Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:4142

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
16-02-2017
Datum publicatie
13-10-2017
Zaaknummer
23-001357-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Op grond van artikel 6 lid 2 Lpw moet een kennisgeving van vrijstelling van de leerplicht ten minste een maand voordat de jongere leerplichtig wordt, worden ingediend. Uit de parlementaire geschiedenis en jurisprudentie blijkt dat deze termijn strikt moet worden uitgelegd. Wanneer een kind eenmaal op een school ingeschreven is geweest, komt het nadien niet meer voor een vrijstelling in aanmerking, behoudens bijzondere omstandigheden. Zulke omstandigheden zijn bijvoorbeeld een verhuizing (waarna het type school dat een kind eerder heeft bezocht niet meer binnen redelijke afstand ligt) of de overgang van het primaire naar het middelbare onderwijs.

Op grond van artikel 8 lid 2 Lpw kan een beroep op vrijstelling op grond van bezwaren tegen de richting van het onderwijs op, binnen redelijke afstand van de woning gelegen scholen, niet worden gedaan indien de jongere in het jaar voorafgaande aan het beroep op vrijstelling geplaatst is geweest op een school waartegen bedenkingen worden geuit. Gezien de hierboven genoemde restrictieve uitleg van het moment waarop de vrijstelling op grond van artikel 6 lid 1 Lpw moet worden gedaan, stelt het hof vast dat artikel 8, lid 2 Lpw, voor gevallen bedoeld in artikel 6, lid 2 onder a Lpw, uitsluitend ziet op gevallen waarin een kind tussen zijn vierde verjaardag en het moment waarop hij leerplichtig wordt, (onverplicht) ingeschreven is geweest op een school.

Dat [het kind] op het moment van leerplichtig worden in het buitenland verbleef, is niet relevant voor beantwoording van de vraag of de verdachte een beroep op vrijstelling nog toekomt. Als in het onderhavige geval een maand voordat de leerplicht voor [het kind] inging een beroep op vrijstelling was gedaan, zou dit beroep immers niet geslaagd zijn omdat hij gedurende zijn vierde levensjaar enige tijd ingeschreven heeft gestaan op een basisschool en die school ook heeft bezocht. Dat dit beroep nu, door verblijf in het buitenland bij de ingangsdatum van de leerplicht, in oktober is gedaan, maakt de betekenis van artikel 8 lid 2 Lpw in combinatie met artikel 6 lid 2 Lpw en gezien artikel 39 WPO niet anders.

Het hof stelt aldus vast dat de vrijstelling van de leerplicht op grond van bedenkingen tegen de richting van verschillende scholen, niet meer kan worden verkregen nadat een kind eenmaal – verplicht of onverplicht – ingeschreven is geweest op een school waartegen nadien bedenkingen worden geuit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-001357-16

datum uitspraak: 16 februari 2017

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam van 25 maart 2016 in de strafzaak onder parketnummer 13-223344-15 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1948,

adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 2 februari 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 09 oktober 2014 tot en met 10 september 2015 te Amsterdam, althans in Nederland als degene die het gezag uitoefende over de jongere [zoon] , geboren op 01 april 2009, althans als degene die zich met de feitelijke verzorging van de jongere [zoon] , geboren op 01 april 2009, had belast, niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969 te zorgen dat voornoemde jongere als leerling van een school, stond ingeschreven.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de kantonrechter.

Bespreking van een in hoger beroep gevoerd verweer

De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken, omdat de verdachte op grond van artikel 5 sub b van de Leerplichtwet 1969 was vrijgesteld van de plicht om zijn zoon [zoon] in te schrijven op een school. De verdachte heeft tijdig een beroep op vrijstelling gedaan en voldoet ook aan de overige vereisten voor vrijstelling, aldus de raadsvrouw.

Wettelijke voorschriften

Artikel 2, lid 1 van de Leerplichtwet 1969 luidt:

1. Degene die het gezag over een jongere uitoefent, en degene die zich met de feitelijke verzorging van een jongere heeft belast, zijn verplicht overeenkomstig de bepalingen van deze wet te zorgen, dat de jongere als leerling van een school staat ingeschreven en deze school na inschrijving geregeld bezoekt. Bij de inschrijving wordt een van overheidswege verstrekt document of een bewijs van uitschrijving van een andere school overgelegd waarop de gegevens van de jongere betreffende zijn geslachtsnaam, voorletters, geboortedatum, geslacht en burgerservicenummer of bij gebreke daarvan zo mogelijk zijn onderwijsnummer zijn vermeld. Indien de in de eerste volzin bedoelde personen bij de inschrijving aannemelijk hebben gemaakt dat zij geen burgerservicenummer of onderwijsnummer van de jongere kunnen overleggen, leggen zij het burgerservicenummer of onderwijsnummer van de jongere over aan de school zodra zij daarvan kennis hebben verkregen.

