Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:4168

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-10-2017
Datum publicatie
26-03-2018
Zaaknummer
200.199.914/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervolg van ECLI:NL:HR:2015:2461,NJ 2015/354. Nadere instructie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer: 200.199.914/01

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 10 oktober 2017

inzake

[X] BEHEER B.V.,

gevestigd te Katwijk,

appellante,

tevens incidenteel geïntimeerde,

advocaat: mr. P.S. Kamminga te Den Haag,

tegen:

[Y] B.V.,

gevestigd te Leiderdorp,

geïntimeerde,

tevens incidenteel appellante,

advocaat: mr. D.A. Beck te Leiden.

1 Het geding na verwijzing door de Hoge Raad

Partijen worden hierna [X] en [Y] genoemd.

Bij arrest van 4 september 2015 heeft de Hoge Raad onder zaaknummer 14/00382 de door het gerechtshof Den Haag in deze zaak (onder zaaknummer 200.085.001/01) genomen rolbeslissingen en het op 17 september 2013 uitgesproken arrest vernietigd en het geding ter verdere behandeling en beslissing verwezen naar dit hof.

[Y] heeft [X] bij exploot van 5 augustus 2016 opgeroepen om het geding te hervatten.

[Y] heeft vervolgens een memorie na verwijzing, met productie, ingediend, waarna [X] eveneens een memorie na verwijzing, met productie, heeft ingediend.

Ten slotte is arrest gevraagd.

2 Beoordeling

2.1.

Het geschil van partijen betreft, kort gezegd, de afwikkeling van de tussen partijen bestaande rechtsverhouding, waaronder de verkoop per 1 januari 2003 van Brasserie [Y]’s Verjaardag door [X] aan [Y]. Het verloop van de procedure die daarover tot in hoogste instantie is gevoerd laat zich als volgt samenvatten.

2.2.1.

De rechtbank heeft bij vonnis van 24 november 2010 in conventie [Y] veroordeeld een bedrag van € 606.000,- aan [X] te voldoen, te vermeerderen met wettelijke rente, en in renconventie [X] veroordeeld om bedragen van € 415.137,44 en € 50.000,-, met contractuele rente, aan [Y] te betalen.

2.2.2.

[X] is bij dagvaarding van 21 februari 2011 van dit vonnis in hoger beroep gekomen. Nadat de zaak een aantal keren was aangehouden voor het nemen van een memorie van grieven en de zaak daartoe was verwezen naar de rol van 31 juli 2012, is deze op verzoek van [Y] vervroegd op de rol van 28 februari 2012 gebracht.

Op 13 maart 2012 is vervolgens tegen [X] akte van niet-dienen verleend.

2.2.3.

Bij brief van 25 april 2012 heeft de toenmalige advocaat van [X], mr. J.L.G.M. van der Lans (hierna: mr. Van der Lans) verzocht om alsnog een memorie van grieven te mogen nemen.

Op de rol van 8 mei 2012 heeft zich een nieuwe advocaat gesteld voor [X], mr. J.F. Grégoire (hierna: mr. Grégoire).

Op de rol van 19 juni 2012 heeft de rolraadsheer beslist dat [X] alsnog een memorie van grieven mocht nemen en is die memorie ook daadwerkelijk genomen.

Bij brief van 22 juni 2012 heeft de advocaat van [Y], mr. D.A. Beck (hierna: mr. Beck), bezwaar gemaakt tegen het alsnog toestaan van de memorie van grieven en het hof verzocht de desbetreffende rolbeslissing te heroverwegen. Mr. Grégoire heeft hierop bij brief van 11 juli 2012 namens [X] gereageerd. De rolraadsheer heeft ter rolle van 9 oktober 2012 beslist dat geen redelijk belang van [Y] was gediend bij een weigering van het verzoek van [X] om alsnog de memorie van grieven te mogen nemen. Deze beslissing is per brief van 15 oktober 2012 aan partijen medegedeeld.

[Y] heeft daarna een memorie van antwoord, alsmede memorie van grieven in incidenteel appel, genomen. [X] heeft daarop bij memorie van antwoord in incidenteel appel gereageerd.

