Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:4176

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-10-2017
Datum publicatie
16-10-2017
Zaaknummer
200.210.274/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Ontbinding arbeidsovereenkomst, geen sprake van opzegverbod, 7:669 lid 3 sub g BW, verstoorde arbeidsverhouding, ernstig verwijtbaar handelen werkgever, transitievergoeding en billijke vergoeding, bij het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding wegen alle omstandigheden van het geval mee.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/5335
AR-Updates.nl 2017-1255 met annotatie van P. Kruit
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.210.274/01

zaaknummers rechtbank Amsterdam : 5383275 EA 16-1135 en 5488251 EA

16-1323

beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 10 oktober 2017

inzake

[appellante] ,

wonend te [woonplaats] ,

appellante,

advocaat: mr. J. Knaap te Almere,

tegen

STICHTING CASA NEDERLAND,

gevestigd te ‘s-Gravenhage,

geïntimeerde,

advocaat: mr. E.J.L. Mulderink te Breda.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellante] en Casa genoemd.

[appellante] is bij beroepschrift met producties, ontvangen ter griffie van het hof op 24 februari 2017, in hoger beroep gekomen van de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) onder bovenstaande zaaknummers op 24 november 2016 heeft gegeven. Het beroepschrift bevat zeven grieven die ertoe strekken dat het hof de bestreden beschikking zal vernietigen. Voorts heeft [appellante] verzocht te bepalen dat het verzoek tot ontbinding ten onrechte is toegewezen en de arbeidsovereenkomst te herstellen, dan wel een billijke vergoeding van € 90.000,= toe te kennen ex artikel 7:683 lid 3 BW, althans een in goede justitie te bepalen vergoeding, dan wel te bepalen dat een billijke vergoeding van € 90.000,= wordt toegekend ex artikel 7:671b lid 8, onderdeel c, BW, met veroordeling van Casa in de kosten van beide instanties.

Op 1 mei 2017 is ter griffie van het hof een verweerschrift ingekomen. Daarin heeft Casa verzocht de beschikking van de kantonrechter Amsterdam van 24 november 2016 te bekrachtigen, althans het beroepschrift zijdens appellante af te wijzen als zijnde ongegrond en onbewezen, kosten rechtens.

De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgevonden op 7 juli 2017. Bij die gelegenheid is [appellante] verschenen, bijgestaan door mr. Knaap voornoemd, die het woord heeft gevoerd aan de hand van aan het hof overgelegde aantekeningen. Namens Casa is [X] (hierna: [X] ), kliniekmanager, verschenen, bijgestaan door mr. Mulderink voornoemd, die het standpunt van Casa heeft toegelicht, eveneens aan de hand van aan het hof overgelegde aantekeningen. Bij deze gelegenheid zijn van de zijde van [appellante] de producties 12 t/m 14 overgelegd.

Partijen hebben bewijs aangeboden van hun stellingen.

Vervolgens is de behandeling van de zaak gesloten. Uitspraak is bepaald op heden.

2 Feiten

2.1

De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking onder 1 (1.1 tot en met 1.15) de feiten vermeld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. [appellante] komt met de grieven I en II op tegen die feitenvaststelling.

2.2.

Met grief I komt [appellante] op tegen hetgeen de kantonrechter onder r.o. 1.5 van zijn beschikking tot uitgangspunt heeft genomen, namelijk dat sinds 2014 problemen zijn gerezen in de samenwerking tussen [appellante] , haar directe collega’s, artsen en verpleegkundigen en dat daarover verschillende gesprekken hebben plaatsgevonden. Hoewel Casa deze grief bestreden heeft en heeft gesteld dat zij [appellante] in 2014 heeft gewaarschuwd vanwege haar functioneren en [appellante] meermalen op haar gedrag heeft aangesproken, blijken deze feiten niet uit de overgelegde stukken. Uit het formulier van het beoordelingsgesprek op 6 augustus 2014 blijkt een aantal kritiek- en verbeterpunten, maar ook dat de algehele beoordeling ‘voldoende’ is. Evenmin blijkt daaruit dat er in 2014 problemen zouden zijn tussen [appellante] en haar collega’s. De competentie ‘samenwerken’ wordt juist als ‘goed’ aangemerkt. Dat er in 2014 meer gesprekken zouden zijn geweest met [appellante] om haar functioneren te bespreken, kan op grond van de stukken niet worden vastgesteld.

