengekomen dat de door [B] en [A] afzonderlijk ingeschakelde waarderingsdeskundigen gezamenlijk de aandelen zouden waarderen. Tot een waardering is het niet gekomen omdat partijen geen overeenstemming hebben kunnen bereiken over de voorwaarden van het waarderingstraject.

2.17

Op 7 december 2016 heeft [A] namens SES Nederland een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst en een verklaring voor recht omtrent de beëindiging van het bestuurderschap van [B] ingediend bij rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo. Bij beschikking van 22 maart 2017 heeft de rechtbank beide verzoeken afgewezen kort gezegd omdat het ontbindingsverzoek strijdig is met het exclusieve recht van de algemene vergadering van aandeelhouders om een bestuurder te ontslaan.

2.18

In januari 2017 heeft [B] [A] laten weten niet langer bereid te zijn haar aandelen te verkopen, maar wel bereid te zijn de aandelen van [A] te kopen.

2.19

SES Nederland is in 2017 een pilot gestart met de AT-groep. AT is een organisatie die zich richt op reïntegratietrajecten voor werkzoekenden die op afstand van de arbeidsmarkt staan. De huurovereenkomst van het ten behoeve van de pilot gehuurde bedrijfspand in Enschede liep van 1 februari 2017 tot 1 september 2017.

2.20

BOS Holding heeft bij brief van 22 maart 2017 het bestuur van HASBOS verzocht conform de statutaire regeling en artikel 2:220 lid 1 BW een algemene vergadering uit te schrijven met het verzoek de volgende onderwerpen te agenderen:

  1. de vaststelling van de jaarrekening over 2015 van HASBOS; en

  2. het ontslag van HAS Holding als bestuurder van HASBOS met onmiddellijke ingang.

2.21

Bij brief van diezelfde datum heeft BOS Holding HAS Holding opgeroepen voor een bestuursvergadering van HASBOS op 31 maart 2017.

2.22

De raadsman van [B] /HAS Holding heeft bij brieven van 29 en 31 maart 2017 op de brieven van 22 maart 2017 gereageerd en een aantal tegenverzoeken gedaan.

2.23

In de bestuursvergadering van HASBOS op 31 maart 2017 heeft HAS Holding zich op het standpunt gesteld dat beide bestuurders wegens een tegenstrijdig belang ten aanzien van het tweede onderwerp (2.20 sub ii) geen besluit tot oproeping kunnen nemen. Als gevolg van het staken van de stemmen is geen bestuursbesluit tot oproeping van een algemene vergadering genomen.

2.24

Bij brief van 31 maart 2017 heeft HAS Holding haar bezwaren tegen aanzien van het beleid en de gang van zaken bij HASBOS c.s. kenbaar gemaakt. [A] heeft daarop bij brief van 21 april 2017 een inhoudelijke reactie gegeven.

2.25

Op 19 april 2017 heeft BOS Holding een onroerende zaak gekocht gelegen aan de Marssteden 32 te Enschede, zijnde het bedrijfsterrein waar ook SES Nederland gevestigd is. De leveringsakte is op 28 juni 2017 gepasseerd. Bij akte van verkoop en levering van 1 september 2017 heeft BOS Holding het pand geleverd aan [A] in privé.

2.26

Op 12 mei 2017 heeft BOS Holding een verzoek als bedoeld in artikel 2:220 lid 1 BW bij de voorzieningenrechter in de rechtbank Overijssel ingediend, ertoe strekkende dat BOS Holding wordt gemachtigd een algemene vergadering bijeen te roepen met de onder 2.20 vermelde agendapunten. De voor 13 september 2017 voorziene mondelinge behandeling is in afwachting van de beschikking van de Ondernemingskamer aangehouden.

2.27

Tussen partijen heeft sinds juni 2017 overleg plaatsgevonden over het opstellen van een aandeelhoudersovereenkomst. Daartoe heeft de raadsman van [B] op 25 augustus 2017 een concept-aandeelhoudersovereenkomst opgesteld en aan de raadsman van [A] toegestuurd.

2.28

Bij vaststellingsovereenkomst van 18 juli 2017 is de arbeidsovereenkomst tussen [B] en SES Nederland alsmede SES Deutschland GmbH per 1 november 2017 beëindigd, met behoudt door [B] van haar positie als bestuurder van SES Nederland en aanverwante vennootschappen. De overeenkomst regelt voorts dat “tot het moment dat partijen afspraken hebben gemaakt over hun onderlinge positie als aandeelhouder van HASBOS B.V., (...) [B] - [A] als bestuurder wel onverminderd het recht [behoudt] op alle relevante informatie die voor een behoorlijk bestuur van de vennootschap noodzakelijk is.”

