Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:4311

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-10-2017
Datum publicatie
06-11-2017
Zaaknummer
16/00585
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2016:9872, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Parkeerbelasting. Geen sprake van laden en lossen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2018/3.27.13
V-N Vandaag 2017/2632
Viditax (FutD), 07-11-2017
FutD 2017-2855
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerk 16/00585

10 oktober 2017

uitspraak van de tiende enkelvoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende,

(gemachtigde: R. de Nekker LLB),

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk AMS 15/8265 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, de heffingsambtenaar,

(gemachtigde: mr. N.M. Kell).

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft op 30 september 2015 aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting (hierna de Naheffingsaanslag) opgelegd.

1.2.

Na door belanghebbende tegen de naheffingsaanslag gemaakt bezwaar heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 11 november 2015, het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen die uitspraak beroep ingesteld. Bij uitspraak van 14 december 2016 heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Het tegen deze uitspraak door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 26 december 2016. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 augustus 2017.

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden

1.6.

Belanghebbende is door de griffier bij aangetekende brief, aan het juiste adres gezonden op 22 juni 2017, onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Uit informatie van Post NL is gebleken dat de brief van 22 juni 2017 op vrijdag 23 juni 2017 is afgeleverd bij belanghebbendes gemachtigde, waarbij is getekend voor ontvangst.

2 Tussen partijen vaststaande feiten

2.1.

De rechtbank heeft in haar uitspraak – waarin belanghebbende en de heffingsambtenaar telkens zijn aangeduid als ‘eiser’ respectievelijk ‘verweerder’ – de navolgende feiten vastgesteld:

Op 26 september 2015 omstreeks 18:27 uur stond de auto van eiser, met kenteken [kenteken] (Hof: verder de Auto), geparkeerd op de locatie [adres 1] ter hoogte van huisnummer [nummer 1] . Bij controle heeft een parkeercontroleur van de gemeente Amsterdam geconstateerd dat voor de auto geen geldig parkeerbewijs was geregistreerd. De parkeercontroleur heeft daarom de naheffingsaanslag opgelegd ter hoogte van € 57,90. De nageheven bedragen bestaan uit € 3,- parkeerbelasting en € 54,90 kosten van de naheffingsaanslag.

2.2.

Het Hof zal ook van bovenstaande feiten uitgaan; zij het met inachtneming van de volgende verbeteringen:

  1. In de door de rechtbank vastgestelde feiten zal het Hof het woord ‘geparkeerd’ schrappen. Of er sprake was van ‘parkeren’ is immers in geschil.

  2. Het Hof zal de zinsnede “ [adres 1] ter hoogte van huisnummer [nummer 1] ” vervangen door “ [adres 2] ter hoogte van huisnummer [nummer 2] (hierna de Locatie). Immers uit de gedingstukken van beide partijen volgt onmiskenbaar dat de Auto ten tijde van de controle op het [adres 2] ter hoogte van huisnummer 1 stond.

  3. Niet de parkeercontroleur (op 26 september 2015), maar de heffingsambtenaar heeft (op 30 september 2015) de Naheffingsaanslag opgelegd.

2.3.

Het Hof voegt daar de volgende feiten aan toe:

2.3.1.

De controle op het betalen van parkeerbelasting wordt uitgevoerd met behulp van een door de Gemeente ingehuurd bedrijf, te weten Cition, dat door middel van een “scanauto” de kentekens van stilstaande auto’s scant. Indien (destijds) vervolgens bleek dat er geen parkeervergunning was afgegeven voor de stilstaande auto en dat er voor deze auto ook geen parkeerbelasting op aangifte was voldaan, werd een ‘controleur’ gevraagd de situatie ter plekke te beoordelen (hierna de nacontrole). Op basis van de aldus verworven informatie besliste de heffingsambtenaar wel of geen naheffingsaanslag parkeerbelasting op te leggen.

2.3.2.

Van de zijde van de heffingsambtenaar is bij het verweerschrift in eerste aanleg een scanoverzicht overgelegd. Dat overzicht bevat onder meer de volgende gegevens:

“Scanned

2015 sep 26 - 18:27:52

Confidence

(…)

Parked

Y

Process status

Gereed

Permit satatus

NHA

Message

(…)

Scan car

(…)

GPS valid

Y

GPS

[coördinaten]

Address

[adres 1]

From

To

18:27:52 Initieel

18:28:24 Gescand

18:28:24 Gescand

18:32:52 Verdacht

18:32:52 Verdacht

18:33:03 Wacht op handhaver

18:33:03 Wacht op handhaver

18:34:58 Controle door handhaver

18:34:58 Controle door handhaver

18:37:40 Gereed”

2.3.3.

In zijn bezwaarschrift schrijft belanghebbende:

“Wij waren een zeer zwaar Schilderij naar binnen aan het tillen bij [bedrijf] , dat kan niet rennend. (...) Dit was derhalve laden en lossen. Verder hebben wij de auto op de stoep en niet op een parkeerplaats neergezet waardoor parkeerbelasting niet van toepassing is en er alleen door een BOA of politie een beschikking uitgeschreven mag worden

2.3.4.

