Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:4038

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
12-09-2017
Datum publicatie
11-10-2017
Zaaknummer
16/00454
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het door belanghebbende online ingediende aanvraagformulier kwalificeert als een aanvraag voor het voeren van vooroverleg als bedoeld in de Legesverordening en daarbij horende Tarieventabel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 11-10-2017
FutD 2017-2587

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 16/00454

12 september 2017

uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X ] te [Z] , belanghebbende,

tegen de uitspraak van 12 september 2016 in de zaak met kenmerk HAA 15/4983 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Haarlemmermeer,

de heffingsambtenaar.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft met dagtekening 8 juli 2015 voor het in behandeling nemen van een aanvraag om vooroverleg aan belanghebbende een aanslag leges opgelegd ten bedrage van € 203.

1.2.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak, gedagtekend 12 oktober 2015, de aanslag gehandhaafd.

1.3.

Het tegen deze uitspraak ingestelde beroep heeft de rechtbank in haar uitspraak ongegrond verklaard.

1.4.

Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 18 oktober 2015.

1.5.

Van belanghebbende is gedagtekend 14 november 2016 een nader stuk ontvangen.

1.6.

De heffingsambtenaar heeft bij brief van 26 januari 2017 bericht dat hij geen verweerschrift indient.

1.7.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 augustus 2017. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft in de onderdelen 1 tot en met 6 van haar uitspraak, waarin belanghebbende is aangeduid als eiser en de heffingsambtenaar als verweerder, de navolgende feiten vastgesteld:


“1. Eiser heeft op 3 juni 2015 een digitaal aanvraagformulier ingediend over het veranderen van een uitrit aan de [A-straat 1] te [Z] . Op het formulier heeft hij ingevuld als projectomschrijving:

“mijn buren zijn aan het bouwen. De inrichting van de straat zal door hun garage worden gewijzigd, waarschijnlijk wordt de (…) parkeerplaats voor onze deur opgeheven. Is het mogelijk dat er een verlaging komt zodat ik op eigen terrein kan parkeren?”

2. Bij e-mailbericht van 17 juni 2015 heeft het Cluster Dienstverlening – Team Vergunningen van de gemeente Haarlemmermeer eiser het volgende bericht:

“Geachte heer [X ] ,

Op 4 juni 2015 hebben wij uw aanvraag ontvangen voor een vooroverleg met betrekking tot een verlaging zodat het parkeren op eigen terrein mogelijk wordt. Hierbij ontbreekt echter het aanvraagformulier, een tekening van de gewenste situatie en fotomateriaal van de bestaande situatie. Op dit moment kunnen wij er derhalve niets mee doen.

Als u nog steeds wilt kijken in hoeverre het parkeren op eigen terrein mogelijk is, resten u de volgende twee opties:

- Optie 1 is dat u aan de huidige aanvraag tot vooroverleg de volgende bestanden toevoegt: het aanvraagformulier, een tekening van de gewenste situatie en fotomateriaal van de bestaande situatie. De kosten voor dit vooroverleg bedragen 203 euro. (…..).

- Optie 2 is het intrekken van het verzoek tot vooroverleg om daarna een uitwegvergunning aan te vragen.

3. Bij e-mailbericht van 30 juni heeft eiser een medewerker van de gemeente Haarlemmermeer (hierna: de gemeente) het volgende bericht:

“Er is een vergunning voor de bouw van (…) afgegeven (…). Binnenkort volgt de oplevering (…).
Als gevolg van een veranderd woningontwerp zal ook de profilering van de openbare weg moeten worden gewijzigd.
In het linker plaatje ziet u het oorspronkelijk ontwerp. (…)
In het onderste plaatje heb ik de nieuwe woning ingetekend.
De huidige openbare parkeerplaats moet verplaatst/wijken voor de inrit van de buren.
Als gevolg vraag ik of de huidige stoeprand van de huidige parkeerplaats te verlagen zodat ik gelijke als mijn nieuwe buren een verlaagde inrit en extra parkeerplaats heb.”

