Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:4222

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-10-2017
Datum publicatie
17-11-2017
Zaaknummer
200.166.062/01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2019:447, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzekeringsrecht. Tussentijdse beëindiging rechtsbijstandverzekering door de verzekeraar. Vervolg van ECLI:NL:GHAMS:2016:1296. Bewijsoordeel: heeft de verzekeraar de verzekering rechtsgeldig opgezegd? Toepassing artikel 7:940 lid 3 BW (tussentijdse opzegging door de verzekeraar) blijft buiten beschouwing. Twee-conclusie-regel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/6163
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer: 200.166.062/01

zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam: C/13/566145 / HA ZA 14-567

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 17 oktober 2017

inzake

BLOEMBOLLEN [X] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante,

advocaat: mr. A.H. Vermeulen te Den Haag,

tegen:

DAS NEDERLANDSE RECHTSBIJSTAND VERZEKERINGSMAATSCHAPPIJ N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

advocaat: mr. W.A.M. Rupert te Rotterdam.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna Bloembollen [X] en DAS genoemd.

In deze zaak is op 5 april 2016 een tussenarrest uitgesproken. Voor het verloop van het geding tot aan die datum wordt verwezen naar dat arrest.

DAS is in het tussenarrest tot bewijslevering toegelaten. Op 27 oktober 2016 is een getuige gehoord in enquête en vervolgens is op 21 februari 2017 een getuige gehoord in contra-enquête. Van de getuigenverhoren is proces-verbaal opgemaakt.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie na enquête, met producties;

- antwoord-memorie na enquête.

Ten slotte is wederom arrest gevraagd.

2 De verdere beoordeling in hoger beroep

2.1.

Bij brief van 14 maart 2013 heeft DAS de tussen partijen bestaande verzekeringsovereenkomst opgezegd tegen 21 mei 2013. Zij heeft zich daarbij beroepen op artikel 15.3 lid b van de op de verzekering toepasselijke algemene voorwaarden. Bloembollen [X] vordert in dit geding een verklaring voor recht dat de verzekering door DAS niet rechtsgeldig is opgezegd. Zij vordert verder dat DAS wordt veroordeeld de verzekering na te komen, onder verbeurte van een dwangsom, en wordt veroordeeld tot schadevergoeding, nader op te maken bij staat.

2.2.

Het hof heeft in het tussenarrest overwogen dat de vorderingen van Bloembollen [X] primair erop zijn gericht te bereiken dat DAS de verzekering nakomt. Zij vordert verder bijkomende schadevergoeding. DAS meent dat zij niet tot nakoming of schadevergoeding is gehouden, omdat zij de verzekering heeft opgezegd en daartoe ook was gerechtigd. Het hof is tot het oordeel gekomen dat DAS de bewijslast draagt van haar stelling dat zij de verzekering tussentijds rechtsgeldig heeft opgezegd. Hetgeen Bloembollen [X] heeft aangevoerd en erop neerkomt dat DAS de verzekering niet rechtsgeldig heeft opgezegd, omdat de kwestie over de teveel in rekening gebrachte energiekosten reeds op 5 (of 6) december 2012 bij DAS was gemeld, betreft een feitelijke onderbouwing van de betwisting van de stelling van DAS dat op 22 februari 2013 een nieuwe gebeurtenis bij DAS is gemeld. DAS is toegelaten tot het bewijs van haar stelling dat zij de verzekering heeft opgezegd binnen twee maanden nadat de verzekerde een gebeurtenis heeft gemeld die voor DAS tot verlening van rechtsbijstand kan leiden.

2.3.

In het tussenarrest, onder 2.13, is het bericht aan DAS weergegeven dat betrekking heeft op het tarief dat door Woningstichting Den Helder aan Bloembollen [X] in rekening is gebracht. Tussen partijen is niet in geschil dat dit bericht op 22 februari 2013 namens Bloembollen [X] aan DAS is toegezonden. Uit de door DAS overgelegde uitdraai van de melding, die op 6 december 2012 is gedaan (productie 1 bij memorie van antwoord), blijkt niet dat de kwestie van de energiekosten op die datum is gemeld. De in deze melding weergegeven toelichting van de zijde van Bloembollen [X] is beperkt tot de opzegging van de pachtovereenkomst door Woningstichting Den Helder. Op grond van de overige door partijen overgelegde stukken kan naar het oordeel van het hof evenmin worden vastgesteld dat DAS op 5 of 6 december 2012 van de kwestie van de energiekosten op de hoogte is gesteld. De door schadebehandelaar [C] , in dienst bij DAS, afgelegde getuigenverklaring bevestigt de door DAS in deze procedure ingenomen stelling dat het bestaan van het geschil over de energiekosten niet eerder dan op 22 februari 2013 bij DAS bekend is geworden.