Artikel 3, lid 1 van de Leerplichtwet 1969 luidt:

1. De verplichting om te zorgen, dat een jongere als leerling van een school staat ingeschreven, begint op de eerste schooldag van de maand volgende op die waarin de jongere de leeftijd van vijf jaar bereikt, en eindigt:

a. aan het einde van het schooljaar na afloop waarvan de jongere ten minste twaalf volledige schooljaren een of meer scholen heeft bezocht;

b. aan het einde van het schooljaar waarin de jongere de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt.

Artikel 5 van de Leerplichtwet 1969 luidt:

De in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen zijn vrijgesteld van de verplichting om te zorgen, dat een jongere als leerling van een school onderscheidenlijk een instelling staat ingeschreven, zolang

a. de jongere op lichamelijke of psychische gronden niet geschikt is om tot een school onderscheidenlijk een instelling te worden toegelaten;

b. zij tegen de richting van het onderwijs op alle binnen redelijke afstand van de woning - of, indien zij geen vaste verblijfplaats hebben, op alle binnen Nederland - gelegen scholen onderscheidenlijk instellingen waarop de jongere geplaatst zou kunnen worden, overwegende bedenkingen hebben;

c. de jongere als leerling van een inrichting van onderwijs buiten Nederland staat ingeschreven en deze inrichting geregeld bezoekt.

Artikel 6, lid 1 en 2 van de Leerplichtwet 1969 luiden:

1. De in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen kunnen zich slechts beroepen op vrijstelling, indien zij aan burgemeester en wethouders van de gemeente waar de jongere als ingezetene met een adres in de basisregistratie personen is ingeschreven, hebben kennis gegeven van:

a. de gegevens van de jongere betreffende:

1°. het persoonsgebonden nummer;

2°. de naam, de geboortedatum, het geslacht, het adres en de woonplaats, de postcode van de woonplaats; en

3°. of eerder een beroep op vrijstelling van de leerplicht is gedaan.

b. op welke grond zij een beroep op vrijstelling menen te mogen maken.

2. Deze kennisgeving moet worden ingediend:

a. ten minste een maand voordat de jongere leerplichtig wordt, indien zij betrekking heeft op de aanvang van de leerplicht, en

b. zolang nadien aanspraak op vrijstelling wordt gemaakt, elk jaar opnieuw voor 1 juli.

Artikel 8 van de Leerplichtwet 1969 luidt:

1. Een beroep op vrijstelling op grond van artikel 5 onder b kan slechts worden gedaan, indien de kennisgeving de verklaring bevat, dat tegen de richting van het onderwijs op alle binnen redelijke afstand van de woning - of, bij het ontbreken van een vaste verblijfplaats, op alle binnen Nederland - gelegen scholen onderscheidenlijk instellingen waarop de jongere geplaatst zou kunnen worden, overwegende bedenkingen bestaan.

2. Deze verklaring is niet geldig, indien de jongere in het jaar, voorafgaande aan de dagtekening van de kennisgeving, geplaatst is geweest op een school onderscheidenlijk een instelling van de richting waartegen bedenkingen worden geuit.

Artikel 39, lid 1 van de Wet op het primair onderwijs luidt:

1. Om als leerling tot een school te worden toegelaten, moet een kind de leeftijd van 4 jaar hebben bereikt.

Redengevende feiten en omstandigheden

De verdachte is de vader van [zoon] . [zoon] is geboren op 1 april 2009. Tussen 2 april 2013 en 1 dan wel 31 augustus 2013 heeft [zoon] ingeschreven gestaan op een openbare basisschool. [zoon] is op 1 april 2014 vijf jaar oud geworden. Op 28 april 2014 is [zoon] samen met zijn moeder, de echtgenote van de verdachte, uitgeschreven uit de gemeente Amsterdam en naar Frankrijk verhuisd. De verdachte bleef samen met de jongste dochter in Nederland wonen. Op 7 oktober 2014 keren [zoon] en zijn moeder terug naar Nederland. De verdachte doet op diezelfde dag schriftelijk een beroep op vrijstelling. [zoon] is sindsdien niet meer ingeschreven geweest op een school.

