Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:4224

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-10-2017
Datum publicatie
23-10-2017
Zaaknummer
200.167.833/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bouwzaak. Eindarrest. Na bewijslevering. Ondanks de in het geding gebrachte deskundigenrapporten is niet voldaan aan de stelplicht dat er aan appellant toerekenbare additionele oorzaken waren van de opgetreden glasbreuk. Vorderingen alsnog afgewezen. Zie ECLI:NL:GHAMS:2016:1421 en ECLI:NL:GHAMS:2017:1707.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrest

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer: 200.167.833/01

zaak/rolnummer rechtbank: C/15/211595 / HA ZA 14-101

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 17 oktober 2017

inzake

[appellant] , h.o.d.n. [X] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. W.M.U. van der Blom te Haarlem,

tegen:

[bedrijfsnaam] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. F.M. Veerman te Velsen-Zuid.

1 Het verdere geding in hoger beroep

Partijen worden hierna wederom [appellant] en [bedrijfsnaam] genoemd.

Op 2 mei 2017 heeft dit hof een tweede tussenarrest (hierna: het tweede tussenarrest) gewezen.

Vervolgens heeft [appellant] een conclusie na tweede tussenarrest genomen, met producties. Daarna heeft [bedrijfsnaam] een antwoordakte na tussenarrest genomen.

Ten slotte is wederom arrest gevraagd.

2 De verdere beoordeling

2.1

In het tweede tussenarrest heeft het hof onder rov. 2.16 als volgt overwogen. In dit geding staat vast dat (een aantal van) de ruiten die [appellant] moest plaatsen te weinig omtrekspeling had(den) en dat hij ze desondanks van [bedrijfsnaam] moest monteren. De schade door glasbreuk die [bedrijfsnaam] heeft geleden is in elk geval ten dele daardoor ontstaan. Zoals in rov. 3.9 van het (eerste) tussenarrest opgemerkt staat daarmee echter nog niet vast dat de schade die [bedrijfsnaam] heeft geleden in het geheel niet aan [appellant] is toe te rekenen. Het hof vervolgde onder rov. 2.17 van het tweede tussenarrest dat ervan moet worden uitgegaan, dat sommige van de montagefouten van [appellant] door het gebrek aan omzetspeling zijn veroorzaakt, maar dat de rapporten van Pilkington en SKG tegelijkertijd ook aanwijzingen bevatten dat [appellant] montagefouten heeft gemaakt die daarmee geen verband hielden, zoals het niet correct of helemaal niet inkorten van rubbers waardoor ter plaatse, door overlappende rubbers, te hoge klemdruk ontstond. Daarnaast dient nog de vraag te worden beantwoord of er gebreken waren in de door [bedrijfsnaam] bepaalde constructie (zie rov. 3.9 tussenarrest). Rov. 2.17 eindigde met de overweging: “Op dit moment beschikt het hof in elk geval niet over een duidelijk en geconcretiseerd overzicht welke ruiten door welke oorzaak moesten worden vervangen, en welke schade daarmee gemoeid is geweest. Een eindoordeel kan daarom nog niet worden gegeven.” Het hof heeft de zaak vervolgens naar de rol verwezen om partijen de gelegenheid te geven zich bij akte uit te laten over de wijze waarop zij, met het oog op de te beantwoorden vragen, wensen voort te procederen en hen in dat verband (onder meer) in overweging gegeven om beiden een overzicht maken als onder rov. 2.17 bedoeld, waarbij zij de rapporten van Pilkington en SKG alsmede de in het tweede tussenarrest gegeven oordelen dienden te betrekken.

2.2

[appellant] heeft in zijn conclusie na tweede tussenarrest laten weten, voor zover hier van belang, dat de ruitbreuk voor 100% aan het gebrek aan omtrekspeling te wijten is. [bedrijfsnaam] heeft in haar antwoordakte een samenvatting gemaakt van de vier rapporten van de door haar ingeschakelde deskundigen en per rapport een opsomming gegeven van de door de betreffende deskundige genoemde oorzaken van de glasbreuk. [bedrijfsnaam] neemt het standpunt in dat de tekortkoming die niet aan [appellant] valt toe te rekenen in het niet valt bij de fouten die hem wél zijn toe te rekenen. Volgens [bedrijfsnaam] is op grond van HR 28 januari 2005, RvdW 2005, 19 en HR 31 maart 2006, RvdW 2006, 328 voor conditio-sine-qua-nonverband tussen tekortkoming en schade een redelijke mate van waarschijnlijkheid voldoende, zodat de rapporten dienend kunnen zijn voor de conclusie dat de ruitbreuk is ontstaan door een veelheid van tekortkomingen die toe te rekenen zijn aan [appellant] . [bedrijfsnaam] heeft nog aanvullend bewijs aangeboden van haar stelling dat de constructie ongemoeid is gebleven en betoogt dat een deskundige zo nodig uitkomst kan bieden.