4. Bij e-mailbericht van 6 juli 2015 heeft de in 3 genoemde medewerker aan eiser het volgende bericht:

“Uw verzoek heb ik besproken met een collega die over de afgifte van uitrit vergunningen gaat.
Helaas voor u wordt dit niet toegestaan, u heeft twee parkeerplekken op eigen terrein, de parkeerplaats komt te liggen op de plek waar nu de bouwrit zit en uw buren krijgen een inrit naar hun garage verder wordt de groenstrook aan geheeld.”

5. Bij brief van 8 juli 2015 heeft een medewerker van de gemeente aan eiser een brief gezonden, met daarin de beoordeling van de conceptaanvraag voor een omgevingsvergunning voor het aanleggen of veranderen van een uitweg. De beoordeling stemt overeen met het voornoemde e-mailbericht van 6 juli 2015.

6. Bij beschikking van 8 juli 2015 heeft verweerder eiser in verband met het in behandeling nemen van het verzoek tot vooroverleg, een aanslag leges opgelegd ten bedrage van € 203.”


Tegen de hiervoor vermelde feiten zijn door partijen geen grieven aangevoerd. Ook het Hof zal van deze feiten uitgaan. Daaraan voegt het Hof de volgende feiten toe.

2.2.1.

Tot de door de heffingsambtenaar overgelegde stukken behoort een zogenoemde ‘Audit trail’. In dit stuk is in een rubriek ‘1. Overleg met bevoegd gezag (…) Overleg met de gemeente’ onder meer het volgende vermeld:


“Om vooroverleg te ondersteunen kunt u de conceptaanvraag/melding openstellen zodat het bevoegd gezag kan meekijken. U kunt op elk gewenst moment de openstelling weer intrekken. Als het gewenst bevoegd gezag er niet bij staat, kunt u deze als betrokkene toevoegen.”

2.2.2.

In het in onderdeel 1 van de uitspraak van de rechtbank vermelde aanvraagformulier heeft belanghebbende voorts onder meer het volgende vermeld:


- in de rubriek ‘Wat wilt u precies gaan doen’: Een bestaande in- of uitrit veranderen;
- in de rubriek ‘Details uitrit’: dat planten een obstakel vormen dat het aanleggen of gebruiken van de in- of uitrit in de weg staat.

2.3.1.

In de Legesverordening 2015 van de gemeente Haarlemmermeer (hierna: de Verordening) is onder meer het volgende vermeld:


“Artikel 2 Belastbaar feit
Onder de naam ‘leges’ worden rechten geheven voor:
a. het genot door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten
(…)
een en ander zoals genoemd in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel.”

2.3.2.

In de Tarieventabel leges Haarlemmermeer behorende bij de Verordening (hierna: de Tarieventabel) is onder meer het volgende vermeld:


“Hoofdstuk 2 Vooroverleg of globaal haalbaarheidsonderzoek
2.2.1 Vooroverleg
2.2.1.1 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag om
vooroverleg wanneer het een plan betreft dat valt in de reguliere procedure: € 203,-”

3 Geschil in hoger beroep

Evenals bij de rechtbank is voor het Hof in geschil of de aanslag leges terecht is opgelegd.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

De rechtbank heeft het volgende overwogen:


“11. (…) Eiser heeft door middel van het indienen van het aanvraagformulier op 3 juni 2015 de gemeente Haarlemmermeer (hierna: de gemeente) verzocht of het mogelijk is de stoeprand bij zijn erf te verlagen zodat hij op eigen terrein kan parkeren. De rechtbank acht het redelijk dat verweerder dit heeft aangemerkt als het doen van een aanvraag, gelet op de tekst van het aanvraagformulier en het feit dat het was ingediend. Dat het digitaal was ingediend, maakt dit niet anders. Het stond verweerder vrij om het meer specifiek als aanvraag tot vooroverleg aan te merken. Eiser heeft hier ook niet over geklaagd. Verder oordeelt de rechtbank dat gelet op de door gemeente verstrekte informatie in het e-mailbericht van 6 juli 2015 en de brief van 8 juli 2015 sprake was van een dienst verricht aan eiser, welke kan worden aangemerkt als het in behandeling nemen van een aanvraag om vooroverleg. Gelet daarop is derhalve sprake van een verstrekte dienst in de zin van artikel 2, onder a, van de verordening.

