Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:4156

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-10-2017
Datum publicatie
23-10-2017
Zaaknummer
200.098.951/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenarrest. De werkzaamheden van de assurantietussenpersoon vielen niet onder de verzekerde hoedanigheid als “agent van een bankinstelling”, als opgenomen in de verzekeringspolis. Voor het antwoord op de vraag of de werkzaamheden van de assurantietussenpersoon vielen onder de verzekerde hoedanigheid van de verzekeringspolis moet concreet worden beoordeeld of deze waren aan te merken als bemiddeling bij het sluiten van een verzekering (vgl. artikel 1 onder b Wet assurantiebemiddelingsbedrijf (oud): hierna: Wabb)) en/of als bemiddeling bij financiering en hypotheekverlening en aldus waren gedekt onder de verzekeringspolis. Slechts gedeeltelijke dekking. Zie ECLI:NL:GHAMS:2014:2494 en ECLI:NL:GHAMS:2015:3706.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/5473
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.098.951/01

zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : 438017 / HA ZA 09-2959

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 10 oktober 2017

inzake

1) HUVASS BEHEER B.V.,

2) [X] ADVIESGROEP B.V.,

beiden gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellanten,

advocaat: mr. H. Lebbing te Rotterdam,

tegen

VERENIGDE ASSURANTIEBEDRIJVEN NEDERLAND B.V.,

tevens handelend onder de naam BAVAM,

gevestigd te Rijswijk,

geïntimeerde,

advocaat: mr. F. van der Woude te Amsterdam.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna Huvass, [X] Adviesgroep, gezamenlijk Huvass c.s. en Bavam genoemd.

Op 8 september 2015 is in dit geding een tussenarrest gewezen. Voor het verloop van de procedure tot aan die datum verwijst het hof naar dat arrest.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- akte na tussenarrest, tevens houdende vermeerdering van eis, met producties; en

- antwoordakte na tussenarrest.

Bij rolbeslissing van 30 augustus 2016 zijn partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het arrest van het hof ’s-Hertogenbosch van 16 januari 2016. Vervolgens zijn de volgende stukken ingediend:

- akte uitlating eindarrest hoofdprocedure [Y] , tevens eiswijziging; en

- antwoordakte na tussenarrest.

Ten slotte is arrest gevraagd.

2 Feiten

In aanvulling op het bestreden vonnis van 12 oktober 2011, onder 2.1 tot en met 2.11, en het tussenarrest van 8 april 2014, onder 3.1 tot en met 3.3, stelt het hof de volgende feiten vast.

2.1

In de polis van 28 mei 1997 staat, voor zover hier van belang, het volgende:

‘Voorwaarden Algemene Voorwaarden voor Beroepsaansprakelijkheidsverzekering voor Assurantietussenpersonen en Makelaars in onroerende goederen (model 1992)

(…)

Op deze polis is verzekerd:

1 de Beroepsaansprakelijkheid van Verzekerde als Assurantietussenpersoon

Uitgesloten van de verzekering is:

- bemiddeling bij financiering en hypotheekverlening

- het optreden als gevolmachtigde van een verzekeringsmaatschappij

- bemiddeling bij herverzekering

- bemiddeling buiten Nederland

tenzij in de bijzondere voorwaarden anders bepaald is.

(…)

Bijzondere voorwaarden voor de Beroepsaansprakelijkheidsverzekering van Assurantietussenpersonen

001 Financiering/Hypotheken

Op deze polis is meeverzekerd de aansprakelijkheid van verzekerde voortvloeiend uit de bemiddeling bij financiering en hypotheekverlening.

129 Bancaire diensten

Aangetekend, dat deze verzekering eveneens van kracht is indien verzekerde optreedt als agent van een bankinstelling.

(…).

Geen dekking bestaat voor aansprakelijkheid als gevolg van gegeven garanties over valutakoers ontwikkelingen dan wel koersontwikkelingen en/of rentabiliteit van aandelen, obligaties en andere vormen van beleggingen.’

