Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:3989

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-10-2017
Datum publicatie
09-10-2017
Zaaknummer
23-006370-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1. Verwerping van verweren strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring OM, bewijsuitsluiting dan wel strafvermindering. 2. Veroordeling ter zake van witwassen. Overwegingen met betrekking tot van misdrijf afkomstig zijn van geld en voorwerpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-006370-08

datum uitspraak: 3 oktober 2017

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Haarlem van 28 november 2008 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 15-500606-05 en 15-840035-07 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966,

thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

door de verdachte opgegeven adres: [adres 1] .

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

De verdachte is door de rechtbank Haarlem vrijgesproken van het in de zaak met parketnummer

15-500606-05 onder de laatste twee gedachtestreepjes tenlastegelegde, te weten “- een Volkswagen Touareg personenauto, althans een geldbedrag van 48.000 euro en/of - een geldbedrag van ongeveer

€ 62.700, althans enig geldbedrag (zijnde het tegoed op aan de verdachte en/of verdachtes mededader toebehorende bankrekeningen)” en van het onderdeel “althans van (een) voorwerp(en), te weten (grote) geldbedragen (onder meer voor vakanties), gebruik heeft gemaakt”, alsmede van het in de zaak met parketnummer 15-840035-07 onder het eerste gedachtestreepje ten laste gelegde, te weten “- een Multi-Micro-Sensor/digitale microscoop (merk Sharp/Shiseido, met een waarde van ongeveer 20.000 euro)”. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen deze in eerste aanleg gegeven beslissingen tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissingen geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen deze in het vonnis waarvan beroep gegeven deelvrijspraken.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 6 juli 2011, 7 oktober 2011, 10 december 2012, 15 januari 2014, 30 augustus 2017 en 19 september 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlasteleggingen

Aan de verdachte is, voor zover in hoger beroep aan de orde, ten laste gelegd dat:

- in de zaak met parketnummer 15-500606-05:

hij in of omstreeks de periode van 5 t/m 6 april 2006, althans in of omstreeks de periode van

17 januari 2006 tot en met 6 april 2006, te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, (een) voorwerp(en), te weten

- een geldbedrag van 110.950 euro,

- 21 horloges (van onder meer de merken Audemars Piquet, Cartier en Rolex) met een gezamenlijke waarde van (in ieder geval) ongeveer 72.000 euro, althans een aanzienlijke waarde,

hebben/heeft verworven, voorhanden hebben/heeft gehad, hebben/heeft overgedragen en/of omgezet, terwijl hij en/of zijn mededader wist dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren/was uit enig misdrijf;

- en in de zaak met parketnummer 15-840035-07:

hij op of omstreeks 27 november 2007, te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (een) voorwerp(en), te weten

- een cryptofoon (met een waarde van ongeveer 1.900 euro) en/of

- een geldbedrag van 9.700 euro (bestaande uit 200 biljetten van 20 euro en/of 114 biljetten van 50 euro) en/of

- 1.197 US Dollar en/of

- een geldbedrag van 300 euro (bestaande uit 15 biljetten van 20 euro) en/of

- een geldbedrag van 16.960 euro (bestaande uit 33 biljetten van 100 euro en/of 252 biljetten van 50 euro en/of 53 biljetten van 20 euro) en/of

- een geldbedrag van 500 euro (bestaande uit 10 biljetten van 50 euro) en/of

- een horloge (merk Audemars Piquet, Rubens Barrichello Platina 091/150, met een waarde ongeveer 77.000 euro) en/of

- een horloge (merk Audemars Piquet, Alinghi Carbon 76/1300, met een waarde ongeveer 22.000 euro),

heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en) dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren/was uit enig misdrijf.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Bespreking van gevoerde verweren met betrekking tot het voorbereidend onderzoek

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging betoogd dat wegens vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van de verdachte, subsidiair bewijsuitsluiting moet worden toegepast, althans dat strafvermindering moet volgen. Daartoe is aangevoerd dat:

