Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:4063

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-10-2017
Datum publicatie
20-03-2018
Zaaknummer
200.211.978/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appel van ECLI:NL:RBAMS:2016:7841. Incidentele vordering van de geïntimeerde tot niet-ontvankelijkverklaring inzake appel dan wel zekerheidstelling proceskosten o.g.v. art. 224 Rv.

Afgewezen. Zie ECLI:NL:GHAMS:2018:3707.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBPR 2018/51 met annotatie van mr. D.L. Barbiers
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

zaaknummer : 200.211.978/01

zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam: C/13/581973/ HA ZA15-195

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 3 oktober 2017

in de zaak van:

STICHTING UNION DES VICTIMES DE DÉCHETS TOXIQUES D'ABIDJAN ET BANLIEUES,

gevestigd te Amsterdam,

appellante in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat: mr. F.M.P. Brisdet te Amsterdam,

tegen

TRAFIGURA BEHEER B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat: mr. A. Knigge te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Appellante wordt hierna de Stichting genoemd, geïntimeerde Trafigura.

De Stichting is bij dagvaarding van 21 februari 2017 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 30 november 2016 dat onder bovengenoemd zaak-/rolnummer is gewezen tussen de Stichting als eiseres en Trafigura als gedaagde. Trafigura heeft een anticipatie-exploot uitgebracht.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- incidentele memorie tot niet-ontvankelijkheid dan wel zekerheidstelling voor de proceskosten ex artikel 224 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), met producties;

- incidentele memorie van antwoord, met producties.

Vervolgens heeft de Stichting om pleidooi in het incident gevraagd. Het pleidooi heeft plaatsgevonden ter zitting van het hof van 3 juli 2017. De Stichting heeft daaraan voorafgaand producties aan het hof en Trafigura doen toekomen. Ter gelegenheid van het pleidooi heeft Trafigura een akte genomen en nadere producties overgelegd. Daarbij zijn namens de Stichting verschenen haar gezamenlijk bevoegd bestuurders, [A] en [B] , bijgestaan door mr. Brisdet voornoemd, die het standpunt van de Stichting nader mondeling heeft toegelicht, en haar kantoorgenoten mrs. T. Martirosyan en B. Pietersz. Voorts is namens Trafigura verschenen haar bedrijfsjurist mr. A. Dardelet, bijgestaan door mr. Knigge voornoemd, die het standpunt van Trafigura nader heeft toegelicht aan de hand van aan het hof overgelegde pleitnotities, en zijn kantoorgenoot mr. P.L. Hezer. Ten slotte is arrest gevraagd in het incident.

Trafigura heeft primair gevorderd de Stichting niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering in de hoofdzaak omdat de belangen van de personen ten behoeve van wie zij de onderhavige procedure voert onvoldoende zijn gewaarborgd en subsidiair de Stichting op de voet van artikel 224 juncto artikel 353 lid 2 Rv te veroordelen om, op straffe van niet-ontvankelijkheid in de hoofdzaak, (i) zekerheid te stellen voor de proceskosten van Trafigura, begroot op een bedrag van in ieder geval € 34.670,=, althans een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag, (ii) deze zekerheidstelling te verstrekken in de vorm van een bankgarantie afgegeven door een Nederlandse bank, en (iii) een en ander binnen een termijn van twee weken na de datum van het arrest, althans een door het hof in goede justitie te bepalen termijn, met veroordeling van de Stichting tot betaling van de (na)kosten van dit incident, te vermeerderen met de wettelijke rente, uitvoerbaar bij voorraad.

De Stichting heeft geconcludeerd dat het hof de vorderingen van Trafigura zal afwijzen, dan wel, indien zekerheid dient te worden gesteld, de zekerheid op de derdenrekening van Stichting Beheer Derdengelden Brisdet te Amsterdam te laten storten, met veroordeling van Trafigura tot betaling van de (na)kosten van dit incident, te vermeerderen met de wettelijke rente, uitvoerbaar bij voorraad.

2 Beoordeling

in het incident

2.1.

Het gaat hier, samengevat en voor zover voor het incident van belang, om het volgende.