2.2

In 1997 heeft [Y] (hierna: [Y] ), via tussenkomst van de vennootschap onder firma [X] Assurantiën (hierna: vof), met Aegon Financiële Diensten B.V. (hierna: Aegon) een Vliegwiel kapitaalovereenkomst gesloten. De overeenkomst betrof het voor een periode van 5 jaar in lease nemen van een aantal aandelen voor een aankoopbedrag van in totaal fl. 27.789,60.

2.3

In 1998 heeft [Y] , via de vof, een lijfrenteverzekering gesloten met Aegon. Blijkens de polis werd voor 50% belegd in aandelen Fortis Obam en voor 50% in aandelen Aegon Index Plus Fonds.

2.4

[Y] heeft, via tussenkomst van de vof, op 14 september 1998 een hypothecaire geldlening gesloten met Royal Residentie Hypotheken B.V. (hierna: Royal). Na aflossing van de al bestaande hypotheek is het resterende geleende bedrag tezamen met een ander bedrag in een nieuw geopend beleggingsdepot bij Royal gestort.

2.5

Ook heeft [Y] , via tussenkomst van de vof, op 1 oktober 1998 bij Royal een hypotheekverzekering afgesloten en een Royal Future Pensioenverzekering. De maandelijkse rentelasten voor de hypothecaire geldlening alsmede de periodieke premies voor de hypotheekverzekering en de pensioenverzekering zouden uit het depot worden betaald. Het volledige in het depot gestorte bedrag is belegd in beleggingsfondsen.

2.6

In een brief van de vof aan Bavam van 19 juni 2000 staat, voor zover hier van belang, het volgende:

‘Graag ontvingen wij een bevestiging van het gegeven dat u er van op de hoogte bent dat ons kantoor, in verband met de bemiddeling in effectenproducten, staat ingeschreven bij de S.T.E.’

2.7

In de polis van 24 juli 2007 staat, voor zover hier van belang, het volgende:

‘Op deze polis is verzekerd:

(…)

Clientenremisier en bemiddelaar Sparen en Betalen

(voorwaarden CM-2006: rubriek I en IV).

2.8

In de Polisvoorwaarden Model CM-2006 staat, voor zover hier van belang, het volgende:

Art. 25.2 Cliëntenremisier

Indien dit uit een aantekening op het polisblad blijkt is tevens gedekt de aansprakelijkheid in de hoedanigheid van cliëntenremisier. Wanneer in het geval van een aanspraak blijkt dat verzekerde zijn bevoegdheid als cliëntenremisier heeft overschreden bestaat er geen dekking.’

3 Beoordeling

3.1

Bij arrest van 8 april 2014 heeft het hof geoordeeld dat de grieven 1, 2 en 3 slagen, dat Huvass als verzekerde dient te worden aangemerkt en Bavam in beginsel aan Huvass dekking dient te verlenen. Het hof heeft voorts geoordeeld dat de grieven 4 en 5 falen. Ten slotte heeft hof overwogen (r.o. 3.40) dat het debat tussen partijen in de onderhavige procedure zich in hoofdzaak heeft geconcentreerd op de vraag wie vorderingsgerechtigd is onder de verzekering. Het hof achtte zich nog onvoldoende door partijen voorgelicht om definitief te kunnen vaststellen voor welke (beweerde) gedragingen Huvass c.s. precies worden aangesproken en of en in hoeverre die gedragingen binnen de verzekerde hoedanigheid zijn verricht.

3.2

Bij tussenarrest van 8 september 2015 heeft het hof overwogen (r.o. 2.4) dat Huvass c.s. in de gelegenheid worden gesteld – concreet en gespecificeerd en zoveel als mogelijk met stukken onderbouwd – een nadere toelichting te geven op:

- de totstandkoming en uitleg van clausule 129 zoals opgenomen in de polis van 1997 in het licht van de in deze polis omschreven verzekerde hoedanigheid en de polisvoorwaarden als geheel;

- de totstandkoming en uitleg van de omschrijving van de verzekerde hoedanigheid in de polissen van latere datum (voor zover voor het geschil nog relevant) in het licht van de polisvoorwaarden als geheel;

- de concrete opdracht die door [Y] aan de vof is gegeven;

- de wijze waarop de vof de opdracht van [Y] feitelijk heeft ingevuld en uitgevoerd;

- de periode waarin de opdracht door [Y] is gegeven en door de vof is uitgevoerd;

- de aard en omvang van de vorderingen die door [Y] in de aansprakelijkheidszaak zijn ingesteld;

- de stand van zaken in de aansprakelijkheidszaak; en

- de overige omstandigheden van het geval die voor de beoordeling van de voorliggende dekkingsvraag relevant zijn.

