Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:3995

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
02-10-2017
Datum publicatie
09-10-2017
Zaaknummer
23-000784-17
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

winkel diefstal en inbraak woonboot, strafmaat, bnp

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000784-17

datum uitspraak: 2 oktober 2017

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 27 februari 2017 in de strafzaak onder parketnummer 13-741035-17 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,

thans gedetineerd in [detentie]

postadres: [adres 1] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 18 september 2017.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1:
hij op of omstreeks 16 februari 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een of meer verpakking(en) chocola en/of zalm, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [AH] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

2:
hij op of omstreeks 13 oktober 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woonboot (gelegen aan de [adres 2] ) heeft weggenomen een laptop (merk Sony) en/of een laptoptas, geheel of ten dele toebehorend aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot die/dat voornoemde woonboot heeft/hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking van een luik van voornoemde woonboot en/of door middel van braak en/of verbreking van het glas van de toegangsdeur van voornoemde woonboot, in elk geval door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, reeds omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:
hij op 16 februari 2017 te Amsterdam, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen verpakkingen chocola en een verpakking zalm, toebehorende aan [AH] .

2:

hij op 13 oktober 2015 te Amsterdam, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woonboot, gelegen aan de [adres 2] , heeft weggenomen een laptop (merk Sony) en een laptoptas, toebehorend aan [slachtoffer] , waarbij hij, verdachte, zich de toegang tot die voornoemde woonboot heeft verschaft door middel van inklimming.

Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Met de advocaat-generaal en de raadsvrouw is het hof van oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten biedt om ten aanzien van feit 2 wettig en overtuigend bewezen te achten dat de verdachte de diefstal met inklimming in vereniging heeft gepleegd, zodat hij van dat onderdeel van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

diefstal.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de politierechter in eerste aanleg opgelegd.

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting het hof verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. In detentie is de verdachte tot de conclusie gekomen dat hij een andere weg in wil slaan. De verdachte kan naar alle waarschijnlijkheid op korte termijn in Den Haag aan het werk bij Avalex en hij kan in Den Haag bij zijn moeder wonen. De raadsvrouw heeft het hof verzocht de aan de verdachte op te leggen detentie met het oog op zijn kans op betaald werk te beperken tot de periode dat hij in voorarrest heeft gezeten, dan wel een eventueel resterend deel als voorwaardelijke straf of in de vorm van een taakstraf op te leggen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een inbraak in een woonboot, die op dat moment bij toeristen in gebruik was en een laptop en laptoptas van deze toeristen ontvreemd. Hiermee heeft hij inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van en schade berokkend aan zowel de eigenaar van de woonboot als de toeristen die daar ten tijde van het feit tijdelijk verbleven. Een dergelijk feit veroorzaakt daarnaast maatschappelijke onrust en gevoelens van onveiligheid. Bovendien bezorgt een dergelijk feit Amsterdam een slechte naam bij toeristen. Het hof rekent dit de verdachte aan.

De verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan winkeldiefstal van enige levensmiddelen. Hiermee heeft hij het eigendomsrecht van winkelbedrijf Albert Heijn geschonden. Winkeldiefstal is een ergerlijk feit dat hinder, overlast en schade veroorzaakt bij de getroffen winkelbedrijven en storend is voor het winkelend publiek.

Het hof weegt in het nadeel van de verdachte dat hij, blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 5 september 2017, eerder verschillende keren onherroepelijk is veroordeeld, onder andere wegens vermogensdelicten, en dat hij in een proeftijd liep van een straf die hem eerder voorwaardelijk was opgelegd.

Het hof acht het te prijzen dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep ook het tweede feit heeft bekend en dat hij zijn excuses heeft aangeboden aan de benadeelde partij. Het hof acht desondanks, alles afwegende, een gevangenisstraf gelijk aan de gevangenisstraf zoals door de politierechter opgelegd, passend en geboden. Vooral de ernst van het onder 2 bewezenverklaarde feit maakt dat met een lagere dan wel andersoortige straf niet kan worden volstaan. De door de verdediging geschetste mogelijkheid van betaald werk acht het hof positief, maar dermate onzeker dat daaraan geen matigende werking zal worden toegekend, bezien in het licht van de ernst van de feiten.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot materiële schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.250,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 711,11. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft het hof ter terechtzitting verzocht de vordering toe te wijzen tot een bedrag van € 780,79 met wettelijke rente vanaf 13 oktober 2015 en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsvrouw heeft het hof ter terechtzitting verzocht aan schadevergoeding toe te kennen het bedrag wat de benadeelde partij in zijn e-mail van 30 maart 2016 noemt als glasschade, te weten € 659,11, onder aftrek van de BTW over dit bedrag, en de vordering voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag, te weten een bedrag van € 544,72 aan glasschade aan de toegangsdeur (samengesteld uit een bedrag van € 158,56, € 247,04 en € 139,12), exclusief de BTW. De benadeelde partij kan de omzetbelasting (BTW) immers waarschijnlijk verrekenen met de fiscus, zodat dat gedeelte van de vordering niet voor vergoeding gereed ligt. De verdachte is tot vergoeding van de schade van € 544,72 gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 57, 63, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 544,72 (vijfhonderdvierenveertig euro en tweeënzeventig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 13 oktober 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 544,72 (vijfhonderdvierenveertig euro en tweeënzeventig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 13 oktober 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C.N. Dalebout, mr. G. Oldekamp en mr. G.M. Boekhoudt, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Tilburg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 2 oktober 2017.

Mr. Oldekamp is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]