( i) In 2006 heeft Trafigura, de in Amsterdam gevestigde holdingvennootschap naar Nederlands recht van een internationaal concern dat gespecialiseerd is in wereldwijde grondstoffenhandel en –logistiek, het zeeschip Probo Koala gecharterd. Dit schip is gebouwd voor het transport van vaste en vloeibare stoffen en ingericht voor het vervoer van olieproducten.

(ii) Na aankomst in de haven van Amsterdam op 2 juli 2006 heeft de Probo Koala een begin gemaakt met het ontladen van de aan boord gecreëerde afvalstoffen (slops). Op 5 juli 2006 zijn de slops teruggepompt in de tanks aan boord van de Probo Koala, waarna het schip de haven van Amsterdam heeft verlaten.

(iii) Op 19 augustus 2006 is de Probo Koala aangemeerd in de haven van Abidjan (Ivoorkust). Daar zijn de slops overgedragen aan een lokaal afvalverwerkingsbedrijf, Compagnie Tommy genoemd, dat de slops illegaal heeft gestort op verschillende locaties in en om Abidjan.

(iv) De Stichting is een rechtspersoon naar Nederlands recht. Volgens haar statuten is de Stichting opgericht om de belangen te behartigen van in Ivoorkust woonachtige personen die slachtoffer zijn geworden van de onder (iii) bedoelde illegale storting (hierna: de storting). De Stichting stelt 110.937 personen te vertegenwoordigen.

( v) In november 2006 hebben ruim 30.000 personen die stelden dat zij als gevolg van de storting gezondheidsschade hebben geleden, vertegenwoordigd door het Engelse advocatenkantoor Leigh Day & Co, een civiele procedure in het Verenigd Koninkrijk aangespannen tegen onder meer Trafigura. Deze procedure heeft in 2009 geresulteerd in een vaststellingsovereenkomst die bekend is geworden als de Leigh Day-schikking.

(vi) In 2007 heeft Trafigura met de staat Ivoorkust een vaststellingsovereenkomst gesloten omtrent de gevolgen van de storting, het Protocole d’Accord (hierna: het Protocole) genoemd. Hierna zijn in 2008 namens een grote groep claimanten procedures in Ivoorkust aanhangig gemaakt tegen onder meer Trafigura, met als inzet het verkrijgen van een vergoeding voor schade ten gevolge van de storting. Op 23 juli 2014 heeft de Ivoriaanse Cour Suprême in hoogste instantie in verenigde vergadering het cassatieberoep verworpen, zodat Trafigura, mede gelet op het Protocole, niet gehouden was tot het vergoeden van schade aan de claimanten.

(vii) In de hoofdzaak heeft de Stichting gevorderd dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, voor recht verklaart dat Trafigura

primair op de voet van artikel 3:305a BW (1) onrechtmatig handelt en heeft gehandeld jegens slachtoffers van de giframp (de storting, opmerking hof) met de Probo Koala, (2) aansprakelijk is voor de schade, materieel en immaterieel, en (3) op straffe van verbeurte van een dwangsom gehouden is binnen drie maanden een start te maken met de sanering, en

subsidiair, op grond van daartoe aan de Stichting verstrekte volmachten en/of lastgevingen, althans op grond van zaakwaarneming, (1) jegens de (huidige en toekomstige) deelnemers van de Stichting aansprakelijk is voor de schade die zij hebben geleden en nog zullen lijden en Trafigura te veroordelen deze schade te vergoeden op te maken bij staat, alsmede (2) op straffe van verbeurte van een dwangsom gehouden is binnen drie maanden een start te maken met de sanering, alsmede een veroordeling in de proceskosten.

(viii) Bij het bestreden eindvonnis is de Stichting in de hoofdzaak in haar vorderingen niet-ontvankelijk verklaard. Verder heeft de rechtbank de Stichting veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van Trafigura begroot op € 5.220,= en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente; de rechtbank heeft het vonnis wat betreft de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

(ix) Tijdens de behandeling van het pleidooi is van de zijde van de Stichting bevestigd dat de subsidiaire vordering in hoger beroep niet langer wordt gehandhaafd en definitief wordt ingetrokken. De Stichting handhaaft de primaire vordering die gegrond is op artikel 3:305a BW.

2.2.