3.3

Bij rolbeslissing van 30 augustus 2016 heeft het hof partijen in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over het eindarrest van het gerechtshof

’s-Hertogenbosch van 26 januari 2016 (ECLI:NL:GHSHE:2016:189) in de zaak tussen Huvass, [Y] en [Y2] (hierna: gezamenlijk [Y] c.s.) en de consequenties daarvan voor onderhavige zaak.

3.4

Kort gezegd stellen Huvass c.s. in onderhavige zaak dat de in 1997 en 1998 voor [Y] c.s. verrichte werkzaamheden inzake de Vliegwiel kapitaalovereenkomst zijn verricht in de hoedanigheid van cliëntenremisier, dat deze werkzaamheden van de vof als cliëntenremisier ook onder de polis van 1997 vielen, omdat in deze polis word gesproken wordt over “agent van een bankinstelling”, dat de werkzaamheden inzake het afsluiten van de lijfrenteverzekering met Aegon in de hoedanigheid van assurantietussenpersoon zijn verricht en dat de werkzaamheden inzake het afsluiten van de beleggingshypotheek met Royal zijn verricht in de hoedanigheid van hypotheekadviseur. Het hof overweegt als volgt.

Beoordelingskader/cliëntenremisier

3.5

Tot de invoering van de Wet op het financieel toezicht, op 1 januari 2007, was een effectenbemiddelaar degene die bedrijfs- of beroepsmatig werkzaam was bij de totstandkoming van transacties in effecten (artikel 1 onder b en sub 1 Wet toezicht effectenverkeer 1995 (hierna: Wte 1995)). Krachtens artikel 12 Vrijstellingsregeling Wte 1995 (hierna: VrWte 1995) konden cliëntenremisiers gebruik maken van een generieke vrijstelling, mits zij zich lieten registreren bij de destijds geheten Stichting Toezicht Effectenverkeer (hierna: STE). In een beleidsbrief van 5 februari 2002 heeft de STE zich over de werkzaamheden van de cliëntenremisiers uitgelaten (vgl. HR 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012, 4.6.4):

‘Indien een cliëntenremisier klanten die bij effecteninstellingen worden of zijn aangebracht, tevens beroeps- of bedrijfsmatig adviseert over (specifieke) effectentransacties, dan verricht hij feitelijk orderremisier- dan wel vermogensbeheeractiviteiten en is hij vergunningplichtig. Het is daarbij niet relevant of de klanten effectenorders zelf doorgeven aan de betrokken effecteninstelling.

De cliëntenremisier mag (potentiële) klanten wel informeren over kenmerken van beleggingscategorieën (informatie over wat een aandeel is, wat een obligatie is of wat effectenleaseproducten zijn), omdat dit geen adviezen over effectentransacties of beheeractiviteiten betreffen.

De cliëntenremisier mag dus niet beroeps- of bedrijfsmatig adviseren c.q. aanprijzen om bijvoorbeeld een specifiek aandeel, een specifiek beleggingsfonds of een bepaalde obligatie of een specifiek effectenleaseproduct te kopen.

Indien de cliëntenremisier een transactiegerelateerde vergoeding (bijvoorbeeld provisie, commissie of een andersoortige vergoeding) ontvangt van de uitvoerende effecteninstelling, gaat de STE er van uit dat de cliëntenremisier beroeps- of bedrijfsmatig adviseert en derhalve vergunningplichtig is, tenzij de cliëntenremisier aantoont dat hij geen adviezen over effectentransacties verstrekt aan betrokken klanten. De cliëntenremisier kan dit bijvoorbeeld aantonen door middel van schriftelijke stukken waarin aan de klant wordt gecommuniceerd dat de cliëntenremisier de klant niet mag adviseren over effectentransacties.’

