Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:4068

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-10-2017
Datum publicatie
24-10-2017
Zaaknummer
200.206.034/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

kinderalimentatie, draagkracht berekend aan de hand van inkomensverklaringen Belastingdienst, geen zorgkorting bij minimumdraagkracht, geen afwijking van forfaitaire woonlasten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer: 200.206.034/01

zaaknummer rechtbank: C/13/596303 FA RK 15-7770 (JK/SM)

beschikking van de meervoudige kamer van 3 oktober 2017 inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker,

hierna: de man,

advocaat: mr. R. Gardeslen te Amsterdam,

en

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster,

hierna: de vrouw,

advocaat: mr. P.M. Bueters te Laren (NH).

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 28 september 2016, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De man is op 22 december 2016 in hoger beroep gekomen van voornoemde beschikking van 28 september 2016.

2.2

De vrouw heeft op 13 maart 2017 een verweerschrift ingediend.

2.3

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een journaalbericht van de zijde van de man van 1 juni 2017 met bijlagen, ingekomen op 2 juni 2017;

- een journaalbericht van de zijde van vrouw van 12 juni 2017 met bijlagen, ingekomen op 13 juni 2017;

- een journaalbericht van de zijde van vrouw van 12 juni 2017 met bijlage, ingekomen op 13 juni 2017;

- een faxbericht van de zijde van man van 14 juni 2017 met bijlage, ingekomen op 14 juni 2017.

2.4

De mondelinge behandeling heeft op 21 juni 2017 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3 De feiten

3.1

Partijen zijn [in] 2006 gehuwd. Hun huwelijk is op 8 november 2012 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 28 maart 2012 in de registers van de burgerlijke stand. Uit hun huwelijk is [in] 2008 [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ) geboren. Partijen oefenen gezamenlijk het gezag over [minderjarige] uit. [minderjarige] verblijft bij de vrouw.

3.2

Bij beschikking van 9 oktober 2012 heeft dit hof een door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] (hierna: kinderbijdrage) bepaald van € 150,- per maand met ingang van 28 maart 2012.

Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is, met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van dit hof van 9 oktober 2012, een kinderbijdrage van € 120,- per maand bepaald met ingang van 1 januari 2015, met dien verstande dat voor zover de man over de periode vanaf 1 januari 2015 tot de datum van de bestreden beschikking, 28 september 2016, meer heeft betaald en/of op hem is verhaald, de bijdrage tot 28 september 2016 wordt bepaald op hetgeen door de man is betaald en/of op hem is verhaald. Het meer of anders verzochte is afgewezen. Deze beslissing is gegeven op verzoek van de man de kinderbijdrage met ingang van 1 januari 2013 op nihil te stellen, althans te verlagen.

4.2

De man verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, de kinderbijdrage met ingang van 1 januari 2013 te bepalen op € 25,- per maand.

4.3

De vrouw verzoekt de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek, dan wel dit verzoek af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

In hoger beroep is geen grief gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat sprake is van een wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:401 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW), zodat het hof hier eveneens vanuit zal gaan.

5.2

Evenmin is de behoefte van [minderjarige] aan de door de rechtbank vastgestelde bijdrage van € 531,- per maand in 2012 betwist. Het hof zal derhalve van deze behoefte uitgaan. Na indexatie bedroeg de behoefte van [minderjarige] € 540,- per maand in 2013, € 545,- per maand in 2014, € 549,- per maand in 2015, € 556,- per maand in 2016 en bedraagt deze € 568,- per maand in 2017.

5.3

Ten aanzien van de ingangsdatum van de verzochte wijziging van de kinderbijdrage is in de bestreden beschikking onderscheid gemaakt tussen de periode van 1 januari 2013 tot 1 januari 2015 enerzijds en de periode vanaf 1 januari 2015 anderzijds. Ook het hof zal dit onderscheid aanhouden. Alvorens deze perioden afzonderlijk te bespreken, zal het hof ingaan op de stelling van de man betreffende de zorgkorting nu deze stelling ziet op de gehele periode vanaf 1 januari 2013.

5.4

De man stelt dat bij de berekening van zijn draagkracht over de gehele periode vanaf 1 januari 2013 rekening dient te worden gehouden met een zorgkorting van 25%. Hij voert hiertoe aan dat hij [minderjarige] in beginsel eenmaal per twee weken van vrijdag tot en met zondag en de helft van de vakanties bij zich heeft. De vrouw heeft dit betwist. Zij stelt dat geen sprake is (geweest) van een structurele zorgregeling tussen de man en [minderjarige] en dat omgang tussen hen op onregelmatige basis plaatsvindt, hetgeen aan de man te wijten is.