2.29

Op 6 september 2017 heeft de business controller van SES Nederland de enkelvoudige en geconsolideerde balansen en resultatenrekeningen van HASBOS c.s. per 30 juni 2017 en 31 juli 2017 aan [B] toegestuurd. [B] heeft diezelfde dag per e-mail verzocht om een meer gedetailleerde rapportage te ontvangen, zowel van HASBOS als van de overige groepsvennootschappen.

3 De gronden van de beslissing

3.1

HAS Holding heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat er gegronde redenen zijn voor twijfel aan een juist beleid en een juiste gang van zaken van HASBOS c.s. en dat gelet op de toestand van de vennootschap onmiddellijke voorzieningen dienen te worden getroffen. Ter toelichting heeft HAS Holding – kort samengevat – het volgende naar voren gebracht:

1) BOS Holding maakt misbruik van haar meerderheidsbelang in HASBOS en creëert daarmee een machtspositie waarmee zij HAS Holding uitrookt als minderheidsaandeelhouder. BOS Holding misbruikt haar meerderheidspositie in de aandeelhoudersvergadering van HASBOS door i) zonder de vereiste vennootschapsrechtelijke besluitvorming en zonder goede grond namens SES Nederland een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst van [B] in te dienen, en ii) HAS Holding als bestuurder van HASBOS te ontslaan, althans haar ontslag via de weg van artikel 2:220 lid 1 BW te agenderen in een algemene vergadering van HASBOS waarin BOS Holding een meerderheid zal hebben, om vervolgens namens HASBOS in de algemene vergadering van SES Nederland aan te sturen op een ontslag van [B] als bestuurder van SES Nederland. [B] heeft door de instemming met de beëindiging van haar arbeidsovereenkomst met SES Nederland per 1 november 2017 noodgedwongen haar eigen positie ondergeschikt gemaakt aan het belang van de onderneming. BOS Holding weigert redelijke afspraken ter bescherming van de minderheidspositie van HAS Holding, waaronder een goedkeuringsrecht met betrekking tot bepaalde bestuursbesluiten en een redelijk dividendbeleid, in een aandeelhoudersovereenkomst vast te leggen. Dit terwijl HAS Holding respectievelijk [B] bij afdoende waarborging van hun positie zullen terugtreden als bestuurder c.q. werknemer van HASBOS c.s.

2) BOS Holding scheidt de persoonlijke belangen van haar directeur/aandeelhouder [A] voorts onvoldoende van de belangen van de betrokken vennootschappen. BOS Holding c.s. hebben als gevolg van de ernstig verstoorde relatie geen oog meer voor het belang van de onderneming en er is een impasse in de besluitvorming binnen het bestuur van HASBOS c.s. dat is gelegen in een onoverbrugbaar verschil van mening over met name de (wijze van) groei van de onderneming. [A] – die zich laat leiden door zijn persoonlijke vete met [B] – handelt alsof hij enig bestuurder is van HASBOS c.s. en sluit [B] uit van beleidsbeslissingen en strategische overleggen. In dit kader wijst HAS Holding onder meer op het onder 2.10 vermelde Straatsburg-incident in december 2015.

3) HAS Holding wordt sinds het vertrek van de RvA in mei 2016 ten onrechte (financiële) informatie over HASBOS c.s. onthouden, althans zij ontvangt onjuiste en onvolledige informatie. In de vaststellingovereenkomst van 18 juli 2017 (2.28) is expliciet overeengekomen dat [B] als bestuurder onverminderd recht heeft op relevante informatie. Pas recentelijk (onder druk van onderhavige procedure) ontvangt [B] mondjesmaat informatie, maar ook die informatie is onvoldoende. Zo is een beoordeling van de concept jaarrekening 2016 van SES Nederland voor [B] niet mogelijk omdat de daarvoor benodigde onderliggende stukken, zoals een management letter en de jaarcijfers van de dochterondernemingen SES Deutschland GmbH en SES France Sarl, ontbreken.

4) Bij pleidooi heeft HAS Holding nog aangevoerd dat [A] ook bij de recente aankoop van het onder 2.25 vermelde pand in Enschede zijn eigen belang heeft laten prevaleren. Het pand behoort in Nela onder gebracht te worden. Daarnaast vermoedt HAS Holding dat [A] deze bedrijfsruimte aan SES Nederland verhuurt nu zij heeft vernomen dat werknemers van SES Nederland aldaar werkzaam zijn. [A] handelt onder meer in strijd met artikel 2:8 BW nu hij met voornoemde activiteiten Nela concurrentie aandoet en bovendien HAS Holding, ondanks het feit dat zij nog altijd (mede)bestuurder is van HASBOS c.s. is, niet heeft gekend in de aanschaf en mogelijke verhuur aan SES Nederland.