Trafigura heeft in het incident primair gevorderd dat de Stichting niet-ontvankelijk wordt verklaard vanwege haar financiële situatie. De Stichting stelt voldoende financiële middelen te hebben ten behoeve van het voeren van onderhavige procedure, maar een nadere onderbouwing daarvan ontbreekt. Immers, de betaling van de proceskostenveroordeling van de Stichting in eerste aanleg is namens haar verricht door een derde via diens privérekening. Indien de Stichting zelf over voldoende financiële middelen beschikte, zou het niet nodig zijn geweest dat een derde via zijn privérekening geld overmaakte. Bovendien is de desbetreffende derde een paar weken later benoemd tot secretaris van de Stichting, hetgeen doet vermoeden dat er een verband bestaat tussen zijn betaling en de benoeming tot secretaris. Gelet hierop stelt Trafigura dat bij de Stichting sprake is van betalingsonmacht of in ieder geval betalingsonwil. Beide dienen te leiden tot niet-ontvankelijkheid van de Stichting in haar vordering op grond van artikel 3:305a BW. Reeds daaruit volgt immers dat zij niet in staat geacht kan worden de belangen van haar vermeende achterban naar behoren te behartigen, aldus steeds Trafigura.

2.3.

Subsidiair heeft Trafigura gevorderd de Stichting te verplichten om zekerheid te stellen voor de proceskosten van Trafigura, waarbij zij haar vordering voor de hoogte van de zekerheidsstelling inmiddels heeft verminderd van een bedrag ad

€ 34.670,= naar € 29.450,=, in verband met de omstandigheid dat betaling van de proceskostenveroordeling in eerste aanleg namens de Stichting heeft plaatsgevonden na het uitbrengen van de incidentele memorie. Dat de Stichting geen verhaal zal bieden voor een proceskostenveroordeling volgt uit de gang van zaken in eerste aanleg. Voorts heeft Trafigura ter onderbouwing van haar incidentele vordering tot zekerheid nog aangevoerd dat alles erop wijst dat de Stichting een lege huls is zonder enige materiële band met Nederland. De Stichting procedeert als lasthebber uitsluitend uit naam van de slachtoffers die zij stelt te vertegenwoordigen. Dit zijn materiële procespartijen die geen woonplaats of gewone verblijfplaats hebben in Nederland maar in Ivoorkust. Uit geen enkele omstandigheid volgt dat de Stichting – afgezien van de onderhavige procedure – daadwerkelijk activiteiten ontplooit in Nederland of anderszins feitelijk in Nederland is gevestigd. Gelet hierop zijn die materiële procespartijen gehouden zekerheid te stellen voor de proceskosten van Trafigura. De zekerheidsstelling ex artikel 224 Rv dient in de onderhavige procedure derhalve een concreet doel: voorkomen dat Trafigura met een oninbare proceskostenvordering achterblijft, aldus nog steeds Trafigura.

2.4.

De Stichting heeft verweer gevoerd op gronden waarop hierna, voor zover van belang, zal worden ingegaan.

2.5.

Het hof overweegt als volgt.

Het hoger beroep richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de Stichting op grond van het bepaalde in artikel 3:305a lid 2, slotzin, BW niet-ontvankelijk moet worden geacht. De rechtbank heeft in dat verband overwogen dat met de rechtsvorderingen van de Stichting de belangen van de personen ten behoeve van wie de rechtsvorderingen zijn ingesteld onvoldoende gewaarborgd zijn. De vraag of de Stichting, gelet op het bepaalde in genoemd artikellid, ontvangen kan worden in haar vordering zal, naar verwachting, aldus in dit appel een belangrijk onderdeel van het geschil in de hoofdzaak vormen.

2.6.

De primaire vordering van Trafigura in dit incident strekt tot niet-ontvankelijkheid van de Stichting op grond van diezelfde bepaling, maar nu enkel op grond van gesteld financieel onvermogen van de Stichting.

Deze vordering wordt afgewezen. Bij de behandeling van de hoofdzaak zal, nadat de memories aan beide zijden genomen zijn en eventueel een mondelinge behandeling in hoger beroep heeft plaatsgevonden, beslist worden over de ontvankelijkheid van de Stichting op grond van artikel 3:305a lid 2 BW, inclusief de slotzin van dat artikellid. Daarbij dient hetgeen aan beide zijden is aangevoerd in aanmerking genomen te worden en wordt in beginsel beslist na weging van alle omstandigheden van het geval. Het door Trafigura gestelde financieel onvermogen van de Stichting kan daarbij eventueel aan de orde komen. Het hof merkt daarbij op dat het hof, alvorens aan die beoordeling toe te komen, in beginsel de – in eerste aanleg aan de orde gestelde - bevoegdheid van de Nederlandse rechter zal hebben te beoordelen.