2.3

Met grief II komt [appellante] op tegen hetgeen de kantonrechter tot uitgangspunt heeft genomen in r.o. 1.6, namelijk dat er ook klachten zouden zijn geuit over de wijze waarop [appellante] cliënten bejegende. [appellante] heeft de juistheid hiervan betwist en aangevoerd dat zij niet bekend is met de anonieme e-mailberichten die Casa als producties 7 en 9 bij het inleidende verzoekschrift heeft overgelegd. Casa heeft ter bevestiging van de juistheid van de vaststelling door de kantonrechter op dit punt verwezen naar de inhoud van de anonieme e-mailberichten.

Uit de door Casa in het geding gebrachte e-mailberichten blijkt niet dat cliënten klachten hebben geuit en evenmin dat die klachten door Casa met [appellante] besproken zijn.

2.4

Het hof zal bij de vaststelling van de feiten met het voorgaande rekening houden. De feiten behelzen, samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet (voldoende) betwist zijn komen vast te staan, het volgende.

2.5

Casa biedt zorg op het gebied van anticonceptie, zwangerschapsafbreking en

seksualiteit onder meer in haar kliniek te Amsterdam (voorheen de

Oosterparkkliniek).

2.6

[appellante] , geboren [in] 1965, is op 3 juni 2008 in dienst getreden van (de

rechtsvoorganger van) Casa. Laatstelijk vervulde zij de functie van

receptioniste/administratief medewerker.

2.7

Het laatstverdiende salaris bedraagt € 2.395,56 bruto per maand bij een 32- urige

werkweek exclusief vakantiegeld en een eindejaarsuitkering van 8,33%.

2.8

[appellante] maakte deel uit van het team dat de receptie van de kliniek bedient.

2.9

Op 6 augustus 2014 heeft een beoordelingsgesprek plaatsgevonden. Het daarvan opgemaakte formulier vermeldt 3 (‘voldoende’) bij “Algehele beoordeling”.

2.10

Op 12 oktober 2015 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [A] (hierna: [A] ), personeelsfunctionaris van Casa, [X] , kliniekmanager (hierna: [X] ) en [appellante] . [appellante] was op dat moment arbeidsongeschikt. [A] heeft bij brief van 14 oktober 2015 aan [appellante] verslag van dat gesprek gedaan.

In dat verslag is onder meer vermeld dat er al geruime tijd klachten bestaan over

het functioneren van [appellante] , dat haar gedrag de samenwerking met collega’s

belemmert en hun werkplezier ontneemt en er sprake is van veel administratieve

slordigheden. Tevens vermeldt het verslag dat [appellante] heeft aangegeven zich niet in de kritiek te herkennen, dat zij geen klachten heeft ontvangen en van collega’s verwacht dat zij naar [appellante] toekomen wanneer zij klachten hebben over haar.

Tenslotte staat in het verslag dat [X] het functioneren van [appellante] zal volgen door middel van evaluatiegesprekken, dat de receptiemedewerkers aan het einde van de dag samen zullen evalueren door middel van feedback en dat de samenwerking met elkaar op de geplande werkoverleggen geagendeerd zal worden.

2.11

Vanwege de arbeidsongeschiktheid van [appellante] en de prioriteit die Casa aan de re-integratie heeft gegeven, zijn de evaluatiegesprekken uitgesteld. Tijdens de re-integratie heeft Casa [appellante] een traject bedrijfsmaatschappelijk werk laten

doorlopen en dat voor haar bekostigd. Vanaf 26 november 2015 was [appellante] voor 28% arbeidsgeschikt en vanaf 21 maart 2016 volledig arbeidsgeschikt.