3.6

De vrijstellingsregeling bracht volgens de STE aldus met zich dat het cliëntenremisiers niet was toegestaan cliënten bij een effecteninstelling aan te brengen die tevens door de cliëntenremisier beroeps- of bedrijfsmatig waren geadviseerd over (specifieke) effectentransacties. Dan zouden orderremisier- dan wel vermogensbeheeractiviteiten worden verricht en was hij vergunningplichtig (vgl. de hiervoor aangehaalde brief van de STE). Een cliëntenremisier mocht (potentiële) cliënten bijvoorbeeld wel informeren over de kenmerken van beleggingscategorieën (informatie over wat een aandeel is, wat een obligatie is of wat effectenleaseproducten zijn), omdat dit geen adviezen over effectentransacties of beheeractiviteiten betroffen (vgl. de hiervoor aangehaalde beleidsbrief van de STE).

Agent van een bankinstelling

3.7

Huvass c.s. hebben betoogd dat de onder clausule 129 genoemde verzekerde hoedanigheid van “agent van een bankinstelling” alleen woordelijk verschilt van het begrip “cliëntenremisier”, doch dat inhoudelijk op dezelfde werkzaamheden wordt gedoeld. Bavam zou bovendien hebben bevestigd dat de werkzaamheden onder clausule 129 zouden vallen. Naar het oordeel van het hof kan dit standpunt van Huvass c.s. niet als juist worden aanvaard. Ook in 1997 was het begrip “cliëntenremisier” een gangbare naam voor remisiers die gebruik maakten van de vrijstellingsregeling van artikel 12 VrWte 1995. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, kan dan ook niet worden aangenomen dat slechts verschillende namen worden gebruikt voor dezelfde hoedanigheid. Daarenboven heeft Bavam onvoldoende weersproken betoogd dat het bankagentschap van de vof, blijkens de handelsregisterhistorie, betrekking heeft gehad op een CVB spaaragentschap waarbij de vof bevoegd was om de Spaarbank CVB te vertegenwoordigen bij het openen van spaarrekeningen en andere betaaldiensten. Dit zijn geheel andere activiteiten dan die van een cliëntenremisier die bedrijfs- of beroepsmatig cliënten bij een effecteninstelling aanbrengt met het oog op de totstandkoming van transacties in effecten.

De stelling van Huvass c.s. dat uit de brief van 19 juni 2000 volgt dat Bavam op de hoogte was dat de vof al eerder – in 1997 en 1998 – als cliëntenremisier werkzaam is geweest, kan in het licht van de gemotiveerde betwisting daarvan, zonder nadere onderbouwing met concrete feiten en omstandigheden, die ontbreekt, niet worden gevolgd. Zulks volgt bovendien niet uit de bewoordingen van de brief, waarin immers alleen wordt gevraagd om een bevestiging dat de vof staat ingeschreven bij de STE als cliëntenremisier. Zulks geldt evenzeer voor de stelling dat door Bavam zou zijn bevestigd dat de werkzaamheden van de vof als cliëntenremisier zouden vallen onder clausule 129. Bavam heeft hier tegenover onvoldoende weersproken betoogd dat dit is verteld in het licht van tegenvallende beleggingsresultaten waarvoor al een beperking was opgenomen in clausule 129, dat voorts de vof niet heeft gemeld dat zij al in 1997 en 1998 als cliëntenremisier werkzaam was, dat uit artikel 12 van de polisvoorwaarden (model 1992.3) volgt dat een gewijzigd risico pas is gedekt na een schriftelijke bevestiging door Bavam en dat daaraan ook geen terugwerkende kracht kan worden toegekend.

3.8

De slotsom is dat de werkzaamheden van de vof in 1997 en 1998 niet vielen onder de verzekerde hoedanigheid als “agent van een bankinstelling”, als opgenomen in de polis van 1997. Voor het antwoord op de vraag of de werkzaamheden van de vof vielen onder de verzekerde hoedanigheid van de polis moet concreet worden beoordeeld of deze waren aan te merken als bemiddeling bij het sluiten van een verzekering (vgl. artikel 1 onder b Wet assurantiebemiddelingsbedrijf (oud): hierna: Wabb)) en/of als bemiddeling bij financiering en hypotheekverlening, en aldus waren gedekt onder de polis van 1997. Het hof overweegt daartoe als volgt.

