Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:4044

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
21-09-2017
Datum publicatie
09-10-2017
Zaaknummer
23-004502-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mishandeling chauffeur; OM ontvankelijk in vervolging; zware mishandeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-004502-16

datum uitspraak: 21 september 2017

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 28 november 2016 in de strafzaak onder de parketnummers 13-650819-15 en 13-685081-14 (TUL) tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

7 september 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging

De raadsman heeft bepleit het openbaar ministerie niet ontvankelijk te verklaren in de vervolging van de verdachte. Hij heeft daartoe – kort samengevat – het volgende aangevoerd. De beslissing van de rechter-commissaris van 23 december 2015 tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte is voorafgegaan door een e-mailwisseling tussen de officier van justitie en deze rechter-commissaris, waarvan de raadsman pas op 24 december 2015 volledig kennis heeft kunnen nemen. Dat geldt in het bijzonder voor de eerder op 23 december 2015, om 15.23 uur, in een e-mail weergegeven beslissing van deze rechter-commissaris om de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte in stand te laten – omdat aan de voorwaarden was voldaan – en het daarop volgende verzoek van de officier van justitie aan de rechter-commissaris om deze beslissing te herzien. Door deze berichten niet onmiddellijk aan de verdediging te verstrekken en de verdachte niet te horen of de verdediging anderszins in de gelegenheid te stellen om te reageren op de vordering van de officier van justitie tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis voorafgaand aan die opheffing, zijn door het openbaar ministerie doelbewust en met grove veronachtzaming van de belangen van de verdediging (grond)beginselen van de goede procesorde geschonden. Hierop moet de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte volgen.

Het hof stelt het volgende vast.

Een rechter-commissaris in de rechtbank Amsterdam heeft op 18 december 2015 de bewaring van de verdachte bevolen en bepaald dat deze met ingang van 21 december 2015 zou worden geschorst. In het schorsingsbevel was onder meer de voorwaarde opgenomen dat de verdachte uiterlijk 22 december 2015 schriftelijk zou aantonen dat hij werk heeft. De verdediging heeft in het kader van deze voorwaarde op 22 december 2015 stukken aan deze rechter-commissaris gestuurd.

Nadat de officier van justitie navraag had gedaan naar deze stukken (e-mailbericht 23 december 2015 8.49 uur), heeft een tweede rechter-commissaris haar per e-mailbericht van 23 december 2015 15.23 uur bericht dat de schorsing niet zou worden opgeheven. Per e-mailbericht van 23 december 2015 om 15.53 uur heeft de officier van justitie laatstgenoemde rechter-commissaris verzocht terug te komen op haar voornemen de schorsingsbeslissing in stand te laten. Daarna heeft deze de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis bevolen, waarna de verdachte is aangehouden en weer in bewaring is genomen. De raadsman heeft diezelfde dag de rechter-commissaris verzocht deze beslissing te herzien, onder meer omdat de verdachte niet is gehoord voorafgaand aan de opheffing van de schorsing.

Op 24 december 2015 heeft een derde opvolgend rechter-commissaris de verdachte in bijzijn van de raadsman nader gehoord. Bij dat verhoor is gebleken dat deze rechter-commissaris en de raadsman in eerste instantie niet de beschikking hadden gekregen over de gehele e-mail wisseling tussen de tweede rechter-commissaris en de officier van justitie. Nadat deze e-mailberichten alsnog aan de derde opvolgende rechter-commissaris en de raadsman zijn verstrekt, heeft laatstgenoemde rechter-commissaris beslist dat de beslissing van 23 december 2015 strekkende tot opheffing van de schorsing dient te vervallen. Vervolgens is de verdachte in vrijheid gesteld.

Het hof overweegt het volgende.

Nadat de voorlopige hechtenis van de verdachte was geschorst en de rechter-commissaris de officier van justitie had medegedeeld dat aan de voorwaarde was voldaan om die schorsing te laten voortduren, heeft de officier van justitie de rechter-commissaris benaderd met een verzoek tot heroverweging van die beslissing. Het had op de weg van de officier van justitie gelegen de raadsman over dit verzoek te informeren en het had met name op de weg van de rechter-commissaris gelegen om voorafgaand aan een beslissing hierover de raadsman in de gelegenheid te stellen op dat verzoek te reageren en zo mogelijk de verdachte – al dan niet op de voet van artikel 82, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) – te horen. Nu dat is verzuimd en eerst tijdens het verhoor door een opvolgend rechter-commissaris relevante informatie en e-mails die ten grondslag lagen aan de opheffingsbeslissing aan de verdediging zijn verstrekt, is het hof met de raadsman van oordeel dat hierdoor beginselen van een behoorlijke procesorde zijn geschonden. Hierdoor zijn de belangen van de verdachte bij het voorkomen van hernieuwde vrijheidsbeneming geschaad.