  • -

    i) het onderzoek aan de kleding van de verdachte op 5 april 2005 disproportioneel en daarom onrechtmatig (in strijd met art. 56 Wetboek van Strafvordering, hierna: Sv) was, bij gebreke van een goede reden voor dit onderzoek en omdat de verdachte tot in zijn onderbroek is gefouilleerd, waarbij – nu het proces-verbaal van aanhouding niet inhoudt waarom en op welke wijze het onderzoek in de onderbroek heeft plaatsgevonden – ernstig rekening ermee moet worden gehouden dat de grens tussen een onderzoek aan de kleding en een onderzoek aan het lichaam is overschreden;

  • -

    ii) de doorzoeking van de auto van de verdachte onrechtmatig heeft plaatsgevonden, want met een grondigheid die niet te rechtvaardigen valt door de jegens de verdachte gerezen verdenking van overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl voor overtreding van de Opiumwet geen redelijk vermoeden van schuld bestond, en omdat de doorzoeking eigenlijk plaatsvond in het kader van de bewijsgaring in het zogenaamde

Rock-onderzoek betreffende een diamantroof op Schiphol, zodat sprake is van détournement de pouvoir;

  • -

    iii) de verdachte ten onrechte is onderworpen aan dwangmiddelen en opsporingsmiddelen, omdat geen redelijk vermoeden van schuld bestond van betrokkenheid van de verdachte bij de zojuist genoemde diamantroof;

  • -

    iv) door de rechter-commissaris in 2005 en 2006 ten onrechte tapmachtigingen zijn verleend, omdat hij bij gebreke van een redelijk vermoeden van schuld in redelijkheid niet kon komen tot het verlenen van die machtigingen; de machtigingen zijn ten onrechte gegeven, uitgevoerd en langdurig verlengd. Gezien de duur en de hoeveelheid stukken die in strijd met de waarheid zijn opgemaakt, kan het niet anders zijn dan dat dit doelbewust is gedaan;

  • -

    v) onvoldoende transparantie bestaat over de in 2007 verrichte opsporingshandelingen en

over de grondslag daarvoor, waaronder mede begrepen de vraag in welk onderzoek die opsporingshandelingen zijn verricht (het onderhavige witwas-onderzoek, dan wel het

Rock-onderzoek). Als gevolg daarvan kunnen deze opsporingshandelingen niet worden getoetst, zodat het ervoor moet worden gehouden dat zij onrechtmatig hebben plaatsgevonden.

Het hof verwerpt deze verweren op de gronden zoals weergegeven in de hier als herhaald en ingelast te beschouwen overwegingen van de rechtbank in het vonnis waarvan beroep op de bladzijden 2 tot en met 6. Een kopie van het vonnis is aan dit arrest gehecht (zie bijlage). Ten aanzien van het verweer onder (i) overweegt het hof in aanvulling op de overwegingen van de rechtbank als volgt. Een aanknopingspunt ontbreekt voor de veronderstelling dat de fouillering van de verdachte verder is gegaan dan een onderzoek gericht op de inhoud van zijn kleding en dat sprake zou zijn geweest van een onderzoek aan het lichaam (vgl. HR 23 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ8248). Overigens bevindt zich naar het oordeel van het hof in het onderhavige dossier geen bewijsmateriaal dat is verkregen als rechtstreeks gevolg van deze door de verdediging gewraakte fouillering. Aan zich voor compensatie door strafvermindering lenend nadeel dat de verdachte als gevolg van die fouillering zou hebben ondervonden komt het hof niet toe. Het hof voegt daar nog aan toe dat geen sprake is geweest van een stelselmatig en doelbewust optreden in strijd met de wet door de opsporingsambtenaren en het openbaar ministerie ten nadele van de verdachte.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen zal worden vernietigd, omdat het hof op onderdelen tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Bespreking van de gevoerde bewijsverweren

De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit, omdat niet kan worden uitgesloten dat de in de tenlastelegging genoemde vermogensbestanddelen een legale herkomst hebben en een criminele herkomst geenszins als enige aanvaardbare verklaring kan gelden. Daartoe is aangevoerd dat gezien

het dossier – hoewel de verdachte langdurig en intensief onderwerp van onderzoek is geweest