De afstand tussen [bedrijf] en de Locatie bedraagt circa 100 meter.

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

Evenals bij de rechtbank is in hoger beroep in geschil of de Naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Het geschil spitst zich toe op de volgende vragen:

  1. Stond de Auto deels op het trottoir (zoals belanghebbende stelt en de heffingsambtenaar betwist)? en/of

  2. Was belanghebbende ten tijde van de nacontrole aan het onmiddellijk laden of lossen van zaken als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder a van de Verordening Parkeerbelastingen 2015 II van de gemeente Amsterdam (hierna de Verordening).

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen zij daaraan ter zitting van het Hof hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van het verhandelde ter zitting opgemaakte proces-verbaal.

4 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft het volgende overwogen:

“Overwegingen

1. Eiser is door de griffier bij aangetekende brief, aan het juiste adres verzonden op 1 augustus 2016, onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Verder is uit informatie van PostNL gebleken dat de brief van 1 augustus 2016 op 2 augustus 2016 bij eisers gemachtigde is afgeleverd. (…)

3. Eiser heeft geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de bestreden uitspraak en vernietiging van de naheffingsaanslag. Eiser heeft daartoe, samengevat, aangevoerd dat hij geen parkeerbelasting verschuldigd was omdat de auto op de stoep stond geparkeerd en er dus geen sprake was van fiscaal parkeren. Verder heeft eiser aangevoerd dat er sprake was van een korte tijd stilstaan voor het onmiddellijk laden of lossen van goederen.

4. Volgens verweerder is de auto stilgezet op een fiscale parkeerplek. Op 26 september 2015 om 18:27 uur is tijdens een controle door de scanauto van Cition de auto van eiser geparkeerd aangetroffen zonder dat de verschuldigde parkeerbelasting was betaald. Om 18:34 uur is er nog een controle uitgevoerd door de parkeercontroleur. Uit de gegevens van de scanauto van Cition blijkt dat eiser in ieder geval zeven minuten op een fiscale plaats geparkeerd heeft gestaan. Er is niet aannemelijk gemaakt dat sprake was van het onmiddellijk laden en lossen. Verweerder ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de waarneming van de scanauto en de controleur. Volgens verweerder was er dan ook sprake van parkeren in de zin van de Verordening Parkeerbelastingen 2015-II van de gemeente Amsterdam (de Verordening). Verweerder heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

5. Hetgeen partijen verdeeld houdt, is het antwoord op de vraag of het belastbare feit, het parkeren, zich heeft voorgedaan. De bewijslast hieromtrent ligt bij de heffingsambtenaar.

6.1.

Op grond van artikel 2, aanhef en onder a, van de Verordening wordt onder ‘parkeren’ verstaan het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen, dan wel het onmiddellijk laden of lossen van goederen op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden. Deze definitie is vrijwel gelijkluidend aan de definitie van parkeren die in artikel 225 van de Gemeentewet is opgenomen.

6.2.

Op grond van artikel 4, eerste lid, van de Verordening is de parkeerbelasting verschuldigd bij de aanvang van het parkeren.

7. De rechtbank stelt vast dat uit de door verweerder overgelegde gegevens van de scanauto blijkt dat het voertuig van eiser met kenteken [kenteken] om 18:27 uur voor het eerst is gescand op de locatie met GPS-coördinaten [coördinaten] en daarna gedurende in ieder geval ongeveer zeven minuten op deze locatie heeft gestaan. Deze GPS-coördinaten komen overeen met een fiscale parkeerplaats aan de [adres 1] ter hoogte van huisnummer [nummer 1] . Hoewel er een zekere marge in acht dient te worden genomen tussen de GPS-coördinaten en de locatie waar een voertuig wordt aangetroffen, is dit op zichzelf onvoldoende om aan te nemen dat eiser zijn voertuig op de stoep had geparkeerd. Op grond van de door verweerder overgelegde gegevens van de scanauto, bezien in combinatie met de door verweerder overgelegde foto van de situatie ter plaatse, de plattegrond en de ter zitting gegeven toelichting waaronder de verklaring dat geen van de controleurs heeft waargenomen dat de auto op de stoep stond, is naar het oordeel van de rechtbank door verweerder voldoende aannemelijk gemaakt dat eiser heeft geparkeerd op een fiscale parkeerplaats. Eiser heeft daartegenover wel gesteld dat hij op de stoep heeft gestaan, maar hij heeft die stelling niet nader onderbouwd zodat deze wordt verworpen.

8. Verweerder heeft eveneens voldoende aannemelijk gemaakt dat er sprake is geweest van parkeren, en niet van laden en lossen. Bij geen van de controles om 18:27 uur en 18:34 uur zijn laad- en losactiviteiten waargenomen. Die omstandigheid rechtvaardigt in beginsel het vermoeden dat er ook daadwerkelijk geen sprake was van laden en lossen, tenzij er feiten en omstandigheden zijn gesteld die het laden en lossen aannemelijk maken. Eiser heeft geen zodanige feiten en omstandigheden gesteld. De enkele stelling dat een schilderij is vervoerd maakt laden en lossen niet aannemelijk. Zo heeft eiser geen inzicht gegeven in de omvang en het gewicht van het schilderij en de plaats waar het naartoe of vandaan is vervoerd. Naar het oordeel van de rechtbank is aldus niet aannemelijk gemaakt dat sprake is geweest van laden en lossen en was er dan ook sprake van parkeren als in artikel 2, aanhef en onder a, van de Verordening op grond waarvan eiser parkeerbelasting verschuldigd was.

