Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:4242

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-10-2017
Datum publicatie
08-01-2019
Zaaknummer
200.220.876/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Zie ECLI:NL:GHAMS:2018:2738.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.220.876/01

zaaknummer/rolnummer rechtbank Noord-Holland : 5561582 \ CV EXPL 16-9982

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 17 oktober 2017

inzake

[appellante] ,

wonend te [woonplaats 1] (gemeente [gemeente] ),

appellante
eiseres in het incident,

advocaat: mr. M.M. Kroone te Alkmaar,

tegen

1 [geïntimeerde sub 1] ,

2. [geïntimeerde sub 2],

beiden wonend te [woonplaats 2] (gemeente [gemeente] ),

geïntimeerden,

verweerders in het incident,

advocaat: mr. W. Lever te Leiden.

Partijen worden hierna [appellante] en [geïntimeerden] genoemd.

1 Het geding in hoger beroep

[appellante] is bij dagvaarding van 3 augustus 2017 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar (hierna: de kantonrechter) dat op 24 mei 2017 onder bovengenoemd zaak- en rolnummer is gewezen tussen [geïntimeerden] als eiser en [appellante] als gedaagde.

De appeldagvaarding, met producties, bevat de grieven en een incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis op de voet van artikel 351 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). In de hoofdzaak concludeert [appellante] tot vernietiging van het bestreden vonnis en afwijzing van de vorderingen van [geïntimeerden] , met beslissing, uitvoerbaar bij voorraad, over de proceskosten.

Hierop heeft [geïntimeerden] in het incident geantwoord en geconcludeerd dat het hof de incidentele vordering zal afwijzen, met beslissing, uitvoerbaar bij voorraad, over de kosten van het incident.

Vervolgens is arrest gevraagd in het incident.

2 Beoordeling in het incident

2.1

Het gaat hier, samengevat en voor zover voor het incident van belang, om het volgende. [appellante] huurt van [geïntimeerden] de woning aan de [adres] . Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter bepaald dat de huurovereenkomst tussen partijen zal eindigen op 1 november 2017 of zoveel eerder als partijen daartoe besluiten en [appellante] veroordeeld tot ontruiming op straffe van een dwangsom. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het anders of meer gevorderde is afgewezen.

2.2

Ter onderbouwing van haar incidentele vordering heeft [appellante] - samengevat - het volgende aangevoerd. De kantonrechter heeft het vonnis ten onrechte, en zonder nadere toelichting, uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Uit artikel 7:272 lid 1 BW volgt immers dat de toewijzing van de vordering van [geïntimeerden] niet uitvoerbaar bij voorraad kan worden verklaard. [geïntimeerden] heeft voorts geen feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan het genoemde artikel buiten toepassing zou moeten blijven. Daarnaast heeft [geïntimeerden] geen spoedeisend belang bij terugkeer in de woning, terwijl tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis onomkeerbare gevolgen voor [appellante] zal hebben, aldus nog steeds [appellante] .

2.3

[geïntimeerden] heeft verweer gevoerd op gronden waarop hierna, voor zover van belang, zal worden ingegaan.

2.4

Bij de beoordeling van de incidentele vordering neemt het hof tot uitgangspunt dat voor schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis slechts plaats is, indien tenuitvoerlegging misbruik van executiebevoegdheid oplevert. Een dergelijk misbruik zal aan de orde zijn indien de executant, mede gelet op de - voor hem kenbare belangen - van de veroordeelde die door de tenuitvoerlegging zullen worden geschaad, geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij het gebruikmaken van zijn bevoegdheid om in afwachting van de uitkomst van het hoger beroep tot tenuitvoerlegging over te gaan. Hiervan kan in het bijzonder sprake zijn indien het vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust, of indien na het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten meebrengen dat de executie van het vonnis klaarblijkelijk een noodtoestand zou doen ontstaan voor degene te wiens laste het vonnis ten uitvoer wordt gelegd. Daarbij behoort de kans van slagen van het aangewende rechtsmiddel in de regel buiten beschouwing te blijven.

2.5

Aan het hof is niet gebleken dat het bestreden vonnis op een feitelijke of juridische misslag berust. [appellante] haalt weliswaar artikel 7:272 lid 1 BW aan, met de toelichting dat vorderingen gebaseerd op dit artikel in beginsel niet uitvoerbaar bij voorraad kunnen worden verklaard, maar zij verliest daarbij uit het oog dat de kantonrechter in de feitenopsomming heeft vastgesteld dat partijen met elkaar een tijdelijke huurovereenkomst naar zijn aard van korte duur zijn aangegaan en dat op grond van artikel 7:232 lid 2 BW afdeling 5 (waaronder artikel 7:272 BW) niet van toepassing is op een dergelijke overeenkomst. Dat die vaststelling op een juridische misslag berust is door [appellante] niet aangevoerd, laat staan gemotiveerd.

2.6

Voorts blijkt uit de stellingen van [appellante] niet, althans onvoldoende, dat zich na het bestreden vonnis feiten hebben voorgedaan dan wel aan het licht zijn gekomen die meebrengen dat tenuitvoerlegging van dat vonnis klaarblijkelijk een noodtoestand bij haar zal doen ontstaan. Hoewel ontruiming van de woning door [appellante] naar verwachting onomkeerbaar is, kan niet worden geoordeeld dat reeds daarom sprake is van een noodtoestand aan haar kant. Uit het bestreden vonnis blijkt overigens dat de kantonrechter bij het bepalen van de datum van beëindiging van de huurovereenkomst rekening heeft gehouden met het feit dat [appellante] de gelegenheid moet worden geboden om andere passende woonruimte te vinden. In de stellingen van [appellante] valt niet te lezen dat zij voor de huur die zij thans betaalt in of in de omgeving van [plaats] geen andere passende woonruimte zou kunnen vinden. Aan het voorgaande wordt niet afgedaan door het betoog van [appellante] dat [geïntimeerden] geen spoedeisend belang heeft bij ontruiming. Ook als dat juist zou zijn betekent dat nog niet dat [geïntimeerden] geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij het doorzetten van de executie op dit moment.

2.7

Uit het vorenstaande volgt dat de incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis voor afwijzing gereed ligt. Het hof zal [appellante] , als de in het ongelijk gestelde partij, bij het eindarrest in de hoofdzaak veroordelen in de kosten van het incident.

in de hoofdzaak

2.8

Het hof zal de zaak verwijzen naar de rol voor memorie van antwoord.

3 Beslissing

Het hof:

in het incident:

wijst de vordering van [appellante] af;

houdt de beslissing met betrekking tot de proceskosten aan tot het eindarrest in de hoofdzaak;

in de hoofdzaak:

verwijst de zaak naar de rol van 28 november 2017 voor memorie van antwoord;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.C.W. Rang, C.C. Meijer en J.W. Hoekzema en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 17 oktober 2017.