2.4.

Getuige [A] van Bloembollen [X] heeft verklaard dat met Woningstichting Den Helder twee problemen aan de orde waren: de opzegging van de pachtovereenkomst en het geschil over de energiekosten. Beide kwesties hingen met elkaar samen, want deze vloeiden voort uit hetzelfde contract met Woningstichting Den Helder. Getuige [A] heeft verklaard dat hij beide kwesties met zowel schadebehandelaar [D] als [C] heeft besproken. Met zijn verklaring suggereert [A] dat de kwestie van de energiekosten bij DAS bekend was vóór 22 februari 2013, maar hij heeft niet met zoveel woorden verklaard wanneer deze kwestie bij DAS is gemeld. Zijn verklaring is onvoldoende concreet en bevestigt niet de stelling van Bloembollen [X] dat het geschil over de energiekosten daadwerkelijk op 5 of 6 december 2012 bij DAS is gemeld. [A] heeft ook niet verklaard wie die melding namens Bloembollen [X] zou hebben gedaan en op welke wijze (telefonisch, per e-mail of brief?) die melding zou zijn gedaan.

2.5.

De verklaring van [A] acht het hof van onvoldoende gewicht om hetgeen blijkt uit de overgelegde stukken en de getuigenverklaring van [C] te kunnen weerleggen. Ook het overige dat Bloembollen [X] heeft aangevoerd is daartoe niet toereikend. Dit brengt het hof tot het oordeel dat het geschil over de energiekosten niet eerder dan op 22 februari 2013 bij DAS bekend is geworden. Daarvan uitgaande wordt het volgende overwogen.

2.6.

In eerste aanleg heeft Bloembollen [X] het standpunt ingenomen dat de geschillen over de opzegging van de pachtovereenkomst en over de hoogte van de energiekosten sterk met elkaar samenhangen, zodat de melding van 22 februari 2013 die via de website is gedaan reeds daarom niet als een nieuwe melding kan worden beschouwd. De rechtbank heeft dit standpunt verworpen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de voorliggende vraag is of DAS tussentijds de verzekering kon opzeggen. In dat kader is niet het begrip zaak of procedure het criterium, en ook niet het begrip geschil of geschilpunt. Immers, artikel 15.3 lid 1 onder b van de toepasselijke algemene voorwaarden spreekt van ‘een melding van een gebeurtenis’. De term ‘gebeurtenis’ is in de algemene voorwaarden gedefinieerd als een voorval of een feitelijke ontwikkeling die moet worden beschouwd als de oorzaak van het geschil. Dat onderscheidt dit begrip reeds van het begrip geschil. Het gaat derhalve om de oorzaak van het geschil. Het geschil waarop de melding van 6 december 2012 betrekking had, zag op de door de Woningstichting Den Helder gewenste ontruiming in verband met een geplande herontwikkeling. Het geschil over de ontruiming was dus niet veroorzaakt door een verschil van inzicht over het energietarief of over de verrekening van de energiekosten met betrekking tot de woningen. Volgens de rechtbank kon dus niet gezegd worden dat de kwestie die is verwoord in de melding van 22 februari 2013 dezelfde gebeurtenis was als de melding van 6 december 2012. Dat beide geschillen voortvloeien uit dezelfde overeenkomst, zoals Bloembollen [X] betoogt, maakt dit niet anders. Dat beide geschillen vervolgens in één procedure aan de rechter zijn voorgelegd, is voor de waardering van de melding evenmin relevant, aldus nog steeds de rechtbank.
Dit oordeel van de rechtbank wordt door Bloembollen [X] als zodanig niet bestreden, zodat van de juistheid daarvan voor het hof zal worden uitgegaan. Dat leidt tot de conclusie dat de kwestie, zoals die op 22 februari 2013 via de website is gemeld, niet dezelfde gebeurtenis was (als bedoeld in artikel 15.3 lid 1 b van de algemene voorwaarden) als waarop de melding van 6 december 2012 betrekking had. De opzeggingsbrief van DAS was gedateerd op 14 maart 2013 en de beëindiging van de verzekering was aangezegd tegen 21 mei 2013. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat aldus is voldaan aan de voorwaarden van artikel 15 van de algemene voorwaarden en dat in zoverre de opzegging rechtsgeldig is gedaan.