De Vliegwiel kapitaalovereenkomst

3.9

Inzake het sluiten van de Vliegwiel kapitaalovereenkomst hebben Huvass c.s. de door de vof verrichte werkzaamheden als volgt toegelicht. In 1997 heeft de vof de van Aegon ontvangen brochures over de Vliegwiel kapitaalovereenkomst rondgestuurd binnen haar cliëntenbestand. Naar aanleiding hiervan heeft [Y] contact opgenomen. [Y] had rentevergoedingen ontvangen van zijn broer en wilde deze beleggen. Na uitleg door [X] is [Y] de overeenkomst met Aegon aangegaan. De werkzaamheden van de vof bestonden aldus uit het bij Aegon aanbrengen van [Y] als cliënt en in het bemiddelen bij de totstandkoming van Vliegwiel kapitaalovereenkomst, aldus nog steeds Huvass c.s. Het hof overweegt als volgt.

3.10

Naar het oordeel van het hof dienen de door de vof destijds uitgevoerde werkzaamheden aangemerkt te worden als werkzaamheden bij de totstandkoming van effectentransacties (vgl. artikel 1 onder b en sub 1 Wte 1995). De Vliegwiel kapitaalovereenkomst was immers een beleggingsproduct in de vorm van effectenleaseovereenkomst waarbij is belegd in aandelen met geleend geld. Deze werkzaamheden vielen dan ook niet onder de verzekerde hoedanigheid nu niet kan worden gezegd dat er is bemiddeld bij het sluiten van een verzekering of bij financiering en hypotheekverlening. Huvass c.s. hebben zich nog beroepen op de brief van Bavam van 13 juli 2007, op grond waarvan zij stellen dat voor het sluiten van de Vliegwiel kapitaalovereenkomst door Bavam in beginsel dekking is toegezegd, aan welke toezegging Bavam is gebonden. Het hof volgt hen daarin niet. Bavam heeft erkend dat zij met deze brief verwarring bij Huvass heeft geschapen. Zij heeft toegelicht dat deze brief in 2007 is geschreven toen de werkzaamheden in de hoedanigheid van cliëntenremisier inmiddels al wel (namelijk sinds 2000) door Bavam waren meeverzekerd. Het hof begrijpt dat Bavam hiermee bedoelt aan te voeren dat de “toezegging” op een vergissing berustte. In het licht daarvan, mede in aanmerking genomen dat de bewoordingen “in beginsel’ zijn gebruikt en aanvullende vragen heeft gesteld en dat Bavam in een later stadium haar dekkingsstandpunt nader heeft toegelicht, kan uit deze enkele brief geen zonder voorbehoud gegeven dekkingstoezegging worden afgeleid, waarop Huvass c.s. mochten afgaan of gerechtvaardigd op mochten vertrouwen.

Lijfrenteverzekering

3.11

Inzake het sluiten van de lijfrenteverzekering (zijnde een beleggingsverzekering) hebben Huvass c.s. de door de vof verrichte werkzaamheden als volgt toegelicht. De werkzaamheden bij het sluiten van de lijfrenteverzekering hebben bestaan uit het - op verzoek van [Y] - verstrekken van informatiemateriaal en offertes van verscheidene verzekeraars. De vof heeft vervolgens bemiddeld bij het tot stand brengen van de verzekeringsovereenkomst. Het hof overweegt als volgt.

3.12

Met Huvass c.s. is het hof van oordeel dat de werkzaamheden van de vof zijn verricht in de hoedanigheid van assurantietussenpersoon. Weliswaar zijn de gelden belegd in aandelen, maar daarmee is nog niet gezegd dat de vof als tussenpersoon werkzaamheden heeft verricht die vallen buiten de werkzaamheden van assurantietussenpersoon als bedoeld in artikel 1 onder b Wabb of dat de vof werkzaamheden heeft verricht bij de totstandkoming van effectentransacties als bedoeld in de Wte 1995. In de kern heeft de vof immers alleen bemiddeld bij het sluiten van een verzekering. Naar het oordeel van het hof vallen de werkzaamheden van de vof in zoverre dan ook onder de dekking van de polis.