12. Het overigens door eiser gestelde merkt de rechtbank aan als een beroep op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, op het verbod van een onredelijke en willekeurige belastingheffing en op het leerstuk van misbruik van recht. De rechtbank wijst dit beroep af. Naar aanleiding daarvan overweegt de rechtbank dat bij e-mailbericht van 17 juni 2015 eiser naar aanleiding van zijn verzoek om vooroverleg is gewezen op twee opties, te weten (optie 1) het completeren van de aanvraag (toezenden nadere stukken, waaronder een tekening van de gewenste situatie) en (optie 2) het intrekken van het verzoek tot vooroverleg om daarna een uitwegvergunning aan te vragen. Anders dan eiser heeft gesteld, kan uit dit bericht niet worden afgeleid dat de gemeente niets meer met de aanvraag zou doen en deze geheel terzijde was gelegd. Uit hetgeen partijen hebben gesteld leidt de rechtbank af dat eiser vervolgens meerdere malen telefonisch meer informatie heeft proberen te krijgen van de gemeente en tijdens het derde telefoongesprek het verzoek heeft gekregen van een medewerker van de gemeente om tekeningen op te sturen, opdat die medewerker de vragen van eiser beter zou kunnen beantwoorden. Eiser heeft vervolgens afbeeldingen ingediend. Gelet op de voorgeschiedenis kon het eiser onder die omstandigheden duidelijk zijn dat mogelijk een aanslag leges zou volgen vanwege de te verstrekken dienst. Dat de verstrekte informatie mogelijk niet direct van invloed is geweest op de antwoorden die eiser kreeg op zijn aanvraag, is niet relevant. Gelet op het e-mailbericht van 30 juni 2015 acht de rechtbank aannemelijk dat bij dat bericht in ieder geval een deel van de informatie die gemeld was in het e-mailbericht van 17 juni 2015 in het kader van het completeren van de aanvraag, is toegezonden. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank, nu eiser zijn verzoek tot vooroverleg niet heeft ingetrokken maar welbewust heeft gecompleteerd, dit verzoek ten slotte in behandeling genomen. Verder heeft eiser bij het e-mailbericht van 30 juni 2015 verzocht de huidige stoeprand van de parkeerplaats te verlagen. Hieruit kan worden afgeleid dat eiser, anders dan hij heeft gesteld, meer wilde dan alleen maar informatie over de inrichting van de openbare ruimte.

13. Dit betekent dat de legesaanslag terecht aan eiser is opgelegd. Hetgeen eiser overigens heeft aangevoerd doet hieraan niet af.”

4.2.1.

Belanghebbende heeft – kort samengevat – het volgende gesteld:
- de rechtbank is van onvolledige feiten uitgegaan; het ging belanghebbende om het
verkrijgen van informatie van de gemeente zodat hij kon beoordelen of het indienen van
een aanvraag zin had;
- er was geen aanvraag om vooroverleg en als deze er is geweest dan was deze er niet meer;
in dat verband wijst belanghebbende op de gegevens die volgens de e-mail van de gemeente
van 17 juni 2015 (uitspraak rechtbank onder 2) in aanvulling op de op dat moment
voorliggende aanvraag tot vooroverleg nog door belanghebbende zouden moeten worden
verstrekt, waaronder een ‘aanvraagformulier’;
- anders dan de gemeente heeft gesteld, is belanghebbende niet in de gelegenheid gesteld de
(concept-)aanvraag in te trekken; onder die omstandigheid kunnen geen leges worden
geheven;
- schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur, omdat de gemeente alleen via
het elektronisch indienen van een aanvraag voor vooroverleg de mogelijkheid biedt om
informatie te verkrijgen, en voorts omdat de gemeente onjuiste informatie heeft verstrekt.

4.2.2.

Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende zijn standpunt als volgt nader toegelicht:

“Destijds ben ik naar aanleiding van werkzaamheden bij de buren via de website van de gemeente op zoek gegaan naar informatie over de openbare ruimte. Het invullen van een aanvraagformulier was de enige mogelijkheid om een vraag te stellen aan de gemeente.
U vraagt mij of ik ook geprobeerd heb om mij per brief tot de gemeente te wenden.
Dat heb ik niet gedaan. Dat was mogelijk geweest, maar ik heb ervoor gekozen om het digitaal te doen. Het indienen van het aanvraagformulier was op dat moment, om 23.30 uur, mijn enige (digitale) mogelijkheid om aan de gewenste informatie te komen.

(…)
Op 24 juni 2015 heb ik een voicemailbericht ontvangen van de [medewerker-1 van de gemeente] . In dat bericht is voor de tweede maal onjuiste informatie verstrekt. (…) De gemeente heeft mij in eerste instantie verteld dat er niets met de openbare ruimte zou gebeuren. Ik kon mij dat, gezien de werkzaamheden bij de buren, echter niet voorstellen. [medewerker-1 van de gemeente] heeft mij verwezen naar de [medewerker-2 van de gemeente] .
heeft mij gezegd aanvullende gegevens nodig te hebben om te kunnen voorzien in mijn informatiebehoefte. Ik voelde mij daardoor uitgenodigd om meer informatie te geven. Vervolgens werd ik overvallen door de factuur. Ik heb nooit de mogelijkheid gekregen om mijn aanvraag in te trekken.

Ik betwist niet dat ik de optie om het verzoek door te zetten als een verzoek tot vooroverleg heb aangevinkt. Ik wilde te weten komen wat er zou gebeuren in verband met de werkzaamheden bij de buren. Desgevraagd bevestig ik de digitale aanvraag te hebben ingevuld op de wijze zoals wordt weergeven in bijlage 8 en 9 bij het verweerschrift in eerste aanleg. Ik was mij niet bewust van de kosten die aan deze aanvraag verbonden waren. Desgevraagd bevestig ik de toelichting bij het aanvraagformulier gelezen te hebben.
Op de website van de gemeente is alleen te vinden dat er kosten aan verbonden kunnen zijn, niet hoe hoog deze kosten zijn.

U vraagt mij hoe mijn verzoek om informatie over de inrichting van de openbare ruimte zich verhoudt tot mijn vraag naar de mogelijkheid om de stoep te verlagen. Ik antwoord daarop dat die twee aspecten met elkaar verbonden zijn. Ik was op zoek naar mijn mogelijkheden bij de inrichting van de openbare ruimte gezien het verdwijnen van een parkeervak.”

4.3.1.

De heffingsambtenaar heeft het standpunt van belanghebbende betwist en gesteld dat terecht leges zijn geheven.

4.3.2.

Ter zitting van het Hof heeft de heffingsambtenaar zijn standpunt als volgt nader toegelicht:


“Op de website van de gemeente staan verschillende mogelijkheden vermeld om contact op te nemen met de gemeente. Communicatie is bijvoorbeeld mogelijk per brief, e-mail en WhatsApp. De aanvraag van belanghebbende is op 18 juni 2015 voor het eerst in behandeling genomen en vervolgens uitgezet bij “het ingenieursbureau”, in de persoon van de [medewerker-2 van de gemeente] . Het ingenieursbureau is de afdeling van de gemeente die zich bezig houdt met de inrichting van de openbare ruimte. De [medewerker-2 van de gemeente] heeft op 24 juni 2015 gereageerd. Dit is door de [medewerker-1 van de gemeente] aan belanghebbende medegedeeld. Belanghebbende heeft toen op 30 juni 2015 een e-mail gestuurd aan de [medewerker-2 van de gemeente] . Deze e-mail is op 6 juli 2015 beantwoord. Het formele antwoord is op 8 juli 2015 per brief verstuurd. Daarmee was de aanvraag tot vooroverleg afgehandeld.
Belanghebbende is in een telefoongesprek op 24 juni 2015, naar aanleiding van de e-mail van 17 juni 2015 (productie 1 bij het hoger beroepschrift), in de gelegenheid gesteld zijn aanvraag in te trekken. Dat wilde hij echter niet. Desgevraagd verklaar ik dat het enige bewijs van dit telefoongesprek een intern e-mailbericht is waarin [medewerker-3 van de gemeente] meedeelt dat zij het desbetreffende telefoongesprek met belanghebbende heeft gehad. Dit

e-mailbericht behoort niet tot de gedingstukken. (…)