– geen rechtstreeks verband kan worden gelegd met een concreet misdrijf alsmede dat de plausibele

en verifieerbare verklaring van de verdachte – afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van

15 januari 2014 – een eventueel vermoeden van witwassen weerlegt. Volgens die verklaring handelde

de verdachte in de periode van 2005 tot en met 2007 voornamelijk in horloges. De horloges die bij de doorzoekingen zijn aangetroffen in de woningen van [medeverdachte] en [naam 1] waren niet van de verdachte; hij had deze in consignatie van de heer [naam 3] . De opbrengst van de verkoop was, behoudens een commissie voor de verdachte, bestemd voor [naam 3] , die in die tijd in Dubai woonachtig was en wiens bedrijf aldaar was gevestigd. Deze verklaring vindt steun in de tijdens de doorzoeking in 2006 aangetroffen commercial license van de Verenigde Arabische Emiraten op naam van de verdachte, een overgelegde schriftelijke verklaring, inclusief kopie paspoort, van 30 november 2012

van [naam 3] als managing partner van [bedrijf 1] , een schriftelijke verklaring van [naam 3] van 4 juli 2012 betreffende de horloges die zijn afgeleverd bij de verdachte en in

een accountantsrapport betreffende [bedrijf 1] over 2013 waarin het verlies in de vorm van

aan de verdachte in consignatie gegeven horloges wordt verantwoord in de jaarrekeningen. Voorts is aangevoerd dat zowel het in 2006 als het in 2007 aangetroffen geld afkomstig was van reeds verkochte horloges en dat dit bestemd was voor Seung Hoon [naam 3] .

De verdediging heeft derhalve niet bestreden dat de verdachte het geld en de horloges in de woningen

van [medeverdachte] en [naam 1] voorhanden heeft gehad, maar wel dat dit geld en deze horloges van misdrijf afkomstig zijn.

Voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis, eerste lid, onder a en b, van het Wetboek van Strafrecht opgenomen bestanddeel “afkomstig uit enig misdrijf”, is niet vereist dat uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf. Indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen een voorwerp en een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat een voorwerp “uit enig misdrijf” afkomstig is, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Als uit het door het openbaar ministerie aangedragen bewijs feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid die van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het voorwerp. Indien de verdachte een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven over de herkomst van het voorwerp, dan ligt het vervolgens op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het voorwerp. Tegen deze achtergrond, komt het hof tot de volgende overwegingen en conclusie.

- In de zaak met parketnummer 15-500606-05:

In de woning van de medeverdachte [medeverdachte] , de moeder van kinderen van de verdachte, aan de Imogirituin 31 te Amsterdam zijn bij een doorzoeking op 5 april 2006, in de keuken 7 horloges en het paspoort van de verdachte gevonden en in de slaapkamer 14 horloges en – in kleine coupures – een contant geldbedrag van ruim € 110.000. Dit geld lag op drie plaatsen in deze slaapkamer. Ongeveer

€ 38.000,- lag in een kledingkast, in een dekbed verpakt in een plastic hoes, ruim € 70.000,- in een plastic tas in een kledingkast en 57 briefjes van € 50,- (€ 2.850,-) lagen met de 14 horloges in een lade van een andere kast. De gezamenlijke waarde van de 21 horloges was ongeveer € 72.345,-.1

Van de verdachte is bij de Belastingdienst over de jaren 2001 tot en met 2005 geen inkomen bekend,2 terwijl de Belastingdienst – op basis van het gegeven dat de verdachte in de gemeentelijke basisadministratie bijna onafgebroken tot 27 december 2007 op een adres in Nederland ingeschreven

is geweest en hij in Nederland bij de medeverdachte [medeverdachte] drie door hem erkende kinderen heeft waarvan de jongste op 18 juni 2006 is geboren – tot de voorlopige conclusie is gekomen dat de verdachte ten minste tot 2008 in Nederland woonachtig is geweest en derhalve voor zijn wereldinkomen in Nederland belastingplichtig was.3

