Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:4298

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-10-2017
Datum publicatie
25-10-2017
Zaaknummer
K16/0546
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Artikel 12 Sv. Politiegeweld

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

BEKLAGKAMER

Beschikking op het beklag met het rekestnummer K16/0546 van

[klager 1] en [klager 2],

wonende te [woonplaats] ,

klagers.

1 Het beklag

Het klaagschrift is op 15 december 2016 door het hof ontvangen. Het beklag richt zich tegen de beslissing van de officier van justitie van het arrondissementsparket Noord-Holland om geen strafvervolging in te stellen tegen de politieambtenaren [verbalisant 1] en
[verbalisant 2] (hierna: beklaagde 1 en beklaagde 2) ter zake van mishandeling en het doen van een valse melding bij Veilig Thuis.

2 Het verslag van de advocaat-generaal

Bij verslag van 12 juli 2017 heeft de advocaat-generaal het hof in overweging gegeven het beklag af te wijzen.

3 De voorhanden stukken

Het hof heeft kennisgenomen van:

- het klaagschrift;

- het verslag van de advocaat-generaal;

- de in deze zaak door de politie opgemaakte processen-verbaal;

- de letselverklaring; en

- het ambtsbericht van de hoofdofficier van justitie van het arrondissementsparket Noord-Holland van 26 januari 2017.

4 De behandeling in raadkamer

Het hof heeft klager [klager 1] (hierna: klager) in de gelegenheid gesteld op
20 september 2017 het beklag toe te lichten. Klager is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet in raadkamer verschenen.

De advocaat-generaal is bij de behandeling in raadkamer aanwezig geweest. In hetgeen in raadkamer naar voren is gekomen heeft hij geen aanleiding gevonden de conclusie in het verslag te herzien.

5 De ontvankelijk van het beklag

5.1.

Ten aanzien van de melding bij Veilig Thuis

Het eerste vereiste voor de ontvankelijkheid van het beklag is dat het strafbare feit waarover wordt geklaagd ter kennis van het openbaar ministerie is gebracht. Klagers hebben met betrekking tot dit feit echter geen aangifte bij de politie of de officier van justitie gedaan, maar zich rechtstreeks tot het hof gewend.

Van een situatie als bedoeld in artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) is daarom geen sprake. Klagers zijn daarom niet-ontvankelijk in dit onderdeel van het beklag.

5.2.

Ten aanzien van klaagster [klager 2]

Klaagster beklaagt zich over de beslissing van de officier van justitie om geen vervolging te beginnen naar aanleiding van de aangifte van mishandeling door klager [klager 1] .

De mogelijkheid tot het doen van beklag als bedoeld in artikel 12 Sv is in beginsel beperkt tot rechtstreeks belanghebbenden. Slechts degene die door het achterwege blijven van vervolging getroffen is in een belang dat hem bepaaldelijk aangaat, kan worden aangemerkt als belanghebbende. Daarbij dient sprake te zijn van een objectief bepaalbaar, persoonlijk of kenmerkend belang. Bovendien moet worden beoordeeld of de overtreden strafbepaling beoogt dit specifieke belang van klaagster te beschermen.

Dat is hier niet het geval: immers niet klaagster maar klager [klager 1] zou slachtoffer zijn van de mishandeling waarop de aangifte ziet.

Nu [klager 1] zelf een klacht heeft ingediend met betrekking tot de niet-vervolging van de politieambtenaren naar aanleiding van zijn aangifte, is klaagster niet-ontvankelijk in het beklag.

6 De inhoudelijke beoordeling van het beklag voor het overige

6. 1 De inhoud van het dossier

6.1.1.

De aangifte:

Klager heeft aangifte gedaan van mishandeling (art. 300 Sr). Hij stelt dat hij het slachtoffer is geworden van geweld, gepleegd door twee politieagenten (beklaagden). Beklaagden stonden woensdag 13 juli 2016 bij hem voor de deur. Hij is toen gevlucht en heeft zich op het balkon van zijn buurvrouw verstopt. Na enige tijd werd klager daar door beklaagden – met de buurvrouw en haar zoon (hierna: de zoon) – gevonden en werd klager aangehouden. Klager heeft verklaard meermaals te hebben geroepen dat hij wilde meewerken. Echter, hij kreeg uit het niets van een van de beklaagden een vuistslag op zijn rechterslaap; hij werd door een van de beklaagden in een wurgklem genomen. Klager ontkent dat hij een poging heeft gedaan om het dienstwapen van één van de beklaagden te pakken. Klager heeft verklaard dat hij meermaals heeft gezegd pijn te hebben en om die reden ook geschreeuwd te hebben. Voordat klager in de dienstwagen werd gegooid trok één van de beklaagden hem de capuchon over zijn hoofd waardoor hij niets meer kon zien. Hij werd bij zijn enkels geboeid, terwijl hij niet heeft geschopt of getrapt. Klager had de indruk dat hij gedurende de aanhouding werd uitgedaagd door de beklaagden in de hoop dat hij een fout zou begaan.