2.12

Op 20 mei 2016 heeft het eerstvolgende gesprek tussen [X] , [A] en [appellante] plaatsgevonden. Bij brief van 21 mei 2016 heeft Casa daarvan verslag gedaan aan [appellante] . In die brief staat onder meer dat Casa nog geen verbetering ziet in het functioneren, de samenwerking moeizaam verloopt en [appellante] werkinhoudelijk onvoldoende functioneert. Tevens wordt vermeld dat [appellante] heeft aangegeven zich hierin niet te herkennen en dat afgesproken is dat er eens per maand evaluatiegesprekken met haar direct leidinggevende, [X] , zullen plaatsvinden waarin “aan de hand van voorbeelden” het functioneren van [appellante] besproken zal worden om “zo u de kans te bieden om uw competenties en meer in algemene zin uw functioneren te verbeteren”.

2.13

Casa heeft [appellante] met het oog op het eerste evaluatiegesprek, op 20 juni 2016 een lijst van 21, hoofdzakelijk als kritiek geformuleerde, verbeterpunten doen toekomen. [appellante] heeft daarop gereageerd door per e-mail deze punten te becommentariëren en te betwisten en daar nadere informatie over te vragen. Het eerder voorgenomen gesprek is op 20 juni 2016 niet doorgegaan.

2.14

Op 24 juni 2016 heeft het evaluatiegesprek plaatsgevonden. In het

verslag daarvan van 27 juni 2016 is onder meer vermeld dat Casa heeft

geconstateerd dat [appellante] niets heeft gedaan met de verkregen feedback en haar

functioneren niet heeft verbeterd. Zij heeft volgens Casa geen zelfreflectie

getoond, maar de hakken in het zand gezet. De verhoudingen zijn hierdoor op

scherp gesteld en er is geen basis meer voor vertrouwen. Casa heeft geconcludeerd

dat er geen andere mogelijkheid resteert dan beëindiging van het dienstverband.

2.15

Casa heeft [appellante] vanaf 27 juni 2016 vrijgesteld van werk. [appellante] heeft zich daarop per e-mail ziek gemeld. Eveneens per e-mail van 27 juni 2016 heeft [appellante]

gereageerd op het verslag van het gesprek van 24 juni 2016. Zij stelt zich daarin

onder meer op het standpunt dat de lijst van verbeterpunten van 20 juni 2016 niet voldoende is toegelicht en nooit eerder met haar is besproken.

2.16

Na een consult van juli 2016 heeft de bedrijfsarts [appellante] per 7 juli 2016 volledig

arbeidsgeschikt verklaard. Casa heeft de vrijstelling van werk gehandhaafd.

2.17

Op 5 augustus 2016 heeft [appellante] zich opnieuw ziek gemeld in verband met een

operatie.

3 Beoordeling

3.1

Casa heeft de kantonrechter verzocht de arbeidsovereenkomst met [appellante] te ontbinden. Het verzoek berust primair op verwijtbaar handelen (artikel 7:669 lid 3 onder e Burgerlijk Wetboek (BW)), subsidiair op ongeschiktheid (artikel 7:669 lid 3 onder d BW) en meer subsidiair op een verstoorde arbeidsverhouding (artikel 7:669 lid 3 onder g BW).

3.2

Aan dit verzoek heeft Casa ten grondslag gelegd dat zij, nadat zij [appellante] gedurende ongeveer twee jaar op haar functioneren heeft aangesproken, ieder vertrouwen in een vruchtbare samenwerking met [appellante] verloren heeft.

3.3

[appellante] heeft zich daartegen verweerd en verzoekt in geval de arbeidsovereenkomst desondanks wordt ontbonden om toekenning van een billijke vergoeding ten bedrage van € 90.000,= naast de transitievergoeding.

3.4

Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst tussen Casa en [appellante] ontbonden met inachtneming van het in artikel 7:671b lid 8 onder a BW bepaalde, onder toekenning van een transitievergoeding van € 7.474,= en daartoe - kort samengevat - het volgende overwogen. Tussen partijen is niet in geschil dat er sprake is van een ernstig verstoorde arbeidsverhouding. Een mogelijkheid tot herplaatsing is niet gebleken. De andere door Casa gestelde gronden voor ontbinding zijn niet voldoende uit de verf gekomen. Naar het oordeel van de kantonrechter is er geen sprake van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van Casa, zodat het verzoek van [appellante] tot toekenning van een billijke vergoeding wordt afgewezen.

