Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:4271

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-08-2017
Datum publicatie
25-10-2017
Zaaknummer
23-004453-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vernietiging. Overtreding van artikel 9 Wegenverkeerswet. Verwerping bewijsverweer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-004453-16

datum uitspraak: 9 augustus 2017

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 21 juni 2016 in de strafzaak onder parketnummer 96-059253-16 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,

adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

26 juli 2017.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 19 maart 2016 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat hem bij rechterlijke uitspraak of strafbeschikking de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen was ontzegd, gedurende de tijd dat hem die bevoegdheid was ontzegd, op de weg, Vertrekpassage, een motorrijtuig, (personenauto), heeft bestuurd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewijsverweer

De raadsman heeft aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat de verdachte wist dat hem de rijbevoegdheid was ontzegd, nu niet vaststaat dat hem (op 4 augustus 2015) een schrijven als bedoeld in artikel 180 Wegenverkeerswet 1994 is uitgereikt, zodat de verdachte moet worden vrijgesproken.

Het hof stelt op grond van de stukken van het dossier het volgende vast.

De verdachte is bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 8 april 2015 (met parketnummer 96-022103-15) veroordeeld tot onder meer ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van twee maanden. Daarnaast is bij dat vonnis de tenuitvoerlegging gelast van een eerder voorwaardelijk opgelegde ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden. Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 11 juli 2017 is voornoemd vonnis op 23 april 2015 onherroepelijk geworden. Sinds 14 juli 2015 stond de verdachte gesignaleerd in verband met de uitreiking van een kennisgeving ontzegging rijbevoegdheid. In het dossier bevindt zich een akte van uitreiking (in persoon) van 4 augustus 2015, waarop het parketnummer van voormeld vonnis is vermeld.

Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat op 4 augustus 2015 de kennisgeving tot ontzegging van de rijbevoegdheid als bedoeld in artikel 180 lid 3 Wegenverkeerswet 1994 aan de verdachte (in persoon) is betekend. Daar komt bij dat de verdachte in de onderhavige zaak bij zijn aanhouding op 19 maart 2016 tegenover de politie heeft verklaard dat hij (eerder) in Den Haag door de politie aan de kant was gezet en men hem tweemaal papieren omtrent zijn rijbevoegdheid (het hof begrijpt: de ontzegging daarvan) had overhandigd.

Hieruit leidt het hof af dat de verdachte (sinds 4 augustus 2015) op de hoogte was van het feit dat hem de rijbevoegdheid was ontzegd. De enkele suggestie van de raadsman dat de inhoud van een uittreksel uit de Justitiële Documentatie niet altijd juist is, kan daaraan niet afdoen. Datzelfde geldt voor de stelling dat een kennisgeving van de ontzegging van de rijbevoegdheid aan de verdachte is uitgereikt op 19 maart 2016, de datum van het onderhavige feit. Die uitreiking impliceert immers niet dat een eerdere kennisgeving, ten deze die van 4 augustus 2015, niét is uitgereikt.

Het verweer wordt dan ook verworpen.

Voorwaardelijk verzoek verbalisant te horen als getuige

De raadsman heeft een voorwaardelijk verzoek gedaan de verbalisant die voornoemde uitreiking van

4 augustus 2015 heeft gedaan als getuige te horen. Het hof begrijpt dat het voorwaardelijke van het verzoek ziet op het geval het hof de feitelijke grondslag van het verweer van de raadsman niet onderschrijft. Aldus opgevat, is aan de voorwaarde voldaan, zodat het hof op het verzoek heeft te beslissen.

Het hof acht zich, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen omtrent de feitelijke gang van zaken met betrekking tot de uitreiking van de kennisgeving van de ontzegging van de rijbevoegdheid voldoende geïnformeerd, zodat geen noodzaak bestaat bedoelde verbalisant te horen als getuige en het verzoek daartoe wordt afgewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 19 maart 2016 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, terwijl hij wist dat hem bij rechterlijke uitspraak de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen was ontzegd, gedurende de tijd dat hem die bevoegdheid was ontzegd op de weg, Vertrekpassage, een motorrijtuig, personenauto, heeft bestuurd.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

overtreding van artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

De raadsman heeft het hof verzocht af te wijken van de oriëntatiepunten straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht van de hoven en de rechtbanken (hierna: LOVS-oriëntatiepunten) en aan de verdachte een taakstraf op te leggen in plaats van een gevangenisstraf. Ter onderbouwing van dit verzoek heeft de raadsman in het kader van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte naar voren gebracht dat hij werkt als mantelzorger voor zijn moeder en hij meer dan een half jaar geleden een ernstig scooterongeluk heeft gehad waarvan hij nog steeds lichamelijke klachten ondervindt.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft tijdens een periode waarin hem - naar hij wist - bij gerechtelijk vonnis de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen was ontzegd, met een auto op de weg gereden. Tegen plegers van misdrijven als de onderhavige dient streng te worden opgetreden om te voorkomen dat de werking van een rechterlijk verbod, dat in dit geval in het belang van de verkeersveiligheid is gegeven, wordt gefrustreerd.

Het hof heeft voorts ten nadele van de verdachte meegewogen dat hij, blijkens het hiervoor genoemde uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 11 juli 2017, eerder meermalen ter zake van wegenverkeersdelicten, waaronder het besturen van een motorrijtuig onder invloed, zonder geldig rijbewijs en tijdens het gevorderd/ingenomen zijn van het rijbewijs conform de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften, onherroepelijk is veroordeeld. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen. De verdachte heeft ook ter zitting in hoger beroep in het geheel geen blijk gegeven het laakbare van zijn handelen in te zien.

Het hof heeft zich voorts rekenschap gegeven van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals door en namens hem naar voren gebracht, inhoudende de (mantel)zorgverlening aan zijn moeder en de fysieke gevolgen van een scooterongeluk. Maar nog afgezien van het feit dat niet is aangevoerd dat de verdachte vanwege fysieke beperkingen detentieongeschikt zou zijn en niet aannemelijk is geworden dat de verdachte de enige persoon is die aan zijn moeder mantelzorg kan verlenen, acht het hof de gestelde persoonlijke omstandigheden van de verdachte niet van zodanige aard dat volstaan kan worden met een taakstraf, zoals door de raadsman bepleit, mede gelet op de ernst van het feit en het strafblad van de verdachte. Oplegging van een gevangenisstraf overeenkomstig de LOVS-oriëntatiepunten is derhalve passend en geboden om de verdachte de ernst van zijn handelen te doen inzien.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 9 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. van Woensel, mr. M.M.H.P. Houben en mr. M.L.M. van der Voet, in tegenwoordigheid van L. Bähr en mr. S.M.W. Stevens, griffiers, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 9 augustus 2017.

Mr. M.M.H.P. Houben en mr. M.L.M. van der Voet zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.

=========================================================================

[…]