3.2

HASBOS c.s. en BOS Holding c.s. hebben gemotiveerd verweer gevoerd. De Ondernemingskamer zal hieronder waar nodig op dit verweer ingaan.

3.3

De Ondernemingskamer overweegt als volgt.

3.4

Niet in geschil is dat de verhoudingen tussen [B] en [A] sinds eind 2014/begin 2015 ernstig zijn verstoord. De verstoorde verhouding is onder meer een gevolg van een meningsverschil tussen beide bestuurders over het te voeren (groei)beleid van HASBOS c.s. Partijen hebben sindsdien diverse pogingen ondernomen om de samenwerking te beëindigen en tot een ontvlechting te komen, maar zijn er tot op heden niet in geslaagd tot een vergelijk te komen. De gespannen situatie heeft ertoe geleid dat rechtstreekse communicatie al geruime tijd niet meer plaatsvindt, dat [B] sinds 18 december 2015 niet meer op kantoor aanwezig is geweest en zich per 11 januari 2016 heeft ziekgemeld, dat van (operationele) samenwerking tussen [B] en [A] niet langer sprake is en gezamenlijk overleg ten behoeve van de besluitvorming binnen het bestuur ontbreekt.

3.5

De Ondernemingskamer gaat ervan uit dat, zoals HASBOS c.s. en BOS Holding c.s. ook aanvoeren, de situatie zoals deze is ontstaan als gevolg van de (situatieve) arbeidsongeschiktheid van [B] , dient te worden aangemerkt als een situatie van belet als bedoeld in art. 2:244 lid 4 BW en de statutaire beletregelingen (zie 2.6). Dat HAS Holding c.q. [B] haar statutaire taak als bestuurder is blijven vervullen althans daartoe bereid en in staat was acht de Ondernemingskamer onvoldoende aannemelijk nu [B] zelf het besluit heeft genomen zich uit het arbeidsproces terug te trekken en HAS Holding onweersproken heeft gelaten dat HAS Holding c.q. [B] geen enkele bestuursvergadering heeft belegd, noch daarop heeft aangedrongen. Zij heeft zich met name gericht op het verkrijgen van financiële informatie (waarover hierna meer) en lijkt zich daarmee te hebben berust in een positie op afstand en zich met name te hebben gericht op haar belangen als aandeelhouder. Het voorgaande betekent dat BOS Holding respectievelijk [A] vanaf 11 januari 2016 met het bestuur van HASBOS en SES Nederland is belast en bevoegd is zelfstandig alle bestuurstaken uit te voeren en bestuursbeslissingen te nemen. Op die wijze heeft de besluitvorming telkens doorgang gehad en is van een impasse binnen het bestuur van HASBOS en SES Nederland geen sprake.

3.6

Voor zover de bezwaren van HAS Holding betrekking hebben op de strategie en in dat kader genomen beleidsbeslissingen geldt het volgende. Geconstateerd is reeds dat partijen van mening verschillen over de te volgen strategie. Zo meent HAS Holding dat het doen van acquisities en het behalen van schaalvoordelen noodzakelijk is; BOS Holding acht het doen van acquisities momenteel, gelet op het economisch getij, de bestaande solvabiliteit en leencapaciteit van HASBOS, te risicovol en wijst op andere maatregelen (als een investering in de automatisering) die tot resultaatverbetering leiden. Het bepalen van de strategie behoort in beginsel tot de beleidsvrijheid van het bestuur. Niet gezegd kan worden dat de thans door Bos Holding bepaalde strategie een gegronde reden is om aan een juist beleid te twijfelen. De strategie onttrekt zich aan verdere inhoudelijke toetsing door de Ondernemingskamer.

3.7

HAS Holding heeft BOS Holding voorts verweten bij haar beslissing het ontslag van HAS Holding na te streven uitsluitend haar eigen belang dan wel dat van [A] beoogt te behartigen en het belang van de vennootschap(pen) daaraan ondergeschikt te maken. BOS Holding c.s. hebben hiertegenover aangevoerd dat zij conform de vennootschapsrechtelijke regels de beëindiging willen bewerkstelligen van de bestuurlijke samenwerking tussen [A] en [B] , waaraan door [B] al sinds haar ziekmelding geen invulling meer wordt gegeven. Er is sprake van gebruik van de meerderheidspositie van BOS Holding in de algemene vergadering van HASBOS in plaats van misbruik, aldus BOS Holding c.s.