3.5

Tegen deze beslissingen en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellante] met haar grieven op. Casa heeft daartegen verweer gevoerd. Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.

3.6

Met grief III komt [appellante] op tegen het oordeel van de kantonrechter dat van een verband tussen het ontbindingsverzoek en de ziekte van [appellante] niet is gebleken. Zij stelt dat zij sinds november 2013 als gevolg van glaucoom aan haar beide ogen diverse malen is uitgevallen en verschillende operaties (vijf in totaal) heeft ondergaan. [appellante] is blind geraakt aan haar rechteroog en ziet zeer slecht met haar linkeroog. [appellante] heeft voorts gewezen op de timing van de plotselinge kritiek op haar functioneren en na de reorganisatie in 2015.

3.7

Het hof stelt voorop dat ingevolge artikel 7:671b, lid 2, BW de rechter een verzoek als bedoeld in artikel 7:671b, lid 1, BW slechts kan inwilligen indien aan de voorwaarden voor opzegging van de arbeidsovereenkomst, bedoeld in artikel 7:669 BW, is voldaan en er geen opzegverbod als bedoeld in artikel 7:670 BW geldt. Evenwel bepaalt artikel 7:671b, lid 6, BW dat indien de werkgever ontbinding verzoekt op grond van artikel 7:669, lid 3, onderdelen b tot en met h, BW en een opzegverbod als bedoeld in artikel 7:670 geldt, de kantonrechter, in afwijking van artikel 7:671b, lid 2, het verzoek om ontbinding kan inwilligen, indien:

a. het verzoek geen verband houdt met omstandigheden waarop die opzegverboden betrekking hebben; of

b. er sprake is van omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst in het belang van de werknemer behoort te eindigen.

3.8

Naar het oordeel van het hof doet een situatie als bedoeld in artikel 7:671b, lid 6, onder a, BW zich in het onderhavige geval voor. Casa wenst de arbeidsovereenkomst immers te ontbinden wegens de door Casa gestelde houding van [appellante] en het gestelde disfunctioneren, terwijl er geen concrete aanwijzing bestaat dat het verzoek tot ontbinding verband houdt met de ziekte van [appellante] . Een aanwijzing voor het tegendeel is dat Casa reeds in het gesprek op 24 juni 2016 - op het moment dat [appellante] arbeidsgeschikt was - aan [appellante] kenbaar heeft gemaakt dat er wat haar betreft geen andere mogelijkheid resteerde dan een beëindiging van het dienstverband en [appellante] zich pas daarna heeft ziek gemeld.

3.9

Met de grieven IV tot en met VI komt [appellante] - kort samengevat - op tegen het oordeel van de kantonrechter dat er sprake is van een grond voor ontbinding. De arbeidsovereenkomst dient in de visie van [appellante] hersteld te worden, dan wel dient aan haar een billijke vergoeding op grond van artikel 7:683 lid 3 BW toegekend te worden. [appellante] meent verder dat indien de ontbinding al op de g-grond (verstoorde arbeidsverhouding) had kunnen worden uitgesproken, de kantonrechter aan haar , naast de transitievergoeding, een billijke vergoeding ex artikel 7:671b lid 8 onder c BW had moeten toekennen, aangezien Casa [appellante] - zou al sprake zijn van disfunctioneren, hetgeen [appellante] betwist - geen reële kans heeft geboden om haar functioneren te verbeteren, en die ook niet meer kan worden geboden omdat de arbeidsverhouding als gevolg van het handelen van Casa inmiddels zodanig is verstoord.

3.10

Casa heeft zich hiertegen verweerd en - kort samengevat - het volgende aangevoerd. Casa heeft [appellante] al twee jaar op haar functioneren aangesproken, hetgeen niet tot verbetering heeft geleid. Het disfunctioneren is met name gelegen in het gedrag en de houding van [appellante] . [appellante] heeft de klachten over haar functioneren en de kritiek daarop onvoldoende serieus genomen (problemen worden niet onderkend) en zij heeft te weinig gedaan om daarin verbetering te brengen. Daarmee staat wat Casa betreft ook vast dat er daardoor onoverbrugbare problemen zijn gerezen in de samenwerking. Verder betwist Casa dat er sprake is van ernstig verwijtbaar handelen aan haar zijde.