Het hof acht de vordering om, vooruitlopend op dat processuele debat - dat thans nog niet gevoerd heeft kunnen worden - en die beoordeling ten gronde, reeds thans tot niet-ontvankelijkheid van de Stichting te concluderen op grond van de door Trafigura gestelde omstandigheden met betrekking tot de financiële positie van de Stichting prematuur en zal deze dus niet toewijzen. Dat het hier gaat om een incidentele vordering doet daaraan niet af. Het betreft hier immers geen incident dat meebrengt dat daarop eerst en vooraf wordt beslist (art. 209 Rv), ook niet vanwege betalingsonwil/onmacht die zou blijken uit het aanvankelijk achterwege blijven van de voldoening van de proceskosten in eerste aanleg, nu vast staat dat die kosten inmiddels zijn betaald.

2.7.

De beoordeling van de subsidiaire vordering van Trafigura dient te geschieden aan de hand van artikel 224 lid 1 Rv. Degene die, zonder woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland, bij een Nederlandse rechter een vordering instelt, dient op vordering van de wederpartij zekerheid te stellen voor de proceskosten tot betaling waarvan zij in die procedure veroordeeld zou kunnen worden, tenzij een van de in artikel 224 lid 2 Rv genoemde uitzonderingen van toepassing is. Doel van de regeling is te voorkomen dat verhaal van proceskosten wordt bemoeilijkt doordat de daartoe veroordeelde eiser (in hoger beroep: appellant) het centrum van zijn sociale en economische activiteiten buiten Nederland heeft (Vgl. Parlementaire geschiedenis, Herziening Rv, p. 393).

2.8.

In het onderhavige geding is tussen partijen niet in geschil dat de Stichting

statutair gevestigd is in Amsterdam. Dit brengt mee dat de Stichting, gezien artikel 1:10 lid 2 BW, woonplaats heeft in Nederland, zodat er reeds daarom geen grond is voor het hof om de Stichting op de voet van artikel 224 lid 1 juncto artikel 353 lid 2 Rv te bevelen om zekerheid te stellen voor de proceskosten in hoger beroep (Vgl. HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:298). Op grond hiervan zal de incidentele vordering tot zekerheidstelling van Trafigura worden afgewezen. De stelling van Trafigura dat de Stichting vereenzelvigd moet worden met de in Ivoorkust gevestigde vereniging UVDTAB (UNION DES VICTIMES DE DÉCHETS TOXIQUES D'ABIDJAN ET BANLIEUES), althans met de door de Stichting vertegenwoordigde belanghebbenden in Ivoorkust en dat daarom materieel geen sprake is van een Nederlandse partij zodat wel zekerheid gesteld moet worden, wordt verworpen. De regeling van art. 224 Rv moet, als uitzondering op de algemene regels op dit punt, strikt worden uitgelegd, zodat de omstandigheid dat de Stichting zetelt in Nederland beslissend is. De op grond van het tweede lid van artikel 224 Rv gebaseerde verweren van de Stichting kunnen onbesproken blijven.

2.9.

Trafigura zal, als de in het ongelijk gestelde partij, bij het eindarrest in de

hoofdzaak worden veroordeeld in de kosten van dit incident te begroten op € 2.682,= aan salaris advocaat.

in de hoofdzaak

2.10.

De hoofdzaak zal naar de rol worden verwezen voor het nemen van een memorie

van grieven door de Stichting.

3 Beslissing

Het hof:

in het incident

wijst de vorderingen af;

veroordeelt Trafigura in de kosten van dit incident, aan de zijde van de Stichting begroot op € 2.682,= aan salaris advocaat;

verklaart dit arrest voor wat betreft deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

in de hoofdzaak:

verwijst de zaak naar de rol van 14 november 2017 voor het nemen van een memorie van grieven door de Stichting;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten, J.W.M. Tromp en J.F. Aalders en is door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 3 oktober 2017.