2.3

Het hof is van oordeel dat de rapporten van [bedrijfsnaam] onvoldoende antwoord geven op de vraag, in welke mate naast gebrek aan omtrekspeling (een niet aan [appellant] toerekenbare montagefout) ook een of meer additionele schadeoorzaken (wel aan [appellant] toerekenbare montagefouten, hierna steeds “additionele schadeoorzaken”) een rol hebben gespeeld. Volgens [bedrijfsnaam] zijn 25 ruiten gebroken (inleidende dagvaarding onder 5.1, schadeopstelling in productie 10 bij inleidende dagvaarding) en is de overige door [appellant] aangebrachte beglazing opnieuw gemonteerd. De rapporten geven evenwel geen of onvoldoende specifieke informatie over (i) de oorzaak of oorzaken van de breuk van elk van deze 25 ruiten en (ii) de toestand van de overige door [appellant] aangebrachte beglazing die [bedrijfsnaam] opnieuw heeft gemonteerd, zoals uit het hierna vermelde volgt (met cursiveringen van het hof).

2.3.1.

In het IBS-rapport is vermeld dat “een visuele inspectie” is uitgevoerd, met dien verstande dat “op een aantal posities” van niet gebroken ruiten de klem- en deklijsten tijdelijk zijn verwijderd en dat is geconstateerd dat “omtrekspeling en glasondersteuning niet altijd correct zijn uitgevoerd”. De nader onderzochte ruiten waren niet gebroken, maar dergelijke gebreken zijn wel kenmerkende oorzaken van glasbreuk, aldus IBS.

2.3.2.

In het Pilkington-rapport (waarbij 22 foto’s zijn gevoegd) is vermeld dat 12 ruiten zijn geïnspecteerd en dat daaruit een “eenduidig beeld van een 3 tal verschillende breukoorzaken” ontstaat, namelijk “1. Spanningen op het glas door onjuiste plaatsing en ondersteuning”, “2. Spanningen door een ongelijke en te hoge lokale klemdruk in de hoek van het glas” en “3. Te hoge klemdruk”. Uit de toelichting per onderdeel volgt dat niet alle drie oorzaken zich bij iedere ruit voordeden. Zo wordt onder (1) vermeld “Bij de onderzochte ruiten was er vaak geen steunblokje aanwezig, of slechts een klein stukje of was er sprake van ongelijke ondersteuning”; “ook waren er ruiten waarbij er helemaal geen omtrekspeling was of de ruit contact had met onderdelen van het systeem”. Onder 2 wordt vermeld “Een groot aantal breuken betreft een breuk in de hoek van het glas (…). Volgens de verwerkingsvoorschriften (…) dienen de beglazingsrubbers ingekort te worden (…) Indien de rubbers niet correct of helemaal niet zijn ingekort ontstaat er ter plaatse van het overlappende rubber een hoge ongelijkmatige klemdruk op de hoek van het glas, met breuk als gevolg. Bij een aantal ruiten is duidelijk zichtbaar dat hier sprake van is (…), maar ook in de spiegeling van diverse ruiten die nog heel zijn is het duidelijk zichtbaar dat er in ieder geval een ongelijke druk op de hoek van het glas aanwezig is (…). Echter pas na het uitnemen van de ruiten kan dit met zekerheid vastgesteld worden.” Onder 3 wordt vermeld dat tussen de glasdragers van de horizontale klemlijsten “de schroef te diep in het systeem kan worden gedraaid met een te hoge klemdruk als gevolg. Dit is ook zichtbaar bij enkele ruiten (…)”. Volgens Pilkington kan op basis van de 12 geïnspecteerde ruiten worden aangenomen dat de oorzaak van de overige breuken hetzelfde is.

2.3.3.

