Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:4378

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
30-10-2017
Datum publicatie
01-11-2017
Zaaknummer
23-001166-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens opzettelijk telen van hennep en diefstal van elektriciteit. Verwerping artikel 359a Sv. Oplegging van taakstraf voor een in Spanje woonachtige verdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001166-17

datum uitspraak: 30 oktober 2017

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 21 maart 2017 in de strafzaak onder parketnummer 15-710101-15 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1948,

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,

adres in het buitenland: [adres 1]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 16 oktober 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1:
hij in of omstreeks de periode van 27 augustus 2014 tot en met 16 januari 2015 te Velsen-Noord, althans in Nederland, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een woning aan het [adres 2] ) een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

2:
hij in of omstreeks de periode van 27 augustus 2014 tot en met 16 januari 2015, te Velsen-Noord, althans in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (in/uit het perceel [adres 2] ) heeft weggenomen een hoeveelheid elektrische stroom, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] ", in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een enigszins andere bewezenverklaring en tot een andere strafoplegging komt dan de politierechter.

Bewijsoverweging

De raadsman van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat het perceel [adres 2] te Amsterdam op onrechtmatige wijze is betreden, waardoor hetgeen vervolgens aan bewijs is vergaard

- de niet in werking zijnde hennepkwekerij én (als fruit of the poisonous tree) de bekennende verklaring van de verdachte - van het bewijs dient te worden uitgesloten. Daarom dient de verdachte, bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs, te worden vrijgesproken.

Het hof neemt op grond van de stukken in het dossier de volgende feitelijke gang van zaken als vaststaand aan.

Op 16 januari 2015 zagen politieambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] omstreeks 11.50 uur aan de achterzijde van het perceel [adres 2] te Velsen-Noord een sleutelbos met daaraan meerdere sleutels in het slot van een deur steken. Nadat zij meermaals en hard op de deur hadden geklopt maar geen reactie kregen, besloten zij de achterdeur te openen om de eigenaar van de sleutels te traceren, de sleutels te retourneren en te kijken of alles in orde was. Na binnentreden en nadat zij zich luidkeels en op onmiskenbare wijze bekend hebben gemaakt als politieambtenaren, zagen zij dat de deur toegang bood tot een opslagruimte. In deze ruimte zagen zij twee openstaande kweektenten zonder hennepplanten staan. In beide kweektenten hingen vier brandende assimilatielampen. Verder zagen zij boven de kweektenten aan het plafond koolstoffilters en slakkenhuizen hangen. In de achterste kweektent lagen bovendien meerdere zakken potgrond. Na ontdekking van de kweektenten zagen [verbalisant 1] en [verbalisant 2] achter de tweede kweektent de verdachte tevoorschijn komen. Na het aanspreken van de verdachte werd hen duidelijk dat via de opslagruimte de bovengelegen woning op het adres [adres 2] te betreden is. Zij hebben daarop hun bevindingen gedeeld met een hulpofficier van justitie, waarna door die laatste een machtiging tot binnentreden ter inbeslagname voor de woning op dat adres is afgegeven. Omstreeks 13:35 uur hebben [verbalisant 1] en [verbalisant 2] het woongedeelte van het betreffende perceel betreden. Daarbij werd niets ter zake dienends aangetroffen.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de politieambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] de opslagruimte van het perceel [adres 2] te Velsen-Noord op rechtmatige wijze hebben binnengetreden, omdat zij tot aan het moment van het aantreffen van de kweektenten uitvoering hebben gegeven aan hun taak zoals deze staat omschreven in artikel 3 van de Politiewet 2012. Van onrechtmatig vergaard bewijsmateriaal is derhalve geen sprake en voor bewijsuitsluiting geen aanleiding.

Opmerking verdient nog het volgende. In het door [verbalisant 1] opgemaakte proces-verbaal van binnentreden van 3 februari 2015 (p. 15) staat vermeld dat de woning aan het [adres 2] op 16 januari 2015, na verkregen machtiging van de hulpofficier van justitie, omstreeks 11:45 uur is binnengetreden. Het hof verstaat hier dat het woongedeelte van het perceel om 13.35 uur is betreden en dat het eerstgenoemde tijdstip een kennelijke verschrijving betreft, mede omdat in het loopproces-verbaal van [verbalisant 1] (p. 9 e.v.) en het proces-verbaal ‘aantreffen hennepkwekerij’ van [verbalisant 1] (p. 24 e.v.) 13:35 uur als tijdstip van binnentreden van het woongedeelte wordt vermeld.

Het tot vrijspraak strekkende verweer wordt verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:
hij in de periode van 27 augustus 2014 tot en met 16 januari 2015 te Velsen-Noord opzettelijk heeft geteeld aan het [adres 2] een groot aantal hennepplanten;

2:
hij in de periode van 27 augustus 2014 tot en met 16 januari 2015, te Velsen-Noord met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in het perceel [adres 2] heeft weggenomen een hoeveelheid elektrische stroom, toebehorende aan [slachtoffer] ".

Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

diefstal.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het telen van hennepplanten. Daarbij gaat het hof uit van een hoeveelheid van ongeveer 150 planten, verdeeld over twee kweektenten (p. 76 e.v.). Het telen van hennep is een illegale activiteit waarmee aanzienlijke winsten kunnen worden behaald. Daarnaast is hennep bij gebruik niet alleen schadelijk voor de volksgezondheid, maar ook direct en indirect de oorzaak van vele vormen van criminaliteit. Tevens heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan diefstal van voor de hennepkwekerij benodigde elektriciteit. De verdachte heeft op illegale wijze stroom afgetapt zonder dat dit werd geregistreerd waardoor het energiebedrijf schade heeft opgelopen. Tevens levert het illegaal en ondeskundig aftappen van elektriciteit niet zelden (brand)gevaar op.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 3 oktober 2017 is hij eerder en herhaaldelijk onherroepelijk veroordeeld ter zake van overtreding van artikel 3 van de Opiumwet. Nu de laatste van die overtredingen op 2 september 1998 heeft plaatsgevonden, zal het hof de verdachte deze veroordelingen niet langer tegenwerpen; vanzelfsprekend spreken zij ook niet het voordeel van de verdachte.

Het hof heeft gelet op de straffen die door rechters in soortgelijke gevallen worden opgelegd. Die hebben hun weerslag gevonden in de Oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Daarin worden en taakstraf van 120 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand genoemd. Het hof neemt die straffen tot uitgangspunt. Anders dan de raadsman ziet het hof in de omstandigheid dat sinds het bewezen verklaarde tijd is verstreken in deze zaak geen aanleiding andere of mildere straffen op te leggen en onderschrijft het hof niet diens stelling dat het uitvoeren van een taakstraf voor de verdachte, die inmiddels in Spanje woonachtig is, een ‘praktisch onmogelijke opgaaf’ wordt. De verdachte kan voor de uitvoering van de taakstraf terug komen naar Nederland. Voorts bestaat sinds de inwerkingtreding op 1 oktober 2012 van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties, de mogelijkheid taakstraffen over te dragen aan andere lidstaten van de Europese Unie die het Kaderbesluit 2008/947/JBZ van de Raad van de Europese Unie van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning op strafvonnissen hebben geïmplementeerd, zoals Spanje.

Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.J.I. de Jong, mr. M. Lolkema en mr. R. Kuiper, in tegenwoordigheid van T. van den Honert, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 30 oktober 2017.

Mr. M. Lolkema is buiten staat dit arrest te ondertekenen.