2.7.

Het subsidiaire verweer van Bloembollen [X] , dat het schadeverloop geen reden kon zijn voor de beëindiging van de verzekering, is door de rechtbank verworpen. De rechtbank heeft tot uitgangspunt genomen dat opzegging van de verzekeringsovereenkomst slechts kon geschieden met inachtneming van de vereiste zorgvuldigheid jegens de verzekerde en dat deze niet lichtvaardig mocht geschieden. De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat van lichtvaardige opzegging in dit geval geen sprake is geweest. Niet is komen vast te staan dat DAS in strijd met de vereiste zorgvuldigheid heeft gehandeld, noch dat opzegging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. De door de rechtbank gehanteerde maatstaf en het daarop gebaseerde oordeel worden door Bloembollen [X] in de memorie van grieven niet bestreden.

2.8.

Bij pleidooi in hoger beroep heeft Bloembollen [X] aangevoerd dat artikel 7:940 lid 3 BW dwingendrechtelijk voorschrijft wanneer een verzekeraar bevoegd is een verzekering tussentijds te beëindigen. De verzekeraar kan slechts tussentijds opzeggen op de in de overeenkomst vermelde gronden die van dien aard zijn dat gebondenheid aan de overeenkomst niet meer van de verzekeraar kan worden gevergd.

2.9.

DAS heeft zich bij pleidooi verzet tegen het beroep van Bloembollen [X] op artikel 7:940 lid 3 BW. Zij meent dat dit een nieuwe grief is die op grond van de in hoger beroep geldende twee-conclusie-regel buiten beschouwing dient te worden gelaten.

2.10.

Het hof overweegt als volgt. Als grieven dienen te worden aangemerkt alle gronden die de appellant aanvoert ten betoge dat de bestreden uitspraak behoort te worden vernietigd. De appellant dient een grief in beginsel niet later dan in de memorie van grieven aan te voeren. Mede gelet op het bezwaar van DAS ziet het hof geen aanleiding af te wijken van de twee-conclusie-regel. Een uitzondering op deze regel kan aan de orde zijn als een grief of stelling verband houdt met eerst na de memorie van grieven of van antwoord voorgevallen of gebleken feiten en omstandigheden. Deze uitzondering moet zo worden begrepen dat het al te rigide zou zijn een appellant het recht te onthouden zijn stellingen aan nieuwe ontwikkelingen aan te passen. Het uitgangspunt dient te zijn dat recht wordt gesproken in het werkelijke geschil. Daarvan uitgaande moet voorkomen worden dat het geschil aan de hand van inmiddels achterhaalde of onjuist gebleken (juridische of feitelijke) gegevens zou moeten worden beslist. Het beroep op artikel 7:940 lid 3 BW heeft evenwel geen betrekking op dergelijke omstandigheden. Bloembollen [X] heeft geen afdoende verklaring gegeven voor het feit dat het genoemde standpunt niet reeds bij memorie van grieven is ingenomen. Dit alles brengt het hof tot het oordeel dat de nieuwe grief buiten beschouwing moet worden gelaten.

2.11.

De eindconclusie is dat geen van de grieven kan leiden tot vernietiging van het bestreden vonnis, zodat het vonnis dient te worden bekrachtigd. Het overige dat partijen hebben aangevoerd kan buiten bespreking blijven.

2.12.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal Bloembollen [X] worden veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.

3 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt Bloembollen [X] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van DAS begroot op € 711,00 aan verschotten en € 2.682,00 voor salaris advocaat;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.W. Hoekzema, A.L.M. Keirse en M. Jurgens en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 17 oktober 2017.