3.11

Het hof oordeelt als volgt. Met grief IV klaagt [appellante] allereerst over het feit dat de kantonrechter ten onrechte de volgorde van de door Casa gestelde ontslaggronden heeft genegeerd en, alvorens op de primaire (verwijtbaar handelen, artikel 7:669 lid 3 onder e BW) en subsidiaire grondslag (ongeschiktheid voor de functie, 7:669 lid 3, onder d, BW) te beslissen, begint met te overwegen dat “niet in geschil is dat sprake is van een ernstig verstoorde arbeidsverhouding”. Dit onderdeel van de klacht heeft geen zelfstandige betekenis. Ook indien een ontbindingsverzoek, zoals het onderhavige, meer gronden bevat die op een elkaar uitsluitende volgorde in het verzoekschrift zijn genoemd, dan staat het de rechter vrij om met de beoordeling van de laatstgenoemde grond aan te vangen indien hij de twee voorafgaande gronden afwijst en van die afwijzing ook blijk geeft in zijn beslissing. Daarvan is hier sprake.

3.12

Met grief IV richt [appellante] zich ook tegen de toewijzing van het verzoek op grond van de verstoorde arbeidsverhouding. Het hof is evenals de kantonrechter van oordeel dat er sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding. Het hof acht daarbij het volgende van belang.

3.13

Gebleken is dat er op 6 augustus 2014 een beoordelingsgesprek heeft plaatsgevonden tussen [appellante] en Casa waarbij haar functioneren over het algemeen als voldoende is gewaardeerd. [appellante] heeft aangevoerd dat haar functioneren tijdens een in 2015 gehouden beoordelingsgesprek ook als voldoende is gewaardeerd. Casa heeft dit, desgevraagd, niet betwist. Het gesprek van 12 oktober 2015 vond plaats drie weken nadat [appellante] , na een periode van veelvuldige afwezigheid als gevolg van ziekte, weer met haar werk aangevangen was. Deze timing is zonder uitleg, die Casa niet gegeven heeft, op zijn minst ongelukkig. Daarbij komt dat in het verslag slechts in het algemeen gesteld wordt dat er klachten zijn gerezen over haar functioneren waaronder de samenwerking met collega’s en cliënten en het maken van administratieve slordigheidsfouten, zonder dat deze klachten concreet worden toegelicht. Evenmin is gebleken dat Casa de klachten die haar zouden hebben bereikt, inhoudelijk en duidelijk met [appellante] besproken heeft zodra die werden geuit. Ook het verslag van het eerstvolgende gesprek op 20 mei 2016 vermeldt slechts in het algemeen dat er geen verbetering in het functioneren is geweest zonder dat die constatering van Casa wordt gestaafd met concrete voorbeelden.

3.14

Het is begrijpelijk dat [appellante] moeite had met deze gang van zaken en vanwege het ontbreken van een goede communicatie daarover, heeft aangegeven zich niet in de kritiek te herkennen. Evenzeer is het begrijpelijk dat [appellante] Casa om concrete voorbeelden verzocht. Waar dit in een normale arbeidsverhouding als een begrijpelijk verzoek van de werknemer zou worden opgevat, ziet Casa daarin een aanleiding om [appellante] een ontkennende houding te verwijten die de door haar gewenste verbetering illusoir zou maken. Als dan na aandringen van [appellante] , Casa ter voorbereiding van een eerste evaluatiegesprek met een concretisering van de klachten komt, en [appellante] daarop heeft gereageerd, komt van een bespreking, laat staan van het geven van de afgesproken, feedback niets terecht omdat Casa volstaat met de constatering dat [appellante] niets heeft gedaan met de (eerder) verkregen feedback, haar functioneren niet heeft verbeterd en dat Casa geen andere mogelijkheid resteert dan het dienstverband te beëindigen.