Het eerste hof heeft op 17 september 2013 arrest gewezen en daarbij, onder vernietiging van de daaraan gewijde onderdelen van de motivering en/of dictum van de bestreden vonnissen, in het principale beroep de door [Y] in reconventie gevorderde betaling van € 50.000,-, met contractuele rente, alsnog afgewezen en in het incidentele beroep de ingangsdatum van de in conventie toegewezen wettelijke rente bepaald op 16 oktober 2007 (in plaats van 1 januari 2006). Voor het overige is het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.

2.2.4.

Door [Y] is beroep in cassatie ingesteld. In cassatie is geprocedeerd over de vraag of het hof Den Haag op de in zijn rolbeslissing van 9 oktober 2012 en in zijn arrest (in rechtsoverweging 3) vermelde grond mocht teruggekomen van de beslissing om akte niet-dienen te verlenen. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat (de rolraadsheer van) het hof daarbij een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd en heeft de rolbeslissingen van het hof Den Haag van 19 juni 2012 en 9 oktober 2012 alsmede het arrest van 17 september 2013 vernietigd.

De Hoge Raad overweegt hiertoe, voor zover van belang, dat de beslissing tot het verlenen van een akte niet-dienen een tussenarrest is waarbij een bindende eindbeslissing is gegeven. Het hof mag van een dergelijke beslissing in beginsel niet terugkomen. Gelet op het ingrijpende gevolg van het niet-dienen van grieven zal (de rolraadsheer van) het hof evenwel op verzoek van de appellant moeten nagaan of de eisen van een goede procesorde meebrengen dat van die eindbeslissing moet worden teruggekomen. Dat is bijvoorbeeld het geval indien die beslissing blijkt te berusten op een onjuiste feitelijke of juridische grondslag, en voorts ingeval het op grond van een afweging van de aard van de fout die tot het niet nemen van het betrokken gedingstuk leidde en van alle betrokken belangen en omstandigheden, onaanvaardbaar zou zijn om aan de gegeven beslissing vast te houden en geen gelegenheid te geven tot herstel van de fout.

2.3.

Van het procesverloop in hoger beroep tot aan de op 13 maart 2012 verleende akte niet-dienen is voor de beoordeling van de vraag of er grond was om van die beslissing terug te komen het volgende relevant.

Zoals hierboven onder 2.2.2 is overwogen is [X] op 21 februari 2011 bij het hof Den Haag in hoger beroep gekomen van het op 24 november 2010 door de rechtbank Den Haag gewezen eindvonnis. Als advocaat van [X] trad daarbij op mr. Van der Lans. Namens [Y] heeft zich ter rolle van 5 april 2011 mr. Beck gesteld.

Op enigerlei moment is de zaak naar de rol van 31 juli 2012 verwezen voor het nemen van de memorie van grieven.

In februari 2012 heeft mr. Beck de zaak op de rol van 28 februari 2012 laten brengen en [X] op die rol peremptoir gesteld onder aanzegging van een akte niet-dienen indien de memorie van grieven niet uiterlijk op 13 maart 2012 zou worden genomen. Mr. Beck heeft de vervroegde opbrenging en peremptoirstelling aangekondigd en een akte niet-dienen aangezegd in aan mr. Van der Lans gerichte brieven van 2 februari en 10 februari 2012.

De akte is vervolgens verleend (waarna Mr. Beck namens [Y] het hof heeft verzocht om het vaststellen van een datum voor het nemen van een memorie van grieven in het incidenteel appel).

Nadat mr. Lans en vervolgens mr. Grégoire daartoe verzoeken hadden gedaan is het hof op zijn beslissing tot het verlenen van akte niet-dienen teruggekomen en heeft [X] op 19 juni 2012 alsnog van grieven gediend.

2.4.

[Y] stelt zich op het standpunt dat de peremptoirstelling en aanzegging van de akte van niet-dienen is geschied met inachtneming van hetgeen ter zake voorgeschreven was. Zij verwijst in dit verband naar de bij memorie van antwoord overgelegde brieven van mr. Beck aan mr. Van der Lans waaronder met name de brief van 2 februari 2012 waarin wordt aangekondigd dat de zaak vervroegd op de rol zal worden gebracht en de brief van 10 februari 2012 met daarbij een afschrift van een H-formulier waarin het hof wordt verzocht om de zaak bij vervroeging op de rol van 28 februari 2012 te brengen met het oog op peremptoirstelling en akte niet-dienen op 13 maart 2012.

