Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:417

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-02-2017
Datum publicatie
17-02-2017
Zaaknummer
23-004720-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Poging doodslag. Ovar. Nu het hof de precieze gang van zaken bij het schietincident niet heeft kunnen vaststellen, moet bij beantwoording van de vraag of sprake is geweest van noodweer worden uitgegaan van de niet onaannemelijke lezing van de verdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-004720-13

datum uitspraak: 9 februari 2017

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 17 oktober 2013 in de strafzaak onder parketnummer 13/457843-08 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Colombia) op [geboortedag] 1972,

adres: [adres 1].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzittingen in hoger beroep van 25 en

26 januari 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 18 december 2008 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet een of meermalen met een vuurwapen op het lichaam en/of in de richting van het lichaam van die [slachtoffer] heeft geschoten.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank, die haar beslissing mede heeft gebaseerd op aannames die naar het oordeel van het hof ook destijds niet werden ondersteund door objectief bewijs.

Bewezenverklaring

Vast is komen te staan dat de verdachte op 18 december 2008 in de woning van [slachtoffer] aan de [adres 2] in Amsterdam drie keer met een revolver op die [slachtoffer] heeft geschoten, waarbij deze in het bovenlichaam en het hoofd is geraakt. Door dit handelen van de verdachte is de aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer] ontstaan. Het beschreven handelen is naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zo zeer gericht op de dood van [slachtoffer] dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte die aanmerkelijke kans ook bewust heeft aanvaard.

Het hof acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 18 december 2008 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet meermalen met een vuurwapen op het lichaam van die [slachtoffer] heeft geschoten.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep

in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Kwalificatie van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

poging tot doodslag.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft in hoger beroep gesteld dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hij op 18 december 2008 heeft gehandeld uit noodweer(exces).

De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat, kort gezegd, [slachtoffer] in de woning op enig moment een mes en een revolver haalde, de verdachte vervolgens met dat mes heeft bedreigd, met dat mes zwaaiende en stekende bewegingen in de richting van de verdachte heeft gemaakt, terwijl de verdachte geen kant op kon, en de verdachte daarbij aan de binnenkant van zijn been heeft geraakt en in de schouder heeft gestoken. De verdachte heeft daarop [slachtoffer] weggeduwd en de revolver gepakt en daarmee, toen [slachtoffer] wederom dreigend met het mes in de richting van de verdachte kwam, in paniek drie keer kort achter elkaar op [slachtoffer] geschoten, met het doel [slachtoffer] van zich af te houden.

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte in de door hem gegeven omstandigheden een beroep op noodweer toekomt en derhalve dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Oordeel van het hof

Het hof stelt voorop dat bij de beoordeling van een beroep op noodweer nauwkeurige en consistente feitelijke vastleggingen van belang kunnen zijn, waarbij de last tot het aannemelijk maken van die feitelijke grondslag niet uitsluitend op de verdachte mag rusten.

In de onderhavige strafzaak is wezenlijk bewijsmateriaal verloren gegaan, enerzijds door vernietiging van in beslag genomen voorwerpen, waardoor nader onderzoek aan deze voorwerpen niet heeft kunnen plaatsvinden en anderzijds door (voor de hulpverlening aan het slachtoffer [slachtoffer] noodzakelijke) verplaatsing van voorwerpen op de plaats delict. Dit brengt mee dat behoedzaam dient te worden omgegaan met de vaststelling van de feiten en de waardering van de elkaar op cruciale punten tegensprekende lezingen van de verdachte en [slachtoffer].

De lezing van [slachtoffer] houdt, kort gezegd, in dat in de woning een worsteling ontstond tussen hem en de verdachte, dat hij geen mes in handen heeft gehad, dat de verdachte plotseling een revolver tevoorschijn haalde, waarmee hij éénmaal schoot op hem ([slachtoffer]), hij ([slachtoffer]) hierdoor op de grond terecht kwam, waarna de verdachte gericht op zijn bovenlichaam en vervolgens op zijn hoofd schoot.

Vast is komen te staan dat de verdachte op 18 december 2008 naar de woning van [slachtoffer] is gegaan om hem geld en horloges terug te geven. In de woning heeft een confrontatie tussen de verdachte en [slachtoffer] plaatsgevonden, die is geëscaleerd in de woonkamer. De verdachte heeft met een revolver drie kogels op [slachtoffer] afgevuurd. [slachtoffer] is door deze drie kogels in het lichaam en het hoofd getroffen. In de woning is de revolver waarmee de verdachte heeft geschoten aangetroffen. Op de vloer van de woonkamer is een mes gevonden naast de ernstig verwonde [slachtoffer]. Bij de verdachte is een oppervlakkige steekverwonding in de linker bovenarm geconstateerd.

Het hof heeft niet kunnen vaststellen wat overigens de precieze gang van zaken is geweest bij het schietincident. Van belang is tevens dat het verrichte (technische) onderzoek en de gehouden reconstructie onvoldoende aanknopingspunten hebben geboden om de lezing van de verdachte te kunnen weerleggen. Bij die stand van zaken is het hof van oordeel dat, nu de lezing van de verdachte niet onaannemelijk kan worden geacht, bij de beantwoording van de vraag of sprake is geweest van noodweer dan wel noodweerexces, van die lezing dient te worden uitgegaan.

Nu deze lezing inhoudt dat [slachtoffer] in een kleine ruimte de verdachte heeft aangevallen en heeft gestoken met een mes van aanzienlijke omvang, is het hof van oordeel dat sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van de verdachte, waaraan de verdachte zich niet heeft kunnen onttrekken en waartegen hij zich, mede gelet op de aard van de aanval en het gebrek aan redelijke alternatieven, heeft mogen verweren op de wijze als hij heeft gedaan.

Aldus is sprake van noodweer en levert het bewezen verklaarde geen strafbaar feit op.

De verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 196.196,95. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 121.546,56. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Het hof zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering aangezien de verdachte geen straf of maatregel wordt opgelegd.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde niet strafbaar en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

1. trui (350467)

1. shirt kleur zwart (3504674 )

12 st. bankbescheiden Rabobank envelop Rabobank t.n.v. Kaptein in plastic zak woonkamer (3504700)

4 st. brief t.n.v. Kaptein in plastic zak woonkamer (3504705)

1. bankbescheid map met rekeningoverzicht t.n.v. Kaptein in koffer (3504708)

Gelast de teruggave aan [slachtoffer] van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

1. shirt kleur grijs AAAS6339NL aangetroffen vloer woonkamer/afkomstig van so (3507415)

1. st. papier envelop aangetroffen bureau, inhoudende geld (3507422 )

geld euro 4.500,00 31x100 euro en 26x50 euro (3507468 - KVI 18-12-08)

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

1. zaktelefoon Samsung (3504707 )

2 st. wapen – 2 kogelpunten uit het lijf van [slachtoffer] (3557728)

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. W.M.C. Tilleman, mr. F.M.D. Aardema en mr. H.M.J. Quaedvlieg, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Huizenga, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

9 februari 2017.

[..............]

.