In het SKG-rapport (voorzien van 6 foto’s) zijn 24 breukruiten geïnventariseerd en zijn, door het verwijderen van klem- en deklijsten, drie ruiten volledig in ogenschouw genomen. Geconcludeerd werd dat “diverse montage aspecten (…) onvoldoende zijn nagekomen met als mogelijk gevolg breuken van de in de constructie geplaatste ruiten”. Daartoe werd onder meer geconstateerd: “Bij één ruit (…) is geconstateerd dat het glas ter plaatse van de linker glas ondersteuning niet gelijkmatig wordt ondersteund: het oorspronkelijk glasblokje is gedeeld en schuin onder de ruit geplaatst (…). Hierdoor kunnen er drukpunten (puntlasten) in de ruit ontstaan welke door bovenmatige belasting op de ruit een breuk van de ruit tot gevolg kan hebben.“ En voorts is “in een aantal gevallen” vastgesteld dat “de afstand van de bevestigingsschroeven te dicht bij de stijl/regel ontmoeting zijn geplaatst”. Bij de gesegmenterde gevels dienen “in de verticale- en horizontale beglazingsrubbers uitsparingen gemaakt [te] worden om zo het verschil op te kunnen vangen. (…) Bij de vakvullingen waar de klem- en deklijsten zijn verwijderd is vastgesteld dat dit niet is gebeurd”. Alsmede: “Vastgesteld is bij de vlakke gevelelementen de horizontale buiten beglazingsrubbers (klemlijsten) in een aantal gevallen doorlopen over de verticale beglazingsrubbers. Dit is niet in overeenstemming met de montage instructies van de systeem leverancier”.

2.3.4.

In het rapport van het Kenniscentrum Glas wordt vermeld “indien juist geplaatst, zullen er naar de hoogst mogelijke mate van waarschijnlijkheid geen ruiten “spontaan” breken”.

2.4

Uit geen van de rapporten volgt dat bij alle ruiten een of meer additionele schade-oorzaken een rol heeft/hebben gespeeld. De rapporten sommen verder niet specifiek per ruit (of groep ruiten) op welke schadeoorzaken per ruit zijn aangetroffen en dus ook niet, of dat additionele schadeoorzaken zijn, laat staan in welke mate dat het geval is. De rapporten bieden voor het antwoord op de vraag of en zo ja in welke mate de schade door ruitbreuk toch aan [appellant] toerekenbaar is, dan ook onvoldoende feitelijke houvast. Dat bevreemdt overigens niet, omdat bij het opstellen van deze rapporten vanzelfsprekend geen rekening kon worden gehouden met het latere oordeel van het hof over het (niet aan [appellant] toerekenbare) gebrek aan omtrekspeling. Slechts in een enkel geval is in de rapporten aandacht besteed aan de niet gebroken ruiten.

2.4.1.

Ook de overige stukken in het dossier bevatten onvoldoende concrete aanknopingspunten. [bedrijfsnaam] heeft zowel als productie 8 als 9 bij inleidende dagvaarding 51 foto’s overgelegd van delen van ruiten. Daaruit valt niet af te leiden op welke van de 25 gebroken ruiten en op welke van de overige beglazing die [bedrijfsnaam] opnieuw heeft gemonteerd, die foto’s steeds betrekking hebben en hoeveel ruiten het in totaal betreft. Dat had wel gemoeten, omdat het immers voorstelbaar is dat verschillende foto’s op één ruit betrekking hebben. Uit de lijst “Overzicht foto’s tijdens herstelwerkzaamheden metrostation Centraal Station Amsterdam” (onderdeel van productie 9 bij inleidende dagvaarding) volgt verder alleen wat volgens [bedrijfsnaam] het probleem is dat op de betreffende foto wordt getoond, maar die omschrijving is niet altijd duidelijk (bijvoorbeeld “breukruit” of “montagefout”), laat staan dat steeds inzichtelijk wordt welke additionele schadeoorzaak op de foto zichtbaar is.

2.5

Zowel in zijn productie 7 bij conclusie van antwoord als in zijn productie 14 bij memorie van grieven heeft [appellant] intussen elke omschrijving bij de 51 foto’s afzonderlijk bestreden. [bedrijfsnaam] heeft daarop niet gereageerd.