3.8

De Ondernemingskamer is van oordeel dat niet gezegd kan worden dat BOS Holding door de vennootschapsrechtelijke weg te bewandelen misbruik maakt van haar meerderheidspositie en evenmin dat zij in strijd met het belang van de vennootschappen handelt. De aandelenverhouding tussen BOS Holding (60%) en HAS Holding (40%) is zodanig dat, indien het machtigingsverzoek door de voorzieningenrechter wordt toegewezen, de positie van HAS Holding als bestuurder van HASBOS en de positie van [B] als bestuurder van SES Nederland kan eindigen. Daarmee zal de situatie zoals die thans, door het belet van HAS Holding/ [B] , feitelijk bestaat, worden geformaliseerd. Partijen verschillen weliswaar van mening over de (historische) achtergrond van de meerderheidspositie van BOS Holding, maar die discussie doet geen afbreuk aan de stemverhoudingen in de aandeelhoudersvergadering. Voor de goede orde merkt de Ondernemingskamer op dat zij niet treedt in de vraag of een verzoek aan de voorzieningenrechter tot machtiging tot bijeenroeping van een algemene vergadering toewijsbaar is.

3.9

Dat [A] in het verleden de arbeidsovereenkomst (en daarmee de bestuurspositie) van [B] bij SES NL heeft willen beëindigen, acht de Ondernemingskamer op zichzelf evenmin in strijd met het belang van de vennootschap, gelet op de langdurige afwezigheid van [B] en de doorlopende salariskosten. Nadat de rechtbank de daartoe gekozen weg van een ontbindingsverzoek niet begaanbaar oordeelde, zijn partijen gezamenlijk voor wat betreft de arbeidsrechtelijke verhouding tot een beëindigingsregeling gekomen.

3.10

Het vorenstaande leidt tot de tussenconclusie dat het hiervoor onder 3.1 sub 1) en sub 2) weergegeven betoog van HAS Holding niet het oordeel rechtvaardigt dat er gegronde redenen zijn om aan een juist beleid of juiste gang van zaken van HASBOS c.s. te twijfelen. Voor zover de stellingen van HAS Holding betrekking hebben op de periode vóór 11 januari 2016 (zij verwijt BOS Holding het zoeken naar een nieuwe CFO, het afschuiven van onjuistheden in de administratie aan (afdelingen onder leiding) van [B] , het niet opvolgen van de door Marktlink Fusies & Overnames opgestelde lijst van potentiele acquisities) zijn deze door HASBOS c.s. en BOS Holding c.s. gemotiveerd betwist en onvoldoende nader geconcretiseerd om een andere conclusie te rechtvaardigen. Het Straatsburg-incident is ongelukkig, maar van onvoldoende gewicht om hier verdere consequenties aan te verbinden. Gesteld noch gebleken is voorts dat het conflict tussen HAS Holding/ [B] en BOS Holding/ [A] thans nog een negatieve weerslag heeft op het niveau van de vennootschappen.

3.11

In dit kader overweegt de Ondernemingskamer nog het volgende. HAS Holding heeft BOS Holding c.s. verweten niet mee te willen werken aan een aandeelhoudersovereenkomst. HAS Holding/ [B] heeft laten weten haar bestuurspositie(s) slechts te willen prijsgeven indien een aandeelhoudersovereenkomst ter waarborging van haar belangen als minderheidsaandeelhouder tot stand is gekomen. Vanuit de positie van HAS Holding is dit begrijpelijk, maar de weigering van BOS Holding daaraan mee te werken kan (los van de daarvoor aangevoerde reden), naar HASBOS c.s. en BOS Holding c.s. terecht hebben gesteld, evenmin een gegronde reden voor twijfel aan juist beleid of juiste gang van zaken van HASBOS opleveren. Bij eventueel aftreden c.q. ontslag van HAS Holding als bestuurder van HASBOS ligt overigens wel voor de hand dat, gelet op de familiaire verhoudingen en de ter zitting aan de orde gekomen mogelijkheid dat een derde generatie het familiebedrijf zal voortzetten, tussen partijen een aandeelhoudersovereenkomst wordt gesloten.