Het over de jaren 2001 tot en met 2005 bij elkaar opgetelde bij de Belastingdienst bekende inkomen

van medeverdachte [medeverdachte] bedraagt in totaal € 82.000,-4 (gedeeld door vijf is dat € 16.400,- per jaar). Uit bankafschriften van de medeverdachte [medeverdachte] volgt dat zij in de periode van 1 juli 2004 tot en

met 6 januari 2006 maandelijks aan vaste lasten (exclusief onder meer: telefoonkosten, kosten voor levensmiddelen en kleding en afbetalingen voor een auto) ruim € 1.500,- van haar ABN-AMRO rekening met nummer 484710079 heeft betaald.5 Voorts volgt uit bankafschriften van de Fortisbank rekening met nummer 973919574 dat de medeverdachte [medeverdachte] maandelijks € 958,76 huur betaalde voor een niet door haar bewoonde woning aan het [adres 2] en voor die woning € 46,73 per maand aan energiekosten betaalde.6

In het op 3 oktober 2017 uitgesproken arrest in de zaak tegen de medeverdachte [medeverdachte] onder parketnummer 23-006369-08 is het hof gemotiveerd tot het oordeel gekomen dat het van de medeverdachte bij de Belastingdienst bekende inkomen – ook indien daarbij wordt opgeteld wat de medeverdachte aan inkomsten stelt te hebben gehad, voor zover die stellingen niet als onaannemelijk terzijde zijn geschoven – geen verklaring biedt voor de vermogenstoename van de medeverdachte,

voor haar uitgavenpatroon en het overigens kunnen voorzien in haar levensonderhoud en dat van haar kinderen op de wijze zoals zij dat deed. Dat oordeel en de daaraan ten grondslag gelegde motivering dienen als hier ingelast te worden beschouwd. Een kopie van het arrest is aan dit arrest gehecht (zie bijlage).

In het licht van het bovenstaande is het hof van oordeel dat de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Het hof acht daarvoor in het bijzonder redengevend het ontbreken van enige aanwijzing

die duidt op een legale herkomst van dit geld met daarbij het gegeven dat de uitgaven van de medeverdachte [medeverdachte] , structureel de tegenover de Belastingdienst verantwoorde inkomsten van haarzelf en de verdachte aanmerkelijk hebben overschreden. Mitsdien mag van de verdachte een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring worden verlangd over de herkomst van het geld en de waardevolle horloges.

De verdachte heeft zich wat betreft de herkomst van het geld en de horloges tot aan de terechtzitting in hoger beroep van 15 januari 2014 op zijn zwijgrecht beroepen. Door zijn raadsvrouw is ter terechtzitting in hoger beroep van 10 december 2012 voor het eerst de voormelde heer [naam 3] opgevoerd. De verdachte heeft op 15 januari 2014 verklaard dat hij commercial broker is, intermediair tussen bedrijven. Ook heeft hij verklaard dat hij handelde in horloges. Volgens de verdachte was het aangetroffen geld afkomstig

van de verkoop van horloges van de heer [naam 3] , horloges die de verdachte in consignatie had gekregen.

De verdachte heeft voorts verklaard dat hij geen administratie bijhoudt, omdat hij in Dubai woont en het daar niet nodig is een gedetailleerde administratie bij te houden. Volgens de verdachte gaat het in Dubai heel anders dan hier in Nederland en staat de vertrouwensrelatie centraal en is dat het uitgangspunt voor handelen. Volgens de verdachte werd bij de verkoop van de horloges geen gebruik gemaakt van een bon noch van officiële fabriekscertificaten. Over zijn cliënten wilde de verdachte verder niet verklaren.7

Naar het oordeel van het hof is deze – in een zeer laat stadium – afgelegde verklaring kwestieus,

omdat het op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is dat het in Dubai niet nodig zou zijn voor de gestelde bedrijfsvoering en voor een eventuele belastingplicht in Dubai enige controleerbare administratie bij te houden. Ook is het niet aannemelijk dat een bonafide handelaar in horloges in de prijsklasse waarvan hier sprake is zou werken zonder bon of echtheidscertificaat.