Het oordeel van het hof

Op grond van artikel 39 van de Wet op het primair onderwijs (WPO) kan een kind pas als leerling worden ingeschreven op een school, als hij vier jaar oud is. Een kind wordt op grond van artikel 3, eerste lid Leerplichtwet (Lpw) leerplichtig op de eerste schooldag van de maand, volgende op de maand waarin de jongere de leeftijd van vijf jaar bereikt. De leerplicht voor [zoon] is derhalve op 1 mei 2014 aangevangen.

Op grond van artikel 6 lid 2 Lpw moet een kennisgeving van vrijstelling van de leerplicht ten minste een maand voordat de jongere leerplichtig wordt, worden ingediend. Uit de parlementaire geschiedenis1 en jurisprudentie2 blijkt dat deze termijn strikt moet worden uitgelegd. Wanneer een kind eenmaal op een school ingeschreven is geweest, komt het nadien niet meer voor een vrijstelling in aanmerking, behoudens bijzondere omstandigheden. Zulke omstandigheden zijn bijvoorbeeld een verhuizing (waarna het type school dat een kind eerder heeft bezocht niet meer binnen redelijke afstand ligt) of de overgang van het primaire naar het middelbare onderwijs.

Op grond van artikel 8 lid 2 Lpw kan een beroep op vrijstelling op grond van bezwaren tegen de richting van het onderwijs op, binnen redelijke afstand van de woning gelegen scholen, niet worden gedaan indien de jongere in het jaar voorafgaande aan het beroep op vrijstelling geplaatst is geweest op een school waartegen bedenkingen worden geuit. Gezien de hierboven genoemde restrictieve uitleg van het moment waarop de vrijstelling op grond van artikel 6 lid 1 Lpw moet worden gedaan, stelt het hof vast dat artikel 8, lid 2 Lpw, voor gevallen bedoeld in artikel 6, lid 2 onder a Lpw, uitsluitend ziet op gevallen waarin een kind tussen zijn vierde verjaardag en het moment waarop hij leerplichtig wordt, (onverplicht) ingeschreven is geweest op een school.

Dat [zoon] op het moment van leerplichtig worden in het buitenland verbleef, is niet relevant voor beantwoording van de vraag of de verdachte een beroep op vrijstelling nog toekomt. Als in het onderhavige geval een maand voordat de leerplicht voor [zoon] inging een beroep op vrijstelling was gedaan, zou dit beroep immers niet geslaagd zijn omdat hij gedurende zijn vierde levensjaar enige tijd ingeschreven heeft gestaan op een basisschool en die school ook heeft bezocht. Dat dit beroep nu, door verblijf in het buitenland bij de ingangsdatum van de leerplicht, in oktober is gedaan, maakt de betekenis van artikel 8 lid 2 Lpw in combinatie met artikel 6 lid 2 Lpw en gezien artikel 39 WPO niet anders.

Het hof stelt aldus vast dat de vrijstelling van de leerplicht op grond van bedenkingen tegen de richting van verschillende scholen, niet meer kan worden verkregen nadat een kind eenmaal – verplicht of onverplicht – ingeschreven is geweest op een school waartegen nadien bedenkingen worden geuit.

Het hof is er zich van bewust dat artikel 8, lid 2 Lpw, voor gevallen bedoeld in artikel 6, lid 2 onder a Lpw, onbedoelde consequenties met zich kan meebrengen. Ingeval ouders twijfels hebben over de vraag of een school past bij hun overtuigingen, kunnen zij daardoor mogelijk worden weerhouden om hun kind een periode lang de school te laten bezoeken om te onderzoeken of tegen deze school bezwaren bestaan. Ook kan het ertoe leiden dat er verschillen ontstaan tussen verschillende kinderen van hetzelfde gezin, indien het beroep op vrijstelling wegens (mogelijk later ontstane) bedenkingen bij de jongere kinderen wel, en bij de oudere kinderen niet tijdig is gedaan. Het is evenwel niet aan het Hof om de wettelijke regeling, omwille van deze mogelijk bijkomende consequenties, in dit niet geval niet van toepassing te achten.

Bewezenverklaring

Het hof heeft in het dossier geen uittreksel uit het gezagsregister aangetroffen als bijlage bij het proces-verbaal van de leerplichtambtenaar. In het dossier bevindt zich evenmin een ander stuk waaruit blijkt dat de verdachte het gezag heeft over de jongere [zoon] . Hoewel er op zichzelf geen reden is om te betwijfelen dat de verdachte als gehuwde vader het gezag over zijn zoon uitoefent, staat in elk geval aan de hand van de stukken en de verklaring van de verdachte vast dat hij zich met de feitelijke zorg voor [zoon] heeft belast. Daarom komt het hof tot een andere bewezenverklaring dan de kantonrechter.