9. Nu is vastgesteld dat sprake is van parkeren in de zin van de Verordening en door eiser niet is betwist dat hij geen parkeerbelasting heeft voldaan, heeft het belastbaar feit zich voorgedaan en is de naheffingsaanslag terecht opgelegd.

10. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat bij die uitkomst geen aanleiding.

5 Beoordeling van het geschil

5.1.

Eerste geschilpunt

5.1.1.

Op basis van de door de heffingsambtenaar ingebrachte gegevens komt het Hof tot het oordeel dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de Auto op de Locatie - anders dan belanghebbende stelt - niet op het trottoir stond.

5.1.2.

In dit verband acht het Hof met name het eerderbedoelde scanoverzicht van belang. Uit dat overzicht, mede gelet op hetgeen de heffingsambtenaar overigens gesteld en verklaard heeft, acht het Hof aannemelijk dat de scanauto de Auto van belanghebbende omstreeks 15:28 op de Locatie gescand heeft, dat een paar minuten daarna bleek dat voor het parkeren op de Locatie en dat tijdstip geen parkeerbelasting was voldaan, en dat bij de nacontrole om 15:34 bleek dat de Auto “op een reguliere fiscale parkeerplek en niet op een uitrit, stoep of op een privé terrein” stond (zoals de heffingsambtenaar in zijn uitspraak op bezwaar schrijft).

5.1.3.

Weliswaar kan belanghebbende worden toegegeven dat uit de GPS-coördinaten niet zonder meer hoeft te blijken dat de Auto niet op de stoep, maar op een ‘legale’ parkeerplek stond. Immers enerzijds geven de coördinaten niet op de meter nauwkeurig de parkeerplek aan en anderzijds lijkt het dat de coördinaten, die vermeld staan op het scanoverzicht als vermeld onder 2.3.2, niet de positie van de Auto maar de positie van de - rijdende - scanauto ten tijde van de scan aangeven.

Deze grief tegen de rechtbankuitspraak kan belanghebbende echter niet baten. Immers, zoals uit rechtsoverweging 5.1.2 volgt, heeft het Hof zijn oordeel niet op deze coördinaten heeft gebaseerd.

5.2.

Tweede geschilpunt

5.2.1.

Het Hof stelt voorop dat voor de vraag of sprake is van het ‘onmiddellijk laden of lossen van zaken’ de bewijslast op belanghebbende rust.

5.2.2.

Onder “onmiddellijk laden en lossen” dient te worden verstaan “het bij voortduring inladen of uitladen van zaken van enige omvang of enig gewicht, onmiddellijk nadat het voertuig tot stilstand is gebracht en gedurende de tijd die daarvoor nodig is. Het moet gaan om zaken van een zodanige omvang of gewicht dat zij niet of bezwaarlijk op een andere wijze dan per voertuig ter plaatse kunnen worden gehaald of gebracht” HR, 7 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:445, r.o. 3.3.2).

5.2.3.

Belanghebbende heeft onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld die de conclusie rechtvaardigen dat sprake was van onmiddellijk laden en lossen in vorenbedoelde zin. In ieder geval is onvoldoende hetgeen belanghebbende in zijn bezwaarschrift (zie 2.3.3) aanvoert. Daar komt bij dat het zonder verklaring - die ontbreekt - onbegrijpelijk is dat belanghebbende de Auto - naar eigen zeggen - op de stoep op het [adres 2] ter hoogte van nummer 1, stilzet, dat wil zeggen circa 100 meter van de galerie waarheen belanghebbende - naar hij stelt - “een zeer zwaar Schilderij (…) aan het tillen” was. Het had onder de door belanghebbende geschetste omstandigheden toch voor de hand gelegen dat hij dan zo dicht mogelijk (eventueel op de stoep) voor de deur van evengenoemde galerie was gaan staan.

5.2.4.

Ook volgt uit al hetgeen belanghebbende heeft ingebracht niet dat sprake is geweest van (1) het bij voortduring uitladen van zaken (2) onmiddellijk nadat het voertuig tot stilstand is gebracht, (3) gedurende de tijd die daarvoor nodig is. Het Hof acht aannemelijk dat de controleurs die de nacontrole omstreeks 15.33 uur uitvoerden niet hebben waargenomen dat bij voortduring een ‘zeer zwaar schilderij’ uit de Auto werd uitgeladen.

5.2.5.

Derhalve concludeert het Hof dat belanghebbende niet aan zijn onder 5.2.1 bedoelde bewijslast heeft voldaan.

Slotsom

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

6 Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten in verband met de behandeling van het hoger beroep op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met artikel 8:108 van die wet.

7 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mr P.F. Goes, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. S.K. Grando als griffier. De beslissing is op 10 oktober 2017 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.