De vraag dient vervolgens te worden beantwoord of het voorgaande tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte dient te leiden. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat die vraag ontkennend dient te worden beantwoord. Weliswaar zijn beginselen van een behoorlijke procesorde geschonden en heeft in het bijzonder een aantasting van het beginsel van hoor en wederhoor plaatsgevonden, doch dat verzuim is een dag later zoveel mogelijk hersteld door alsnog de verdachte te horen, hem en zijn raadsman in kennis te stellen van e-mailverkeer tussen de rechter-commissaris en de officier van justitie en de raadsman alsnog in de gelegenheid te stellen de nodige opmerkingen te maken. Voorts is niet gebleken dat, na het overleggen van enkele emailberichten in de procedure bij het hof, thans nog relevante stukken ontbreken.

Mede hierdoor kan niet worden gezegd dat de behandeling van de strafzaak van de verdachte als geheel niet meer voldoet aan de eisen van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Het hof ziet daarom geen aanleiding om het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van de verdachte te verklaren. Wel zal met het vorenstaande in strafmatigende zin rekening worden gehouden bij de strafoplegging.

Het hof verwerpt het verweer.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1. primair
hij op of omstreeks 5 december 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet - die [slachtoffer 1] een of meermalen met kracht met gebalde vuist op/tegen het gezicht heeft geslagen en/of gestompt en/of - die (op de grond liggende) [slachtoffer 1] een of meermalen (met geschoeide voet) tegen het hoofd/gezicht heeft geschopt /getrapt;

1. subsidiair
hij op of omstreeks 5 december 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten (onder meer) een gebroken neus en/of een gebroken jukbeen en/of een of meer afgebroken tanden en/of een of meer snijwond(en) in het gezicht, althans enig ander zwaar lichamelijk letsel, heeft toegebracht, door met dat opzet - die [slachtoffer 1] een of meermalen met kracht met gebalde vuist op/tegen het gezicht te slaan en/of stompen en/of - die (op de grond liggende) [slachtoffer 1] een of meermalen (met geschoeide voet) tegen het hoofd/gezicht te trappen;

1. meer subsidiair
hij op of omstreeks 5 december 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet - die [slachtoffer 1] een of meermalen met kracht met gebalde vuist op /tegen het gezicht heeft geslagen en/of gestompt en/of - die (op de grond liggende) [slachtoffer 1] een of meermalen (met geschoeide voet) tegen het hoofd/gezicht heeft geschopt/getrapt;
2
hij op of omstreeks 5 december 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk mishandelend (met een aansteker) het (hoofd)haar van [slachtoffer 2] heet aangestoken en/of (vervolgens) (met kracht) (met gebalde vuist) in het gezicht, althans tegen het hoofd, van die [slachtoffer 2] heeft geslagen en/of gestompt, waardoor voornoemde [slachtoffer 2] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Vrijspraak

Met de advocaat-generaal en de raadsman is het hof van oordeel dat het onder 1 primair aan de verdachte ten laste gelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Het hof acht met name niet bewezen dat de verdachte het opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, heeft gehad om [slachtoffer 1] van het leven te beroven. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof spreekt de verdachte ook vrij van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde trappen tegen het hoofd/gezicht van [slachtoffer 1]. Naar het oordeel van het hof kan uit het dossier niet met voldoende zekerheid worden afgeleid dat de verdachte [slachtoffer 1] heeft geschopt/getrapt zoals in de tenlastelegging is vermeld.

Tot slot spreekt het hof de verdachte vrij van het onder 2 ten laste gelegde opzettelijk mishandelend aansteken van het hoofdhaar van [slachtoffer 1], omdat het betreffende opzettelijke handelen met onvoldoende zekerheid uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kan worden afgeleid.

Overwegingen ten aanzien van het bewezenverklaarde

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

De raadsman heeft betoogd dat het bij aangever [slachtoffer 1] geconstateerde letsel niet kan worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel en de verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging dient te worden vrijgesproken.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt hieromtrent als volgt.

[slachtoffer 1] heeft, gelet op hetgeen hieromtrent is vermeld in de geneeskundige verklaring/letselbeschrijving van de GGD Amsterdam van 7 december 2015, (dossier pagina B 7), de verklaring van huisarts [naam 1] van 4 april 2016 (gevoegd als bijlage bij de het verzoek tot schadevergoeding van [slachtoffer 1]) en de verklaring/aangifte van [slachtoffer 1] tegenover de politie op 6 december 2015 (dossier pagina B 1-4), als gevolg van de mishandeling door de verdachte onder meer de volgende verwondingen opgelopen:

- een fractuur (breuk) van de neusrug,

- een fractuur van de rechter oogkas/jukbeen/bijholte,

- een afgebroken tand,

- een snijwond onder zijn rechter oog,

Gelet op de aard en de combinatie van de verwondingen alsmede de in de letselbeschrijving van de GGD Amsterdam aangegeven duur van verdere genezing van ongeveer drie maanden voor zichtbare letsels en zes weken voor de overige letsels is het letsel naar het oordeel van het hof voldoende ernstig om naar gewoon spraakgebruik als zwaar lichamelijk letsel te worden beschouwd.