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van 09 oktober 2014 tot en met 10 september 2015 te Amsterdam, als degene die zich met de feitelijke verzorging van de jongere [zoon] , geboren op 01 april 2009, had belast, niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969 te zorgen dat voornoemde jongere als leerling van een school, stond ingeschreven.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

als persoon bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969, de in artikel 2, eerste lid, van die wet opgelegde verplichting niet nakomen.

Strafbaarheid van de verdachte

De raadsvrouw heeft subsidiair bepleit dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hem geen schuld treft. In dit verband heeft de raadsvrouw er op gewezen dat sprake is van dwaling van de verdachte met betrekking tot het recht. Hij verkeerde oprecht in de veronderstelling dat hij in lijn met de – overigens zo moeilijk te doorgronden – leerplichtwet handelde. Hij heeft gehandeld in de verontschuldigbare onbewustheid ten aanzien van de ongeoorloofdheid van de hem verweten gedraging. Ook kan het handelen van de verdachte worden gekwalificeerd als handelen uit overmacht. Hij heeft immers gehandeld in overeenstemming met het eigen geweten dat hem onder de omstandigheden geen andere uitweg bood, aldus nog steeds de raadsvrouw.

Het hof verwerpt de beroepen op de schulduitsluitingsgronden en overweegt daartoe het volgende. Het is niet aannemelijk geworden dat de verdachte zich heeft laten informeren dan wel pogingen heeft ondernomen om zich nader te doen informeren over de betekenis van de wet. Hij is kennelijk zonder meer uitgegaan van de juistheid van zijn eigen lezing van de wet en de daaruit voortvloeiende verplichtingen. Onder deze omstandigheden kan niet gesteld worden dat hij heeft gehandeld in de verontschuldigbare onbewustheid ten aanzien van de ongeoorloofdheid van de hem verweten gedraging. Van verontschuldigbare onbewustheid is immers geen sprake. Indien een verdachte een beroep wenst te doen op een vrijstellingsbepaling ligt het op zijn weg om – al dan niet na inroepen van deskundige hulp- de betekenis van de bepaling en de daaruit voortvloeiende verplichtingen te doorgronden.

Voor wat betreft het beroep op psychische overmacht wordt opgemerkt dat aan een dergelijk beroep strenge eisen worden gesteld. In dit geval is enkel gewezen op de innerlijke overtuiging van de verdachte en de conclusie dat hij heeft gehandeld in overeenstemming met het eigen geweten dat hem onder deze omstandigheden geen andere uitweg bood. Zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, is niet voldaan aan de eisen die aan een dergelijk verweer worden gesteld.

Ook overigens is er geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De kantonrechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 500,00 met een proeftijd van 2 jaren subsidiair 10 dagen hechtenis.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 19 januari 2017 is hij niet eerder strafrechtelijk onherroepelijk veroordeeld. Ook acht het hof het niet onaannemelijk dat de verdachte het idee had dat hij in overeenstemming met de wet handelde. Hoewel dit, zoals hierboven overwogen, niet betekent dat de verdachte voor zijn overtreding niet strafbaar is, nu hij onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de juistheid van zijn lezing van de wet, weegt het hof deze omstandigheid wel in het voordeel van de verdachte mee.

Nu de verplichting om [zoon] in te schrijven voortduurt, voor ieder volgend schooljaar, is een voorwaardelijke geldboete passend en geboden, teneinde de verdachte te bewegen [zoon] alsnog als leerling in te schrijven op een basisschool. Rekening houdend met de persoonlijke omstandigheden, zoals die ter terechtzitting van het hof naar voren zijn gebracht, zal het hof de hoogte van de op te leggen voorwaardelijke geldboete enigszins matigen ten opzichte van de eis van de advocaat-generaal.

Het hof acht, alles afwegende, een lagere voorwaardelijke geldboete dan door de kantonrechter was opgelegd passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 2 en 26 van de Leerplichtwet 1969 en de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 300,00 (driehonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 6 (zes) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.L. Leenaers, mr. P.F.E. Geerlings en mr. C.P.M. Cleiren, in tegenwoordigheid van mr. A.N. Biersteker, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 16 februari 2017.

Mr. C.P.M. Cleiren is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]

1 Zie MvA, Bijl. Hand. II, 1967-1968, 9039, nr. 5, p. 14.

2 Zie o.m. HR 9 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1494.