Het hof overweegt dat onvoldoende is gebleken dat sprake is van een structurele omgangsregeling van gemiddeld twee dagen per week. Nu partijen allebei hebben verklaard dat er wel omgang tussen de man en [minderjarige] plaatsvindt, zal het hof conform de gebruikelijke richtlijnen rekening houden met een minimale zorgkorting aan de zijde van de man van 15%.

Periode van 1 januari 2013 tot 1 januari 2015

5.5

Hoewel de ingangsdatum van de verzochte wijziging van de kinderbijdrage vóór 1 april 2013 ligt, ziet het hof aanleiding de draagkracht van de man over de periode vanaf 1 januari 2013 aan de hand van de vanaf 1 april 2013 geldende (“nieuwe”) richtlijnen vast te stellen. Hiertoe wordt overwogen dat de man in hoger beroep naar het oordeel van het hof voldoende inkomensgegevens heeft overgelegd aan de hand waarvan zijn draagkracht volgens de nieuwe richtlijnen kan worden berekend. Daarnaast is de periode waarop de tot 1 april 2013 geldende (“oude”) richtlijnen van toepassing zouden zijn, te weten van 1 januari 2013 tot 1 april 2013, relatief beperkt en is niet aannemelijk dat de draagkracht van de man gedurende deze drie maanden afwijkt van zijn draagkracht gedurende de resterende maanden van 2013.

5.6

In hoger beroep heeft de man inkomensverklaringen over de jaren 2013 en 2014 overgelegd. Een inkomensverklaring is een officiële verklaring van de Belastingdienst met inkomensgegevens over een bepaald belastingjaar; het geregistreerd inkomen. Het geregistreerd inkomen is, in geval dat aangifte inkomstenbelasting wordt gedaan, gebaseerd op de aangifte. Indien geen aangifte wordt gedaan, wordt het belastbaar jaarloon geregistreerd. Dit jaarloon wordt gebaseerd op uitkering, pensioen of loon uit loondienst.

Anders dan de vrouw ziet het hof gelet op het voorgaande geen aanleiding om aan het inkomen van de man, zoals dat uit de inkomensverklaringen blijkt, te twijfelen. Conform hetgeen de man ter zitting in hoger beroep heeft aangevoerd, zal het hof bij het berekenen van zijn draagkracht derhalve van deze inkomensgegevens uitgaan.

5.7

Het hof zal bij het berekenen van de draagkracht van de man zijn netto besteedbaar inkomen tot uitgangspunt nemen. Volgens de inkomensverklaring over 2013 bedroeg het verzamelinkomen van de man in dat jaar € 15.363,-. Zoals ook uit de aangehechte berekening blijkt, bedraagt het netto besteedbaar inkomen van de man € 1.075,- per maand, hetgeen conform de toepasselijke draagkrachttabel (2013) leidt tot een minimumdraagkracht van € 25,- per maand. Gelet op de minimumdraagkracht zal de zorgkorting niet in aanmerking worden genomen en behoeft de draagkracht van de vrouw in 2013 geen bespreking meer.

5.8

Volgens de inkomensverklaring over 2014 bedroeg het verzamelinkomen van de man in dat jaar € 19.859,-. Zijn netto besteedbaar inkomen wordt aan de hand hiervan berekend op € 1.404,- per maand, hetgeen conform de toepasselijke draagkrachttabel (2014) leidt tot een draagkracht van € 119,- per maand. Het hof hecht aan deze beschikking eveneens de berekening van de draagkracht van de man over 2014.

Gelet op het verzamelinkomen van de vrouw zoals dat blijkt uit de overgelegde aanslag inkomstenbelasting, premie volksverzekeringen over 2014 is haar draagkracht in dat jaar lager dan de draagkracht van de man, hetgeen leidt tot de conclusie dat de gezamenlijke draagkracht van partijen onvoldoende is om in de volledige behoefte van [minderjarige] te voorzien. Nu het tekort meer dan twee keer zo groot is als de zorgkorting waarop de man in 2014 recht heeft, dient de man het volledige bedrag van zijn draagkracht per maand bij te dragen in de kosten van [minderjarige] .