U vraagt mij hoe het belanghebbende duidelijk kon zijn dat hij met het indienen van de aanvraag een verzoek tot vooroverleg, als bedoeld in de legesverordening, deed. Ik antwoord daarop dat belanghebbende de optie om het verzoek door te zetten als een verzoek tot vooroverleg heeft aangevinkt. Dit is zichtbaar in de ‘audit trail’, bijlage 8 bij het verweerschrift in eerste aanleg. De daarop zichtbare tekst ‘Om vooroverleg te ondersteunen … als betrokkene toevoegen’ is alleen zichtbaar als de betreffende optie is aangevinkt.

Op de website is duidelijk vermeld dat leges in rekening gebracht worden bij een verzoek tot vooroverleg. Een gemiddelde burger wordt geacht te weten dat een dergelijk verzoek kosten met zich mee brengt. De legesverordening is bekendgemaakt.

Desgevraagd verklaar ik niet toe te kunnen lichten waarom in de brief van 8 juli 2015 de term ‘concept aanvraag’ wordt gebruikt in plaats van ‘verzoek tot vooroverleg’. Er worden twee verschillende termen gehanteerd voor dezelfde handeling.

Ik meen dat het belastbaar feit zich heeft voorgedaan bij het indienen van de aanvraag op 3 juni 2015 om 23.30 uur. Na vragen van het Hof, ben ik bij nader inzien van mening dat het belastbaar feit zich heeft voorgedaan op 18 juni 2015; het moment waarop de dienst is verricht. Op 18 juni 2015 is de aanvraag van belanghebbende bekeken en uitgezet binnen de organisatie en is er telefonisch contact geweest met belanghebbende.

U vraagt mij wat bedoeld wordt met ‘op 18 juni is vastgesteld dat belanghebbende een aanvraag tot vooronderzoek deed in aanvulling op een reeds lopende aanvraag’. Ik antwoord daarop dat de reeds lopende aanvraag de aanvraag van de buurman is.

U wijst mij erop dat op pagina 2 van mijn verweerschrift in eerste aanleg staat dat het er op leek dat belanghebbende slechts informatie wilde. Als dat het geval was geweest, zouden geen leges verschuldigd zijn. Het verzoek van belanghebbende was echter tweeledig. Het was een verzoek om informatie over wat er ging gebeuren met de openbare ruimte en een verzoek om vooroverleg met betrekking tot de aanvraag van een vergunning.”

4.4.1.

Naar het oordeel van het Hof staat vast dat belanghebbende op 3 juni 2015 via de website van de gemeente Haarlemmermeer elektronisch een aanvraagformulier heeft ingevuld en ingediend. Zoals niet weersproken door belanghebbende door de heffingsambtenaar is gesteld, bevatte dat aanvraagformulier de mogelijkheid om aan te geven of vooroverleg werd gewenst en heeft belanghebbende het desbetreffende vakje gevinkt. Dit aanvraagformulier – en daarmee de wens om vooroverleg te hebben – had mede betrekking op de wens om door middel van verlaging van een stoep parkeren op eigen terrein mogelijk te maken.

4.4.2.

Het Hof kwalificeert het door belanghebbende ingediende aanvraagformulier als een aanvraag voor het voeren van vooroverleg als bedoeld in par. 2.2.1.1 van de Tarieventabel (hierna: de aanvraag). Dat het daarbij een plan betreft dat (als vermeld in par. 2.2.1.1 van de Tarieventabel) in de reguliere procedure valt is tussen partijen niet in geschil. Aan deze kwalificatie doet niet af dat het belanghebbende, naar hij heeft gesteld, mede erom ging om van de gemeente informatie te verkrijgen over de inrichting van de openbare ruimte ter plaatse van zijn woning.

4.4.3.