2.6

De gedingstukken waarover het hof tijdens het tweede tussenarrest beschikte bevatten, resumerend, dan ook onvoldoende concrete handvatten voor het antwoord op de vraag bij welke ruiten welke additionele schadeoorzaken een rol hebben gespeeld. Tegen deze achtergrond lag het in het bijzonder op de weg van [bedrijfsnaam], die zich op het standpunt stelt dat het gebrek aan omtrekspeling geen noemenswaardige rol heeft gespeeld bij de ruitbreuk, om te voldoen aan het verzoek van het hof in het tweede tussenarrest om dit een en ander te concretiseren. Nu [bedrijfsnaam] dat heeft nagelaten, de gebroken ruiten heeft vervangen en de overige beglazing opnieuw heeft gemonteerd, heeft het inschakelen van een deskundige, zoals [bedrijfsnaam] voorstelt, geen zin. Bij gebreke van voldoende feitelijke stellingen van [bedrijfsnaam] over welke ruiten in welke mate door additionele schadeoorzaken zijn getroffen, is niet vast te stellen wat de daardoor veroorzaakte schade is geweest. Het is niet aan de deskundige om feitenonderzoek te doen: de feiten die zij aan haar vordering ten grondslag legt, dient [bedrijfsnaam] nu juist te stellen. Dat heeft zij, hoewel zij daartoe in de gelegenheid is gesteld, verzuimd en de gevolgen daarvan zal zij moeten dragen.

2.7

De verwijzing naar de onder rov. 2.2 aangehaalde arresten baat [bedrijfsnaam] in dit verband niet, nu hetgeen de Hoge Raad in die uitspraken heeft geoordeeld [bedrijfsnaam] niet ontslaat van haar verplichting voldoende duidelijke feiten te stellen die tot toewijzing van haar vordering kunnen leiden.

2.8

[appellant] heeft nog aangevoerd dat reeds vóór het tweede tussenarrest vaststond dat [bedrijfsnaam] niet aan haar stelplicht had voldaan, maar daarin volgt het hof hem niet. Dat de eerder door [bedrijfsnaam] gestelde feiten over de oorzaken van de ruitbreuk niet volstaan was immers pas duidelijk nadat het hof had geoordeeld dat [appellant] in zijn bewijsopdracht is geslaagd. Daarom heeft het hof partijen gelegenheid gegeven hun stellingen te concretiseren en daarbij rekening te houden met dat oordeel. Nu [bedrijfsnaam] van die mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt, doch integendeel heeft volstaan met een samenvatting van de eerdergenoemde rapporten, dient haar vordering thans, als in het licht van het verweer van [appellant] en de bewezenverklaring van het hof onvoldoende onderbouwd, te worden afgewezen.

2.9

Bij deze stand van zaken hoeft niet meer te worden ingegaan op het verweer van [appellant] dat er mogelijk problemen waren met de constructie van de puien (zoals de plaats van de door [bedrijfsnaam] in de fabriek voorgeboorde schroefgaten en het ontbreken van uitsparingen in de rubbers bij de gesegmenteerde gevelelementen). Het daarop betrekking hebbende bewijsaanbod van [bedrijfsnaam] wordt als niet ter zake dienend afgewezen.

2.10

De slotsom luidt dat de grief 4 slaagt, evenals de grieven 5 tot en met 7. Het bestreden vonnis zal daarom worden vernietigd. Hetgeen door [bedrijfsnaam] in eerste aanleg meer of anders is aangevoerd kan niet tot andere oordelen leiden dan hierboven gegeven. De vordering tot terugbetaling van hetgeen [appellant] mocht hebben voldaan zal, als verder niet bestreden, worden toegewezen zoals in het dictum te melden.

2.11

[bedrijfsnaam] zal, als de in het ongelijk te stellen partij, in de kosten van het geding in eerste aanleg en van het hoger beroep worden veroordeeld.

3 Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep;

en opnieuw rechtdoende:

wijst de vorderingen van [bedrijfsnaam] af;

veroordeelt [bedrijfsnaam] tot terugbetaling van hetgeen [appellant] ter voldoening aan het bestreden vonnis heeft voldaan, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot de dag van terugbetaling;

veroordeelt [bedrijfsnaam] in de kosten van het geding in beide instanties, in eerste aanleg aan de zijde van [appellant] begroot op € 868,- aan verschotten en € 1.158,- voor salaris en in hoger beroep tot op heden op € 2.446,24 aan verschotten en € 4.632,- voor salaris en op € 131,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 68,- voor nasalaris en met de kosten van het betekeningsexploot, ingeval niet binnen veertien dagen is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordeling(en) en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders door [appellant] gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.C. Meijer, J.C.W. Rang en C. Uriot en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 17 oktober 2017.