Klager stelt ernstige gevolgen te hebben van het geweld dat de beklaagden jegens hem hebben gebruikt. Hij heeft nachtmerries, ligt ‘s nachts wakker en huilt veel. Hij had een gekneusde rib, zijn linkerknie was blauw en op zijn rechterborst en linkerschouder had hij blauwe plekken.

De verbalisant die de aangifte opnam heeft gezien dat klager een blauwe plek onder het rechteroog had.

6.1.2.

De processen-verbaal van bevindingen van de twee politiemensen die naar klagers woning gingen in verband met de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf:

De beklaagden hebben meermaals op de voordeur en ramen geklopt en de bewoners gevraagd om de deur te openen; er kwam geen respons. Van de hulpofficier van justitie werd een machtiging tot binnentreden van de woning verkregen. Na ongeveer dertig minuten op de galerij voor de woning te hebben gewacht, kregen beklaagden van de vrouw van klager te horen dat zij de deur zou openen. Beklaagden mochten van haar binnen komen; zij zei dat haar man (klager) op vakantie was. Beklaagden hebben in de woning naar klager gezocht, maar hem niet aangetroffen. Omdat beklaagden rekening hielden met de mogelijkheid dat klager via de balkons naar de woning van de buren was gegaan, belden zij bij de buren aan. Op dat moment kwam daar ook de zoon van de buurvrouw. Beklaagden werden binnengelaten en troffen klager achter de balkondeur aan. Een van de beklaagden trok klager de woning in en drukte hem tegen een muur, waarna de andere beklaagde zijn linkerarm om de nek van klager sloeg en hem naar beneden probeerde te bewegen. Zo lukte het om klager te boeien. Een van de beklaagden, [verbalisant 2] , merkte dat klagers arm omlaag ging; hij voelde dat zijn holster bewoog. Omdat hij dacht dat klager zijn dienstwapen probeerde te pakken, gaf hij klager een vuistslag tegen de rechterkant van diens gezicht.

Klager bleef zich verzetten en begon hard te schreeuwen. Klager reageerde op geen enkele aanwijzing van beklaagden en het lukte niet om klager rustig te krijgen. Om die reden besloten beklaagden om klager op zijn buik op de achterbank van het dienstvoertuig te leggen en beide enkels te boeien.

6.1.3.

De verklaring van de zoon van de buurvrouw:

Zijn moeder gaf de beklaagden toestemming om haar woning te betreden; hij zag dat klager werd gevonden. Klager verzette zich tegen de aanhouding en weigerde om mee te gaan. Klager werd toen op harde wijze aangehouden. Beklaagden pakten klager bij zijn hoofd en armen en duwden hem tegen de muur of kast. Hij heeft niet gezien dat klager een beweging maakte richting het wapen van een van de agenten, maar wel dat klager erg druk was en riep dat hij niet mee wilde gaan. Het boeien van klager ging vrij hardhandig en klager had niet de kans om iets te zeggen. Vervolgens werd klager op een niet zo vriendelijke manier in de politieauto gewerkt; klager kwam plat op zijn buik op de bank te liggen.

6.1.4.

De schriftelijke verklaring van de vrouw van klager:

Op een gegeven moment hoorde zij hard geklop op de voordeur. Toen zij de deur open deed zag zij de beklaagden staan die haar vroegen naar haar man. Zij zei dat klager op vakantie was, maar dat zij wel mochten binnen komen. Nadat de beklaagden de woning

hadden doorgezocht zijn zij verder gaan zoeken bij de buren. Later zag zij de beklaagden met haar man naar buiten komen. Zij heeft haar man horen schreeuwen dat hij mee wilde werken en dat hij geslagen was.

6.2.

Het beoordelingskader

Het hof heeft te beoordelen of de strafrechter die over deze zaak zou moeten oordelen – al dan niet na nader onderzoek – zou kunnen komen tot een veroordeling voor enig strafbaar feit. Daarnaast moet het hof beoordelen of er, gelet op alle omstandigheden, voldoende belang is bij het alsnog instellen van strafrechtelijke vervolging. Indien het antwoord op beide vragen bevestigend luidt, zal een bevel tot vervolging worden gegeven.

Duidelijk is dat bij de aanhouding van klager geweld is toegepast door de beklaagden. Nu het om door de politie toegepast geweld gaat en door klager aangifte is gedaan ter zake van mishandeling, moet bij het op deze feiten betrekking hebbende toetsingskader de vraag naar de rechtmatigheid van het politieoptreden betrokken worden.

Politieambtenaren zijn in de rechtmatige uitoefening van hun bediening – indien noodzakelijk – bevoegd tot toepassing van – gepast – geweld. Buiten de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit zou – afhankelijk van de omstandigheden van het geval – geweldstoepassing door overheidsdienaren als misdrijf gekwalificeerd kunnen worden en als zodanig strafbaarheid van de betrokken ambtenaar tot gevolg kunnen hebben.

Het (strafrechtelijk) onderzoek naar overheidsoptreden zal zich in die gevallen met name hebben te richten op de vraag of geweldstoepassing noodzakelijk, adequaat en proportioneel is geweest.