Beleggingshypotheek

3.13

Inzake het sluiten van de beleggingshypotheek hebben Huvass c.s. de door de vof verrichte werkzaamheden als volgt toegelicht. De vof heeft in de jaren negentig aan veel van haar klanten hypotheekadviezen verstrekt. Een dergelijk hypotheek advies bestond uit i) het afsluiten van een hypothecaire geldlening, ii) het storten van het vrijgekomen bedrag op een depot (beleggersrekening) en iii) het sluiten van een hypotheek- en pensioenverzekering. Op verzoek van [Y] c.s. heeft de vof dat ook voor [Y] c.s. gedaan en een voorstel uitgewerkt. Het voorstel bestond uit het volgende. Er zou een van een hypothecaire geldlening worden afgesloten voor een bedrag van € 226.890,10. Daarmee zou eerst de oude hypotheek worden afgelost. Het resterende bedrag zou dan worden gestort op een depot. Binnen dat depot zou naar keuze van [Y] c.s. de gelden worden belegd in aandelen, aandelen en obligaties of obligaties en deposito’s. Daarnaast zouden [Y] c.s. een hypotheekverzekering afsluiten. Binnen deze verzekering hadden [Y] c.s. verschillende beleggingsmogelijkheden. Eén van deze mogelijkheden betrof te deelnemen aan een garantiefonds, waarmee een rente van 6,4% was gegarandeerd. Omdat de te ontvangen rente op de hypotheekverzekering gelijk was aan de te betalen rente voor de hypothecaire geldlening, bracht de keuze voor dit garantiefonds met zich dat op de einddatum van de verzekering de hypothecaire geldlening met de uitkering van de verzekering kon worden afgelost. Ten slotte zouden [Y] c.s. een pensioenverzekering afsluiten. Ook binnen deze verzekering bestond de mogelijkheid om de premies te beleggingen in de vorm van deelneming aan een garantiefonds met een gegarandeerde einduitkering. Er waren verschillende beleggingsondernemingen die dit pakket aanboden: Westland Utrecht Hypotheekbank, ING, Postbank, Fortis ASR, Aegon en Royal.

[Y] c.s. hebben het hypotheekadvies van de vof opgevolgd door met Royal (dat destijds zeer goed bekend stond) een hypothecaire geldlening te sluiten, het restantbedrag te storten in een depot en dit uitsluitend te beleggen in aandelen. Ook is een hypotheekverzekering gesloten, alsmede een pensioenverzekering. [Y] c.s. hebben ervoor gekozen om de daaruit vrijgekomen gelden (premies) uitsluitend te beleggen in aandelen. Met de keuze van [Y] c.s. om uitsluitend in aandelen te beleggen heeft de vof geen bemoeienis gehad. De vof heeft bemiddeld bij de totstandkoming van de beleggingshypotheek en dat heeft de vof gedaan als hypotheekadviseur. De vof heeft als assurantietussenpersoon bemiddeld bij de totstandkoming van de verzekeringen. Als cliëntenremisier heeft de vof [Y] c.s. aangebracht bij Royal. Het hof overweegt als volgt.

3.14

De vof heeft [Y] c.s. geadviseerd ten aanzien van een beleggingshypotheek en door diens tussenkomst is onder meer een hypotheekverzekering en een pensioenverzekering bij Royal gesloten. Inzake deze verzekeringen is de vof als assurantietussenpersoon opgetreden als bedoeld in artikel 1 onder b Wabb. Vasstaat verder dat de vof beleggingsadvies heeft verstrekt aan [Y] c.s. De vof heeft immers specifieke financiële instrumenten aan [Y] c.s. aanbevolen, welke aanbevelingen zijn gepresenteerd als geschikt voor [Y] c.s. als potentiële beleggers. Zo heeft de vof [Y] c.s. geadviseerd deel te nemen in een garantiefonds, zijnde een beleggingsfonds dat geheel of ten dele is opgebouwd uit afgeleide financiële instrumenten zoals opties, futures en termijncontracten, waarbij de uitgevende instelling garandeert dat beleggers hun inleg aan het einde van de looptijd van dit fonds (voor een belangrijk deel) terugkrijgen. Voorts zijn [Y] c.s. de keuze voorgehouden te beleggen in een tweetal andere financieel instrumenten, zijnde aandelen en/of obligaties.