In aanmerking genomen dat de verdachte de vijfenvijftigjarige aangever meermalen achter elkaar hard met de vuist in het gezicht heeft geslagen als gevolg waarvan de aangever uiteindelijk op de grond is gevallen, neemt het hof als vaststaand aan dat de verdachte ten minste bewust de aanmerkelijke – en zich verwezenlijkte – kans heeft aanvaard dat de aangever zwaar letsel zou oplopen.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

De raadsman heeft aangevoerd dat het niet mogelijk is dat de verdachte aangeefster [slachtoffer 2] met zijn rechter hand op de linkerkant van haar gezicht heeft geraakt. De verdachte moet daarom van dit feit worden vrijgesproken.

Het hof verwerpt het verweer en overweegt hieromtrent als volgt. Gelet op de inhoud van het dossier, in het bijzonder de verklaring van [slachtoffer 2], is niet aannemelijk geworden dat het voor de verdachte onmogelijk zou zijn om met zijn rechterhand de linkerkant van het gezicht van [slachtoffer 2] te raken. Dat [slachtoffer 2] op de linkerkant van haar gezicht is gestompt vindt, steun in de rode verkleuring van de linkerwang die op de foto van haar gezicht (dossier pagina 20) is te zien.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1. subsidiair

hij op 5 december 2015 te Amsterdam aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken neus, een gebroken jukbeen, een afgebroken tand en een snijwond in het gezicht heeft toegebracht, door met dat opzet die [slachtoffer 1] meermalen met kracht met gebalde vuist op het gezicht te slaan;

2
hij op 5 december 2015 te Amsterdam opzettelijk mishandelend met gebalde vuist in het gezicht van die [slachtoffer 2] heeft geslagen, waardoor voornoemde [slachtoffer 2] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

Hetgeen onder 1 subsidiair en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 subsidiair en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

- zware mishandeling.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

- mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 subsidiair en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en maatregel

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 meer subsidiair en 2 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden, waarvan een gedeelte van twee maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, met daaraan gekoppeld bijzondere voorwaarden.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 meer subsidiair en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met bijzondere voorwaarden zoals die door de rechtbank in het vonnis zijn gesteld.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte reed op uitnodiging van [slachtoffer 2] na een avond/nacht uitgaan in het centrum van Amsterdam met haar en [slachtoffer 1] (chauffeur) mee naar Amsterdam Zuidoost. Hij zou thuis worden afgezet. Nadat eerst anderen waren afgezet en alleen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] nog als passagiers in de auto zaten, heeft de verdachte een brandende aansteker tegen het haar van [slachtoffer 2] gehouden waardoor zij ging schreeuwen. Daarop werd de verdachte gewelddadig. Hij sloeg [slachtoffer 2] in haar gezicht terwijl zij in een auto zat. Hij heeft door zo te handelen een voor het slachtoffer intimiderende situatie geschapen waarbij zij pijn ondervond en haar lichamelijke integriteit geschonden.

Nadat [slachtoffer 1] hierop de auto tot stilstand bracht, heeft de verdachte hem in zijn gezicht geslagen. Als gevolg daarvan heeft [slachtoffer 1] het in de bewezenverklaring omschreven zwaar lichamelijk letsel opgelopen. De verdachte heeft hiermee op ernstige wijze de lichamelijke integriteit van [slachtoffer 1] geschonden. Het handelen van de verdachte heeft ingrijpende gevolgen gehad voor het 55-jarige slachtoffer wiens gezondheid ernstig is aangetast. Het slachtoffer zal nog lang de herinnering met zich dragen aan dit geweldsincident.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 23 augustus 2017 is hij eerder ter zake van (gewelds) misdrijven onherroepelijk veroordeeld, hetgeen in zijn nadeel weegt.

Het hof heeft tevens acht geslagen op het reclasseringsadvies dat is opgemaakt door [naam 2], reclasseringswerker bij Reclassering Nederland van 21 maart 2016. Blijkens dit rapport ziet de reclassering het ten laste gelegde als onderdeel van een gedragspatroon, waarbij verdachte veelal onder invloed van alcohol agressief gedrag vertoont. In het verleden is verdachte gediagnosticeerd met een gedragsstoornis NAO, waarbij sprake is van een gebrekkige impulscontrole en een lage frustratie-tolerantie. Inname van alcohol lijkt een ontremmend en accelererend effect te hebben op zijn agressieve gedragingen. Geadviseerd wordt een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden (onder meer) een meldplicht en een ambulante behandeling gericht op alcoholproblematiek.