2.5.

Uit de procestukken met betrekking tot het geding in eerste aanleg blijkt dat (ook) in die instantie mr. Van der Lans als advocaat van [X] optrad en dat hij ten tijde van de inleidende dagvaarding verbonden was aan het kantoor Van Diepen Van der Kroef Advocaten (Oranjestraat 6 2514 JB Den Haag). Ten tijde van de door hem namens [X] uitgebrachte appeldagvaarding van 21 februari 2011 was mr. Van der Lans verbonden aan het kantoor Kortman Advocaten gevestigd aan de Raamweg 3 2596 HL Den Haag, aan welk laatste adres [Y] op haar beurt een appeldagvaarding van 23 februari 2011 heeft doen uitbrengen. Op 22 juni 2011 heeft mr. Van der Lans aan mr. Beck een brief gericht met in de kop van de brief de vermelding van dit laatste kantoor en adres (onderdeel van productie 4 bij memorie van antwoord).

Uit de door mr. Van der Lans aan het hof Den Haag gerichte brieven van 25 april 2012 en 7 mei 2012 valt op te maken dat hij toen inmiddels verbonden was aan het kantoor Hofwijck Advocaten, gevestigd aan de Hoge Prins Willemstraat 168 2584 HX Den Haag.

2.6.

De brieven van mr. Beck van 2 februari 2012 en 10 februari 2012 aan mr. Van der Lans zijn echter gericht aan Hastae Advocatuur t.a.v. de heer mr. J. van der Lans, de eerste geadresseerd aan een postbusnummer (postbus 97717), de tweede aan Stadhoudersplantsoen 92, 2517 SH ‘s-Gravenhage. Mr. Beck heeft hiervoor als verklaring gegeven dat uit gegevens van de Orde van Advocaten zou zijn gebleken dat mr. Van der Lans tot 17 februari 2012 was verbonden aan laatstbedoeld kantoor.

Dit laatste valt echter niet zonder meer te rijmen met de (adres)gegevens vermeld in de twee dagvaardingsexploten. In ieder geval is daarmee niet zonder meer gezegd dat mr. Van der Lans ten tijde van de brieven van mr. Beck gebruik maakte van genoemd postbusnummer en/of kantoor hield op laatstgenoemd adres. Vooralsnog kan daarom niet worden vastgesteld dat de mededeling in de brief van mr. Van der Lans aan het hof Den Haag van 7 mei 2012 (productie 3 bij memorie van antwoord alsmede memorie van grieven in incidenteel appel) inhoudende dat de akte van niet-dienen hem niet was aangezegd en ook zijn vorige kantoor, Kortman Advocaten, niets van een peremptoirstelling en een akte niet dienen wist, omdat bedoelde brieven hem indertijd wegens foutieve adressering niet hebben bereikt, onjuist is.

2.7.

In het licht van dit een en ander valt vooralsnog niet uit te sluiten dat in het onderhavige geval aan de hierboven in 2.2.4 bedoelde maatstaf is voldaan en partij [X] indertijd terecht de gelegenheid is geboden om alsnog een memorie van grieven te nemen.

Alvorens hierover te beslissen zal het hof partijen in de gelegenheid stellen om zich over het voorgaande bij akte uit te laten, eerst [Y] en vervolgens [X]. Daarbij is het hof in het bijzonder erom te doen dat duidelijkheid wordt verkregen over waar precies mr. Van der Lans ten tijde van de brieven van mr. Beck van 2 en 10 februari 2012 kantoor hield en in voorkomend geval welk postbusnummer hij daarbij gebruikte.

3 Beslissing

Het hof:

- verwijst de zaak naar de rol van 7 november 2017 voor het nemen door [Y] van een akte als bedoeld onder 2.7;

- verstaat dat [X] in de gelegenheid zal zijn om vier weken na het nemen van de akte door [Y] daarop bij antwoord-akte te reageren;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.S. Arnold, E.E. van Tuyll van Serooskerken-Röell en D. Knottenbelt en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 10 oktober 2017.