3.15

Uit clausule 001 van de polis volgt dat is meeverzekerd de aansprakelijkheid van de verzekerde voortvloeiend uit de bemiddeling bij financiering en hypotheekverlening. Genoemde beleggingsadvieswerkzaamheden vielen naar het oordeel van het hof niet onder de verzekerde hoedanigheid, nu niet kan worden gezegd dat enkel is bemiddeld bij de hypotheekverlening. De vof heeft immers ook geadviseerd over een combinatie van financiële producten, waarvan een deel van die producten een beleggingskarakter had. Dat [Y] c.s. volgens Huvass c.s. ervoor zouden hebben gekozen om de gelden in het depot aan te wenden voor alleen de aankoop van (bepaalde) aandelen, kan er niet aan afdoen dat door de vof is opgetreden als beleggingsadviseur. Voorts heeft de vof, nadat door [Y] c.s. is besloten met Royal de overeenkomsten aan te gaan, [Y] c.s. aangebracht als cliënten bij Royal voor het verlenen van de beleggingsdiensten, waarmee de vof - strikt genomen - werkzaamheden heeft uitgevoerd bij de totstandkoming van effectentransacties (vgl. artikel 1 onder b en sub 1 Wte 1995), welke werkzaamheden krachtens de polis niet onder de verzekerde hoedanigheid vielen. Huvass c.s. betogen in dit kader vergeefs dat deze werkzaamheden zijn uitgevoerd als cliëntenremisier, zoals uit de eerdere overwegingen van het hof volgt (r.o 3.7), waarbij geldt dat ook de werkzaamheden als cliëntenremisier krachtens de polis niet onder de verzekerde hoedanigheid vielen (r.o 3.8). Naar het oordeel van het hof heeft de vof aldus werkzaamheden verricht welke blijkens de polis vielen buiten haar verzekerde hoedanigheid van bemiddelaar bij financiering en hypotheekverlening.

Dekking

3.16

De slotsom is dat Bavam krachtens de polis aan Huvass gedeeltelijke dekking dient te verlenen. In verband met de door hen gevorderde uitkering onder de verzekering hebben Huvass c.s. bij akten van 20 oktober 2015 en 11 oktober 2016 hun eis vermeerderd en veranderd. Het hof is van oordeel dat deze eiswijziging prematuur is gedaan. Nu is pas duidelijk wat de omvang is van de dekking. Het is thans aan Huvass c.s. om de verzekerde kosten concreet te onderbouwen. Aangezien de aansprakelijkheid van Huvass jegens [Y] cs voor de lijfrenteverzekering door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch is afgewezen, gaat het hof ervan uit dat de in verband daarmee gemaakte kosten van verweer thans kunnen worden begroot. Huvass c.s. zullen daarom in de gelegenheid worden gesteld zich bij akte daarover uit te laten en in verband daarmee hun eis te wijzigen. Het ligt voor de hand dat Huvass c.s. ten aanzien van de gemaakte kosten gespecificeerde nota’s overleggen en concreet maken welke kosten kunnen worden aangemerkt als kosten van verweer tegen de gedekte aanspraak. Het hof zal de zaak daartoe naar de rol verwijzen. Huvass c.s. zullen in de gelegenheid worden gesteld akte te nemen op de rol van 7 november 2017. Bavam zal in de gelegenheid worden gesteld op die akte te reageren. Het hof geeft partijen in overweging om op basis van dit tussenarrest een minnelijke regeling te beproeven.

3.17

Voorshands gaat het hof ervan uit dat – als het tot een eindarrest komt – de proceskosten tussen partijen zullen worden gecompenseerd, zodat ieder partij de eigen kosten zal dienen te dragen, omdat zij beide deels in het gelijk en deels in het ongelijk worden gesteld.

3.18

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4 Beslissing

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 7 november 2017 voor een akte aan de zijde van Huvass c.s. met het hiervoor onder 3.16 omschreven doel;

bepaalt dat Bavam vervolgens op een termijn van zes weken een antwoordakte kan nemen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.W. Hoekzema, M. Jurgens en J.M. de Jongh en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 10 oktober 2017.