3.15

Uit deze gang van zaken blijkt dat de arbeidsverhouding tussen partijen ernstig is verstoord en er tussen hen geen enkele basis meer is om tot een constructief en oplossingsgericht gesprek te geraken. De haaks op elkaar staande verklaringen van collega’s die zowel door Casa als door [appellante] zijn overgelegd onderstrepen de ontstane verstoring. Al deze omstandigheden tezamen maken naar het oordeel van het hof dat zich de situatie voordoet als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 sub g BW, te weten een zodanig verstoorde arbeidsverhouding dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

3.16

Nu de verstoorde verstandhouding niet zozeer samenhangt met de locatie waar [appellante] werkzaam was of het soort werkzaamheden dat [appellante] verrichtte, maar met de relatie tussen [appellante] en haar werkgever als zodanig, ligt herplaatsing niet in de rede. Grief V is dan ook tevergeefs voorgesteld. Het hof wijst het verzoek tot herstel van de arbeidsverhouding daarom af. Voor het toekennen van een billijke vergoeding als door [appellante] verzocht in plaats van herstel bestaat evenmin een grond.

3.17

[appellante] heeft verder betoogd dat de verstoorde arbeidsverhouding en daarmee de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van Casa, zodat toekenning van een billijke vergoeding in de rede ligt. Casa heeft zich daartegen verweerd en aangegeven dat [appellante] in ieder geval al vanaf 2014 disfunctioneerde, dat Casa alles heeft gedaan om dat functioneren van [appellante] te verbeteren, maar dat dat niet tot resultaat heeft geleid.
Het hof oordeelt daarover als volgt.

3.17.1

Gelet op artikel 7:671b lid 8, onderdeel c, BW is voor toekenning van een billijke vergoeding plaats indien de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever zich bijvoorbeeld zal voordoen in geval een werkgever grovelijk de verplichtingen niet nakomt die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst en er als gevolg daarvan een verstoorde arbeidsverhouding ontstaat of als een werkgever een valse grond voor ontslag aanvoert met als oogmerk een onwerkbare situatie te creëren.

3.17.2

Het hof acht van belang dat uit het formulier van het functioneringsgesprek over 2014 blijkt dat [appellante] ’s functioneren over het algemeen als voldoende wordt gewaardeerd. Voorts heeft [appellante] ter zitting ten overstaan van het hof verklaard dat haar functioneren in een in 2015 gehouden functioneringsgesprek ook als voldoende beoordeeld is. Dit laatste heeft Casa, desgevraagd, niet betwist.

Het hof is van oordeel dat, als er al sprake zou zijn van disfunctioneren, hetgeen Casa heeft gesteld, maar vanwege zowel het ontbreken van een concrete gedocumenteerde onderbouwing als de gemotiveerde betwisting van [appellante] , niet is komen vast te staan, dan heeft Casa [appellante] geen reële kans geboden haar functioneren te verbeteren.

3.17.3

Het ligt op de weg van Casa als werkgever, om reële kritiek op het functioneren van [appellante] concreet te benoemen, met haar te bespreken hoe zij haar functioneren dient te verbeteren, haar daarin zo nodig te begeleiden, dit traject - zoals afgesproken - tussentijds met haar en zonodig haar collega’s te evalueren en de voortgang daarvan schriftelijk vast te leggen. Casa heeft jegens [appellante] aan deze elementaire vereisten van zorgvuldig werkgeverschap niet voldaan. Het hof licht dit als volgt toe.

3.17.4

Uit de verslaglegging van de gesprekken van 12 oktober 2015 en 20 mei 2016 blijkt niet concreet waaruit het disfunctioneren van [appellante] zou bestaan. Casa heeft zich niet gehouden aan de eerste evaluatieafspraak. Daarvoor bestond geen enkele rechtvaardiging. Integendeel. Doordat Casa [appellante] voorafgaand aan het gesprek een hele waslijst aan (vooral negatief geformuleerde kritiek-)punten heeft gegeven, is het minst genomen begrijpelijk dat [appellante] daarop (voornamelijk met kritische vragen naar de feitelijke onderbouwing) heeft gereageerd. Door, zoals Casa heeft gedaan, die opstelling van [appellante] vervolgens weer als een blijk van disfunctioneren te etaleren, en reeds in het eerste evaluatiegesprek daarin aanleiding te zien om [appellante] mee te delen van verdere samenwerking af te zien, is niet anders te duiden dan het in ernstige mate verwijtbaar verstoren van de arbeidsverhouding. Dit betekent dat een billijke vergoeding op zijn plaats is.