Het met betrekking tot de rechtmatigheid van belang zijnde toetsingskader wordt (buiten de strafrechtelijke en mensenrechtelijke regels) gevonden in de Politiewet 2012 en de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke Marechaussee en andere opsporingsambtenaren.

Artikel 7 van de Politiewet 2012 stelt, voor zover hier van belang:

- 1. De ambtenaar van politie die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, is bevoegd in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening geweld of vrijheidsbeperkende middelen te gebruiken, wanneer het daarmee beoogde doel dit, mede gelet op de aan het gebruik hiervan verbonden gevaren, rechtvaardigt en dat doel niet op een andere wijze kan worden bereikt. Aan het gebruik van geweld gaat zo mogelijk een waarschuwing vooraf.

- 5. De uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in het eerste tot en met het vierde lid, dient in verhouding tot het beoogde doel redelijk en gematigd te zijn.

Uit het rapport “Verantwoord politiegeweld” van de Nationale Ombudsman komt naar voren, voor zover hier van belang, dat het slaan op kwetsbare lichaamsdelen zoals het hoofd, het gezicht of het kruis, ernstig letsel tot gevolg kan hebben en in beginsel niet is geoorloofd.

6.3.

De overwegingen van het hof

Vaststaat dat de politie - na een aantal eerdere, vergeefse, pogingen - naar de woning van klager was gekomen om hem aan te houden voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf. Dat doel rechtvaardigt de aanhouding en politieoptreden.

Uit de verklaringen van de politieagenten ontstaat de indruk dat klager (en [klager 2] ) wilden voorkomen dat klager zou worden aangehouden. Uit de verklaringen komt verder naar voren dat de situatie hectisch werd toen de politie klager aantrof op het balkon van de naastgelegen woning en hij werd aangehouden. Klager verzette zich zowel fysiek als verbaal waardoor de beklaagden moeite hadden hem onder controle te krijgen; zij vonden assistentie van collega’s daarom noodzakelijk.

De verklaringen van de politieagenten worden ondersteund door die van de zoon van de buurvrouw, die heeft verklaard dat klager niet met de politie meewilde en zich verzette.

Voor de verklaring van klager, dat hij riep dat hij wilde meewerken, zou steun gevonden kunnen worden in de verklaring van klagers echtgenote. Gelet, echter, op de plaats waar klager werd aangetroffen (het balkon van de buren) en de verklaring van de zoon van de buurvrouw, die – in tegenstelling tot klagers echtgenote – als buitenstaander beschouwd kan worden, verwacht het hof niet dat de verklaring van klagers echtgenote voldoende overtuigend is om te twijfelen aan de inhoud van de op ambtseed opgemaakte processen-verbaal van bevindingen.

In dit licht bezien, gaat het hof ervan uit dat er voor de politie goede gronden waren voor het toepassen van geweld om het verzet van klager te breken en te voorkomen dat hij zou vluchten. In het kader van de aanhouding lijkt het ook niet onredelijk dat klager boeien zijn omgelegd.

Onder de omstandigheden waaronder de aanhouding plaats vond was geweldstoepassing niet te voorkomen. Het is aannemelijk dat een aantal blauwe plekken door de aanhouding en het wegleiden van klager zijn ontstaan. Het hof verwacht dat de strafrechter tot het oordeel zou komen dat de geweldstoepassing noodzakelijk, adequaat en proportioneel was.

Het is de vraag of dat ook geldt voor de vuistslag die door beklaagde [verbalisant 2] is gegeven. Het letsel onder het oog van klager is daar kennelijk het gevolg van. Het hof stelt voorop dat het geven van vuistslagen in het gezicht van een verdachte door een opsporingsambtenaar teneinde die verdachte aan te houden, in beginsel niet toelaatbaar is.

Dit laat onverlet dat een verbalisant soms niet anders zal kunnen reageren. Zoals hiervoor weergegeven kreeg de beklaagde [verbalisant 2] de indruk dat klager probeerde zijn dienstpistool te pakken. Daarin zou de strafrechter die over de vuistslag zou moeten oordelen, reden kunnen vinden om niet tot een veroordeling van de beklaagde [verbalisant 2] te komen. Weliswaar heeft geen van de getuigen op dit punt iets verklaard – en is het woord van de agent tegen het woord van klager – maar gelet op de hectische situatie (waarover hiervoor het nodige is weergegeven) verwacht het hof niet dat de strafrechter de verklaring van de beklaagde onaannemelijk zou achten.

Het hof vindt het daarom onwaarschijnlijk dat de strafrechter op basis van de aangifte tot een veroordeling voor mishandeling zal kunnen komen.

Het hof is dan ook van oordeel dat er goede redenen zijn om in deze zaak geen vervolging te gelasten. Het beklag is ongegrond.

7 De beslissing

Het hof wijst het beklag af.

Deze beschikking, waartegen voor betrokkenen geen rechtsmiddel openstaat, is gegeven op 24 oktober 2017 door mrs. M.J.G.B. Heutink, voorzitter, W.F. Groos en P.C. Kortenhorst, raadsheren, in tegenwoordigheid van I.N. van Soest, griffier, en ondertekend door de voorzitter en de griffier.