5.9

Op grond van het voorgaande zal het hof de bestreden beschikking vernietigen voor zover daarin het verzoek van de man tot nihilstelling althans verlaging van de kinderbijdrage over de periode van 1 januari 2013 tot 1 januari 2015 is afgewezen, en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de door de man te betalen kinderbijdrage, met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van dit hof van 9 oktober 2012, met ingang van 1 januari 2013 bepalen op € 25,- per maand en met ingang van 1 januari 2014 op € 119,- per maand.

Periode vanaf 1 januari 2015

5.10

De rechtbank heeft het netto besteedbaar inkomen van de man en de vrouw over de periode vanaf 1 januari 2015 berekend op respectievelijk € 1.456,- en € 1.308,- per maand. Aan de hand hiervan is het aandeel van de man en de vrouw in de kosten van [minderjarige] op grond van de toepasselijke draagkrachttabel (2015) vastgesteld op respectievelijk € 120,- en € 25,- per maand. Hiertegen zijn geen grieven gericht, zodat het hof eveneens van deze bedragen zal uitgaan.

5.11

De man stelt in hoger beroep dat bij vaststelling van zijn aandeel in de kosten van [minderjarige] ten onrechte geen rekening is gehouden met het feit dat hij met ingang van 7 september 2016 beschikt over zelfstandige woonruimte. Het hof gaat aan deze stelling, wat daarvan ook zij, voorbij nu bij de berekening van kinderalimentatie op forfaitaire wijze rekening wordt gehouden met een redelijke netto woonlast van 30% van het netto inkomen. Het hof ziet geen aanleiding om hier in het onderhavige geval van af te wijken. Dat de werkelijke woonlasten van de man mogelijk hoger zouden zijn dan de forfaitaire woonlasten, vormt hiervoor onvoldoende aanleiding. Dit geldt eveneens voor de stelling van de vrouw dat de man zijn woonlasten deelt, wat daar ook van zij.

5.12

Vaststaat dat de gezamenlijke draagkracht van partijen van € 145,- per maand onvoldoende is om in de volledige behoefte van [minderjarige] te voorzien. Het tekort per maand is meer dan twee keer zo groot als de zorgkorting waarop de man recht heeft. Dit leidt ertoe dat de man het volledige bedrag van zijn draagkracht, te weten € 120,- per maand, dient bij te dragen in de kosten van [minderjarige] .

5.13

Op grond van het voorgaande zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen voor zover daarin de door de man te betalen bijdrage, met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van dit hof van 9 oktober 2012, met ingang van 1 januari 2015 is bepaald op € 120,- per maand.

5.14

Volgens vaste rechtspraak geldt dat de rechter die een onderhoudsverplichting verlaagt met ingang van een vóór zijn uitspraak gelegen datum, aan de hand van hetgeen ten processe is gebleken dient te beoordelen in hoeverre een daaruit voortvloeiende terugbetalings-verplichting in redelijkheid kan worden aanvaard. Ter zitting in hoger beroep is gebleken dat ten aanzien van bij de bestreden beschikking vastgestelde onderhoudsbijdrage sprake is van een grote betalingsachterstand. Aan de zijde van de vrouw is sprake van beperkte inkomsten. Gelet op deze omstandigheden is het hof van oordeel dat van haar geen terugbetalingsverplichting kan worden gevergd. Het hof zal aldus beslissen dat voor zover de man in de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2014 meer heeft betaald dan waartoe hij gehouden was, de bijdrage over deze periode wordt bepaald op hetgeen door de man is betaald of op hem is verhaald.

5.15

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor zover daarin de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] , met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van dit hof van 9 oktober 2012, met ingang van 1 januari 2015 is bepaald op € 120,- per maand;

vernietigt de beschikking waarvan beroep voor het overige, en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt, met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van dit hof van 9 oktober 2012, de door de man bij vooruitbetaling te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] met ingang van 1 januari 2013 op € 25,- per maand en met ingang van 1 januari 2014 op € 119,- per maand, met dien verstande dat - voor zover de man meer heeft betaald over de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2014, dan wel meer op hem is verhaald over deze periode - de bijdrage over de periode wordt bepaald op hetgeen door de man is betaald of op hem is verhaald.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.C. Schenkeveld, mr. J.M.C. Louwinger-Rijk, mr. M.E. Burger, bijgestaan door mr. A. Paats als griffier, en is op 3 oktober 2017 in het openbaar uitgesproken.