3.18

Bij het bepalen van de hoogte van een billijke vergoeding moeten alle omstandigheden van het geval meewegen. Uit de parlementaire geschiedenis van de WWZ blijkt dat de billijke vergoeding tot doel heeft om de werknemer voor het ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever te compenseren en een dergelijk handelen of nalaten van de werkgever te voorkomen. De mate van verwijtbaarheid van het handelen of nalaten van de werkgever speelt bij het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding derhalve een rol. De Hoge Raad heeft bij arrest van 21 april 2017 geoordeeld dat het stelsel van de WWZ zich er niet tegen verzet dat met de gevolgen van het ontslag rekening wordt gehouden bij het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het aan de werkgever te maken verwijt.

3.18.1

In het onderhavige geval acht het hof van belang hetgeen in r.o. 3.13 is overwogen over het ernstige verwijt dat Casa ten aanzien van de verstoring van de arbeidsverhouding treft. Het ontslag weegt extra zwaar voor [appellante] vanwege haar persoonlijke omstandigheden, te weten: haar slechte arbeidsmarktpositie door haar leeftijd en haar ernstige oogziekte die haar reeds het zicht van een van haar ogen heeft ontnomen.

3.18.2

Sinds augustus 2016 is [appellante] arbeidsongeschikt vanwege de ziekte aan haar ogen. Het is te verwachten dat [appellante] nog uiterlijk twee jaar in dienst zou zijn geweest bij Casa, indien zij onafgebroken ziek zou zijn gebleven. De beëindiging van haar arbeidsovereenkomst betekent voor haar bij benadering € 67.000,= aan loonschade. Het hof volgt Casa in haar stelling dat van dat bedrag de uitkering (van ongeveer 70% van haar laatstverdiende loon) afgetrokken moet worden die [appellante] na einde van het dienstverband zal ontvangen. Als gevolg van de ontbinding van de arbeidsovereenkomst, heeft [appellante] schade geleden die niet wordt gedekt door de transitievergoeding.

3.18.3

Op grond van al deze omstandigheden van het onderhavige geval en de ernst van het aan Casa te maken verwijt, acht het hof een vergoeding van € 20.000,- billijk. Casa heeft aangevoerd dat bij de bepaling van de hoogte van de billijke vergoeding rekening moet worden gehouden met het feit dat er bij haar een reorganisatie zal gaan plaatsvinden, waardoor de functie van receptioniste zal vervallen en het niet in de verwachting ligt dat [appellante] , zou de arbeidsovereenkomst worden hersteld, nog twee jaar in dienst zou kunnen blijven. Casa heeft hieromtrent geen stukken overgelegd en een en ander onvoldoende toegelicht, zodat het hof deze omstandigheid niet kan meewegen bij haar beoordeling.

3.19

Partijen hebben geen bewijs aangeboden van feiten en omstandigheden die, indien bewezen, tot een ander oordeel zouden leiden.

3.20

De slotsom is dat de bestreden beschikking zal worden bekrachtigd wat betreft de door de kantonrechter uitgesproken ontbinding, maar worden vernietigd voor zover de kantonrechter het verzoek van [appellante] tot toekenning van een billijke vergoeding heeft afgewezen. Casa zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Uit het vorenstaande volgt dat de grief van [appellante] dat de kantonrechter ten onrechte de kosten heeft gecompenseerd, slaagt (grief VII).

4 Beslissing

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover daarbij de vordering van [appellante] om Casa te veroordelen haar een billijke vergoeding te betalen, is afgewezen, en in zoverre opnieuw rechtdoende:

kent aan [appellante] een billijke vergoeding toe ten laste van Casa van € 20.000,= bruto;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige;

veroordeelt Casa in de proceskosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [appellante] begroot op € 313,= aan verschotten en € 1.788,= voor salaris;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.M. Aarts, D. Kingma en H.M.M. Steenberghe en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 10 oktober 2017.