Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:4278

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20-10-2017
Datum publicatie
24-10-2017
Zaaknummer
15/183511-17
Rechtsgebieden
Strafprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Voorlopige hechtenis

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/183511-17

GERECHTSHOF AMSTERDAM,

MEERVOUDIGE STRAFKAMER, RAADKAMER

BESCHIKKING in raadkamer op het hoger beroep in de zaak van

[appellant] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1958,

wonende te [adres] ,

thans verblijvende in [detentie] ,

tegen de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Badhoevedorp van

3 oktober 2017, voor zover houdende bevel tot haar gevangenhouding.

De feiten en de rechtsgang

Het hof heeft kennis genomen van de akte van de griffier van de rechtbank Noord-Holland, locatie Badhoevedorp van 6 oktober 2017, waarbij namens de verdachte hoger beroep is ingesteld tegen voormelde beschikking van die rechtbank.

Het hof heeft gezien de beschikking waarvan beroep en heeft kennis genomen van de stukken betrekking hebbend op de voorlopige hechtenis van de verdachte en heeft gehoord de advocaat-generaal en de verdachte, bijgestaan door haar raadsman mr. M.M.J. Nuijten.

De beoordeling

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Badhoevedorp, heeft op 3 oktober 2017 op vordering van de officier van Justitie de gevangenhouding van de verdachte gelast voor de duur van 30 dagen. De verdachte is voorafgaand aan dit bevel niet gehoord, omdat zij voor die zitting niet was aangevoerd. Zij heeft geen afstand gedaan van haar recht bij de behandeling van haar zaak aanwezig te zijn. De behandeling van de strafzaak is vervolgens aangehouden tot de terechtzitting van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Badhoevedorp, van 17 oktober 2017.

Van de zijde van de verdachte is hoger beroep tegen het bevel gevangenhouding ingesteld bij dit hof. In beroep heeft de raadsman van de verdachte zich op het standpunt gesteld, onder verwijzing naar de beschikking van dit hof van 8 februari 2012 (Nieuwsbrief Strafrecht 2012, aflevering 4, nr. 138), dat het bevel moet worden vernietigd en dat de verdachte in vrijheid moet worden gesteld, omdat de politierechter haar niet voorafgaand aan het bevel tot gevangenhouding heeft gehoord.

De advocaat-generaal heeft aangevoerd dat er sprake is van een titel – zij het een gemankeerde – voor het gevangenhouden van de verdachte. Nu de verdachte al bij de toetsing van de inverzekeringstelling en in verband met het tegen haar verleende bevel tot bewaring is gehoord, hetgeen haar ten laste wordt gelegd heeft bekend en ter gelegenheid van de behandeling van het hoger beroep tegen het bevel gevangenhouding in raadkamer door het hof is gehoord, meent de advocaat-generaal dat het geconstateerde gebrek voldoende is hersteld en er geen grond is voor vernietiging van het bevel gevangenhouding.

Het hof constateert met de verdediging en de advocaat-generaal dat bij het bevelen van de gevangenhouding van de verdachte het voorschrift van artikel 65, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) niet is nageleefd. De vraag is wat de juridische consequentie van deze omissie moet zijn.

15/183511-17

Vooropgesteld dient te worden dat het niet naleven van het hiervoor bedoelde voorschrift bij wet niet met enige sanctie is bedreigd en dat deze omissie zich naar haar aard leent voor herstel.

Vastgesteld moet worden dat de casuspositie in het onderhavige geval verschilt van die welke heeft geleid tot de door de raadsman genoemde beschikking van dit hof van 8 februari 2012, in zoverre dat in dat geval de verdachte wel ter terechtzitting was verschenen, maar niet was gehoord. In het onderhavige geval is de verdachte – zo heeft het hof begrepen – ten gevolge van een omissie bij het regelen van het vervoer van de verdachte niet in staat gesteld de zitting bij te wonen, hoewel zij dat wel wenste. Het niet verschijnen van de verdachte heeft er mede toe geleid dat de politierechter de behandeling van haar strafzaak heeft aangehouden tot 17 oktober 2017 en voorts op vordering van de officier van justitie de gevangenhouding van de verdachte voor een periode van 30 dagen heeft bevolen.

Nadat was gebleken dat een bevel tot gevangenhouding was gegeven zonder dat de verdachte daaraan voorafgaand was gehoord, is de verdachte, zo begrijpt het hof, in de week van 9 oktober 2017 alsnog in raadkamer van de rechtbank opgeroepen en aldaar ook met haar raadsman verschenen. De raadkamer heeft zich weliswaar niet bevoegd geacht om enig oordeel over het bevel tot gevangenhouding van de verdachte te geven, nu daartegen appel was ingesteld, maar heeft de verdachte wel in de gelegenheid gesteld het woord te voeren en naar voren te brengen hetgeen zij ter onderbouwing van haar standpunt noodzakelijk achtte. Niet is door de verdediging gesteld of anderszins gebleken dat de verdachte bij die gelegenheid punten naar voren heeft gebracht of willen brengen, die de ernstige bezwaren en/of gronden voor de gevangenhouding raakten. Evenmin heeft zij aanleiding gezien toen of op een later moment om de opheffing van haar voorlopige hechtenis te vragen.

Vervolgens is de strafzaak van de verdachte ter terechtzitting van eerdergenoemde politierechter van 17 oktober 2017 behandeld, waarna onmiddellijk mondeling vonnis is gewezen. Ook bij deze gelegenheid had de verdachte de opheffing van haar voorlopige hechtenis kunnen vragen en ook hier is dit kennelijk niet gebeurd. De verdachte is schuldig bevonden aan het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne en veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, met aftrek van voorarrest.

Het hoger beroep tegen het bevel tot gevangenhouding is in raadkamer van dit hof van 18 oktober 2017 behandeld. De verdachte is daar verschenen en heeft daar het woord kunnen voeren, met bijstand van haar raadsman. Ook bij die gelegenheid zijn van de zijde van de verdachte geen argumenten naar voren gebracht, die aan de tegen haar bestaande ernstige bezwaren en de gronden voor voorlopige hechtenis afdoen. Het hof constateert dat deze inmiddels nog worden versterkt door het feit dat er thans sprake is van een – zij het nog niet onherroepelijk – veroordelend vonnis, waarbij de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enige duur is opgelegd.

Gelet op al het vorenstaande komt het hof tot het oordeel dat het verzuim in hoger beroep voldoende is hersteld. Nu de ernstige bezwaren tegen de verdachte onverminderd voortbestaan en ook gronden voor de gevangenhouding aanwezig zijn, kan het bevel tot gevangenhouding in stand blijven en dient het beroep te worden verworpen.

15/183511-17

De beslissing

Het hof:

WIJST AF het beroep tegen de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

Deze beschikking is gegeven op 20 oktober 2017 in raadkamer van dit hof door

mr. J.L. Bruinsma, voorzitter,

mrs. H.S.G. Verhoeff en P.F.E. Geerlings, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. D. Boessenkool als griffier.

De advocaat-generaal bij dit gerechtshof brengt vorenstaande beschikking ter kennis van de verdachte.

Amsterdam, 20 oktober 2017,

de advocaat-generaal