Uit de e-mail van de heffingsambtenaar van 17 juni 2015 blijkt dat belanghebbende in de gelegenheid is gesteld de aanvraag aan te vullen. Dit betekent dat in beginsel ervan moet worden uitgegaan dat de aanvraag op 17 juni 2015 in behandeling is genomen. “In beginsel”, omdat de brief van 17 juni 2015 voorwaardelijk is geformuleerd en – kennelijk – de mogelijkheid inhoudt om de aanvraag in te trekken, althans de in de brief vermelde opties niet uit te oefenen.

4.4.4.

Vaststaat voorts dat belanghebbende, zoals blijkt uit zijn e-mail van 30 juni 2015 (uitspraak rechtbank onder 3), aanvullende informatie heeft verstrekt. Het Hof gaat ervan uit dat belanghebbende daarmee heeft voldaan aan de in de e-mail van de gemeente vermelde ‘Optie 1’, althans dat voldoende nadere informatie is verstrekt om de aanvraag (materieel) in behandeling te nemen. In zoverre een niet voldoen aan de in de e-mail van 17 juni 2015 vermelde opties ertoe zou leiden dat de aanvraag als ingetrokken zou moeten worden beschouwd, leidt het Hof uit de verstrekking van de nadere informatie door belanghebbende af dat dit (mogelijke) rechtsgevolg op die grond is uitgebleven. Uit de e-mail van de gemeente van 6 juli 2015 (uitspraak rechtbank onder 4) blijkt voorts dat de aanvraag voor vooroverleg ook in materiële zin in behandeling is genomen.

4.4.5.

Dat belanghebbende overigens enig recht toekwam om de aanvraag – vrij van leges – in te trekken is niet aannemelijk geworden. Een niet voldoende duidelijk communiceren over deze mogelijkheid zet de verschuldigdheid van leges in dit geval derhalve niet opzij. Dit betekent dat het Hof voorbij gaat aan de stelling van belanghebbende dat hij niet voldoende duidelijk in de gelegenheid is gesteld om zijn aanvraag in te trekken en zich de verschuldigde leges te besparen.

4.4.6.

Het hiervoor overwogene houdt in dat het in de Verordening bedoelde belastbare feit zich heeft voorgedaan en dat ter zake van dat feit terecht leges zijn geheven.

4.5.1.

Ter zake van de stelling van belanghebbende dat de heffingsambtenaar in strijd heeft gehandeld met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur oordeelt het Hof als volgt. Anders dan belanghebbende heeft gesteld, acht het Hof het, gelet op hetgeen de heffingsambtenaar – niet weersproken door belanghebbende – ter zitting van het Hof heeft verklaard, niet aannemelijk dat hij uitsluitend door middel van het langs elektronische weg doen van de aanvraag de mogelijkheid had om informatie over de inrichting van de openbare ruimte ter plaatse van zijn woning te verkrijgen. In het midden kan derhalve blijven welk rechtsgevolg zou zijn te verbinden aan een door de gemeente uitsluitend elektronisch bieden van de mogelijkheid informatie van haar te verkrijgen.

4.5.2.

Naar het oordeel van het Hof kan de gemeente worden verweten dat belanghebbende niet in alle opzichten juist is geïnformeerd over de gevolgen van werkzaamheden bij een buurpand voor de ter plaatse aanwezige parkeermogelijkheden. De heffingsambtenaar heeft dit op zichzelf ook niet betwist. Bovendien zijn de formuleringen die de gemeente bij de behandeling van de aanvraag heeft gebruikt op bepaalde (ondergeschikte) punten onzorgvuldig, zoals het in de e-mail van 17 juni 2015 (enerzijds) constateren van een aanvraag die is ontvangen – dat kan dan alleen het op 3 juni 2015 door belanghebbende ingediende aanvraagformulier zijn –, terwijl (anderzijds) in diezelfde e-mail van belanghebbende wordt verlangd dat hij nog een aanvraagformulier indient.
Deze onvolkomenheden doen echter niet eraan af dat het belastbare feit zich heeft voorgedaan.

4.5.3.

Het Hof verwerpt derhalve het beroep van belanghebbende op schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

Slotsom
4.6. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

5
5. Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. E.A.G. van der Ouderaa, voorzitter, H.E. Kostense en I.J.F.A. van Vijfeijken, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. A.H. van Dapperen als griffier. De beslissing is op 12 september 2017 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.