Op de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman medegedeeld dat de verdachte thans beschikt over werk en dat hij hoopt binnenkort een vast contract te krijgen. Het hebben van een dagbesteding helpt hem om problemen te voorkomen en om zijn alcoholgebruik binnen de perken te houden. Daarnaast kan de verdachte dankzij zijn salaris langzaam schulden aflossen. De raadsman heeft verzocht om (het onvoorwaardelijk) gedeelte van de op te leggen straf te matigen, opdat de verdachte zijn baan niet zal verliezen.

Naar het oordeel van het hof kan vanwege de ernst van de bewezenverklaarde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de recidive niet worden volstaan met een andere, dan een (deels voorwaardelijke) vrijheidsbenemende straf van substantiële duur.

Het hof acht, alles afwegende, in beginsel oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, passend en geboden.

Zoals hierboven overwogen, wordt, als subsidiair bepleit door de raadsman, bij het bepalen van de strafmaat rekening gehouden met het hierboven geconstateerde verzuim, zodat in plaats daarvan een gevangenisstraf voor de duur van 27 weken, waarvan 13 weken voorwaardelijk, zal worden opgelegd.

Gelet op de door de reclassering geschetste omstandigheden worden aan het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf, als geadviseerd door de reclassering, bijzondere voorwaarden verbonden als hieronder aangegeven.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt in totaal € 4.002,38. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 3.202,03, waarvan een bedrag van € 1502,38 voor door de benadeelde partij geleden materiële schade en een bedrag van € 1700,- voor immateriële schade. De benadeelde partij is voor het overige niet ontvankelijk verklaard in zijn vordering.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De raadsman heeft de hoogte van de in de vordering geclaimde schadevergoeding niet gemotiveerd betwist. Verzocht is de op te leggen maatregel tot betaling aan de staat te matigen nu volgens de raadsman te verwachten valt dat de verdachte niet in staat zal zijn om het gehele bedrag te voldoen binnen de door het CJIB gehanteerde termijn van twee jaren voor inning van de vordering, zodat in feite de maatregel een vrijheidsbeneming zal inhouden.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot het door de rechtbank toegewezen bedrag. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze. Het hof ziet, anders dan de raadsman, in de financiële situatie van de verdachte zoals die ter terechtzitting is gebleken, noch anderszins grond om een andere beslissing te nemen ten aanzien van de hoogte van het ten behoeve van de benadeelde partij aan de staat te betalen bedrag of ten aanzien van de gebruikelijke toepassing van hechtenis bij gebreke van betaling.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht. Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 21 juli 2015, parketnummer 13-685081-14, opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

De raadsman heeft verzocht deze vordering af te wijzen. De verdachte is kort na het onherroepelijk worden van dit vonnis opnieuw de fout ingegaan. De bij dit vonnis tevens als opgelegde bijzondere voorwaarden opgelegde training en behandeling ter voorkoming van recidive waren nog niet opgestart. Door tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf zal de verdachte zijn werk verliezen met alle gevolgen van dien.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Het hof ziet in hetgeen door de raadsman is aangevoerd onvoldoende reden de vordering af te wijzen. Daarom zal de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 27 weken.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 13 weken, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde verplicht is zich te melden bij Reclassering Nederland (unit Noord-West) en zich gedurende de proeftijd te houden aan deze meldplicht en aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft, zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd onder behandeling zal stellen van de Forensisch Psychiatrische Kliniek Inforsa, of een soortgelijke instelling, ten einde zich ambulant te laten behandelen voor zijn alcoholproblematiek, indien en zo lang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Geeft aan de Reclassering Nederland opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 3.202,38 (drieduizend tweehonderdtwee euro en achtendertig cent), bestaande uit € 1.502,38 (duizend vijfhonderdtwee euro en achtendertig cent) materiële schade en € 1.700,00 (duizend zevenhonderd euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 5 december 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 5 december 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 7,50 (zeven euro en vijftig cent).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1], ter zake van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 3.202,38 (drieduizend tweehonderdtwee euro en achtendertig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 42 (tweeënveertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 5 december 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 5 december 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 21 juli 2015, parketnummer 13-685081-14, te weten:

een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. F.M.D. Aardema, mr. M.J.A. Duker en mr. M.L.M. van der Voet, in tegenwoordigheid van mr. M.A.T. van Willigen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 21 september 2017.