3.12

Met betrekking tot de door HAS Holding gestelde schending van de informatieplicht (zie 3.1 sub 3) hebben HASBOS c.s. en BOS Holding c.s. betwist dat aan HAS Holding/ [B] informatie wordt onthouden. Voorzover er al sprake zou zijn van een informatieachterstand, dan komt dat volgens HASBOS c.s. en BOS Holding c.s. door toedoen van [B] zelf nu zij sinds begin 2016 haar bestuurstaken niet meer uitvoert en zich feitelijk slechts als aandeelhouder opstelt. HASBOS c.s. en BOS Holding c.s. erkennen dat zolang HAS Holding c.q. [B] bestuurder is van HASBOS c.s. zij recht heeft op de door haar gewenste informatie. Zij stellen dat [A] de business controller dan ook de instructie heeft gegeven aan concrete informatieverzoeken, zoals met betrekking tot het toesturen van de halfjaarcijfers 2017 en de maandcijfers over juli 2017, te voldoen, hetgeen voor zover hij kan nagaan ook is gebeurd. Ter zitting zijn partijen overeengekomen dat [B] voortaan rechtstreeks informatie zal opvragen bij de business controller en dat deze (nogmaals) zal worden geïnstrueerd haar de gewenste informatie te verstrekken. Indien haar informatie wordt onthouden, zal [B] een informatieverzoek per e-mail indienen bij de business controller met afschrift aan [A] zodat ook hij op de hoogte is van (de afhandeling van) het informatieverzoek. Desgevraagd hebben HASBOS c.s. en BOS Holding c.s. toegezegd dat HAS Holding c.q. [B] alle informatie kan krijgen die zij wenst.

3.13

De stellingen van HAS Holding met betrekking tot de gang van zaken in het verleden bieden, ook in het licht van hetgeen is overwogen omtrent de beletregeling, onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat er op het punt van de informatieplicht gegronde redenen zijn om een juist beleid en juiste gang van zaken van HASBOS c.s. te twijfelen. Daarbij komt dat door ter zitting tussen partijen gemaakte afspraken over de informatievoorziening, aangenomen moet worden dat de informatievoorziening verder adequaat zal verlopen.

3.14

HAS Holding heeft ter zitting als nieuwe grond de gang van zaken rond de verwerving van het onder 2.25 bedoelde pand in Enschede aan de orde gesteld, zie 3.1 sub 4) hiervoor. Zij verwijt BOS Holding/ [A] belangenverstrengeling met betrekking tot dit pand. BOS Holding c.s. hebben daarover aangevoerd dat de aankoop van het bedrijfspand in Enschede een normale privé belegging is van [A] . Op advies van een fiscalist is de belegging ondergebracht in privé in plaats van in BOS Holding omdat [A] niet voornemens is het pand zakelijk via BOS Holding te gaan gebruiken. Een deel van het pand is tijdelijk in gebruik door AT omdat zij per 1 september 2017 niet langer over een geschikt pand konden beschikken voor de uitvoering van het samenwerkingsproject met SES Nederland. Er wordt geen huurvergoeding aan [A] betaald. Van een tegenstrijdig belang is geen sprake; een goede relatie met AT is van belang voor SES Nederland, aldus nog steeds HASBOS c.s. en BOS Holding c.s.

3.15

HASBOS c.s. en BOS Holding c.s. hebben aldus naar het oordeel van de Ondernemingskamer een toereikende toelichting voor de gang van zaken gegeven. Hierop is vervolgens onvoldoende concreet teruggekomen door HAS Holding. Een gegronde reden om aan een juist beleid of een juiste gang van zaken te twijfelen doet zich ten aanzien van dit bezwaar dus niet voor.

3.16

Gelet op al het vorenstaande komt de Ondernemingskamer tot de slotsom dat onvoldoende is gebleken van gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid en juiste gang van zaken van HASBOS c.s. Het verzoek van HAS Holding tot het gelasten van een onderzoek zal derhalve worden afgewezen. Aan het treffen van onmiddellijke voorzieningen komt de Ondernemingskamer dan niet toe, zodat ook de daarop betrekking hebbende verzoeken zullen worden afgewezen. De stellingen van HASBOS c.s. en BOS Holding c.s. met betrekking tot de positie van de afzonderlijke dochtervennootschappen in het kader van hun beroep op niet-ontvankelijkheid van HAS Holding in haar verzoek kunnen bij die stand van zaken onbesproken blijven. De Ondernemingskamer ziet in de aard van het geschil en de familierechtelijke betrekkingen tussen Zevenberg en [A] aanleiding de proceskosten te compenseren, aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4 De beslissing

De Ondernemingskamer:

wijst het verzoek van H.A.S. Holding B.V. af;

compenseert de kosten van het geding tussen de verschenen partijen aldus dat iedere partij haar eigen kosten draagt;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. G.C. Makkink, voorzitter, mr. A.M.L. Broekhuijsen-Molenaar en mr. M.M.M. Tillema, raadsheren, mr. drs. B.M. Prins RA en prof. dr. mr. S. ten Have, raden, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Prins, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 1 november 2017.