Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:4059

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
06-10-2017
Datum publicatie
10-10-2017
Zaaknummer
23-003145-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Winkeldiefstal. Verweer met betrekking tot ontbreken oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-003145-16

datum uitspraak: 7 september 2017

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 16 augustus 2016 in de strafzaak onder de parketnummers 15-800327-16, 15-008204-16 (TUL) en 15-037208-16 (TUL) tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,

adres: [adres 1] ,

thans uit anderen hoofde gedetineerd in [detentie] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

7 september 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 02 augustus 2016 te Alkmaar met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een winkel, gevestigd aan de [adres 2] , heeft weggenomen een blikje bier (Gulpener), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan winkelbedrijf "Albert Heijn", in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing omtrent de straf komt dan de politierechter.

Bewijsverweer

De raadsman heeft aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat de verdachte het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening had, zodat de verdachte moet worden vrijgesproken.

Het hof overweegt als volgt.

De verdachte heeft verklaard dat hij het blikje bier bij de servicebalie wilde afrekenen met het geld dat hij verwachtte terug te krijgen voor een Duracell oplader die hij wenste terug te brengen. Blijkens het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep heeft een medewerker bij de servicebalie van de Albert Heijn de verdachte op enig moment kenbaar gemaakt dat hij voor die oplader geen geld zou ontvangen. Desondanks heeft de verdachte vervolgens het blikje bier geopend en is hij zonder te betalen met dit blikje bier de Albert Heijn uit gelopen. Het hof is van oordeel dat de verdachte zodoende als heer en meester over het blikje bier is gaan beschikken op een moment nadat hem duidelijk was geworden dat hij geen geld zou ontvangen waarmee hij het blikje bier zou kunnen betalen. Derhalve heeft hij zich op dat moment -zonder betaling en aldus wederrechtelijk- dat blikje bier toegeëigend. Op grond van het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal.

Het verweer wordt verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 2 augustus 2016 te Alkmaar met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een winkel, gevestigd aan de [adres 2] , heeft weggenomen een blikje bier (Gulpener), toebehorende aan winkelbedrijf "Albert Heijn".

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

diefstal.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 week, met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 week, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Het hof overweegt als volgt.

Op 26 juni 2017 is de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie, onherroepelijk veroordeeld tot een ISD-maatregel voor de duur van 2 jaren, die hij op dit moment ondergaat. Het hof acht het, gelet op het bepaalde in artikel 63 Wetboek van Strafrecht en de onwenselijkheid de verdachte na afronding van zijn ISD-traject opnieuw te confronteren met een vrijheidsstraf wegens soortgelijke feiten, aangewezen te bepalen dat aan de verdachte geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Vordering tot tenuitvoerlegging (15-037208-16)

Het openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 2 mei 2016 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

De advocaat-generaal en de raadsman hebben geconcludeerd tot afwijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging.

Het hof overweegt als volgt.

Op grond van hetgeen bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken en gelet op het feit dat een verlenging van de proeftijd niet meer tot de mogelijkheden behoort, zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden afgewezen.

Vordering tot tenuitvoerlegging (15-008204-16)

Het openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 23 maart 2016 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 week. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat deze vordering in hoger beroep niet meer aan de orde is nu deze vordering door de politierechter is afgewezen. De raadsman heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging.

Het hof overweegt als volgt.

Nu het beroep van de verdachte zich slechts kan richten tegen het vonnis in zijn geheel en de beslissing tot afwijzing van de vordering daarvan deel uitmaakt, terwijl de verdachte niet van het hem ten laste gelegde is vrijgesproken, is de vordering opnieuw aan de orde.

Op grond van hetgeen hiervoor met betrekking tot de afdoening in de hoofdzaak is overwogen, zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden afgewezen.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Bepaalt dat ter zake van het bewezen verklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging onder parketnummer 15-037208-16.

Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging onder parketnummer 15-008204-16.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.A. Plaisier, mr. A.E.M. Röttgering en mr. S.M.M. Bordenga, in tegenwoordigheid van

L. Bähr, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

7 september 2017.