Zo beschouwd, kan worden geoordeeld dat het hof de verdachte, met de beslissing tot toewijzing van

het verzoek de door hem opgevoerde heer [naam 3] (van wie de verdediging een schriftelijke verklaring en een kopie van een paspoort heeft overgelegd) als getuige te horen, het voordeel van de twijfel heeft gegund.

Het in dat verband door de raadsheer-commissaris opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van

25 januari 2017 houdt onder meer in dat de verdediging hem niet kon voorzien van contactgegevens van de getuige en dat de Zuid-Koreaanse autoriteiten hebben laten weten dat het paspoortnummer ongeldig bleek te zijn en dat de Koreaanse naam op het paspoort (het hof begrijpt: de door de verdediging in het geding gebrachte kopie) in het Koreaans [naam 4] luidt, hetgeen de naam is van een fictieve persoon die vaak wordt gebruikt in voorbeeldformulieren, zodat de Koreaanse autoriteiten geen gevolg kunnen geven aan het door de Nederlandse autoriteiten gedaan verzoek tot het verlenen van rechtshulp.

Gelet op het vorenstaande is de verdachte naar het oordeel van het hof er niet in geslaagd de van hem verlangde concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring

te geven over de herkomst van het geld en de waardevolle horloges. Het hof is in het licht van al

het vorenstaande van oordeel dat het niet anders kan dan dat de in de bewezenverklaring vermelde geldbedragen en horloges uit enig misdrijf afkomstig zijn en dat de verdachte daarvan wetenschap had. In de zaak tegen de medeverdachte [medeverdachte] heeft het hof in het eveneens op 3 oktober 2017 uitgesproken arrest (met parketnummer 23-006369-08) vastgesteld dat zij wetenschap had van de aanwezigheid van deze geldbedragen en horloges en dat zij over dit geld ook kon beschikken en dat zij wist dat dit ging om voorwerpen met een – middellijk of onmiddellijk – misdadige herkomst. Gezien

de hier als herhaald en ingelast te beschouwen bewijsvoering in haar zaak, is het hof van oordeel dat

de verdachte dit geld en de horloges tezamen en in vereniging met [medeverdachte] voorhanden heeft gehad.

- In de zaak met parketnummer 15-840035-07

In de woning van [medeverdachte] aan de Imogirituin 31 te Amsterdam zijn op 27 november 2007 aangetroffen: in de keuken een bedrag van 1.197 US dollar, in het washok – in kleine coupures – een bedrag van € 9.700.8 Op diezelfde dag werd een doorzoeking verricht in de woning aan de [adres 3] , bewoond door de vriendin9 van de verdachte [naam 1] . Na het binnentreden werd gezien dat de verdachte via het zolderraam de woning ontvluchtte. Na een achtervolging werd de verdachte aangehouden. In de woonkamer werd een horloge met opdruk Audemars Piquet (het hof begrijpt: Audemars Piguet) en een bedrag van € 500 aangetroffen, in de slaapkamer op de eerste etage – in kleine coupures – een bedrag van € 16.960,- in de keuken een originele doos van een horloge Audemars Piguet “End of Days” 150/500 (zonder horloge),10 op de vluchtroute van de verdachte in het fietsenhok € 300,-11 en in de broekzak van de verdachte een

horloge van het merk Audemars Piguet. De waarde van voormelde Audemars Piguet horloges is door

een juwelier geschat op € 77.000,- wat betreft het horloge Audemars Piguet Rubens Barrichello Platina 091/150 en op € 22.000,- wat betreft het horloge Audemars Piguet Alinghi Carbon 76/1300.12

Mede tegen de achtergrond van hetgeen hiervoor is vastgesteld, te weten dat de verdachte zich op

5 april 2006 heeft schuldig gemaakt aan witwassen van een groot contant geldbedrag in kleine coupures en een aantal zeer waardevolle horloges, is het hof van oordeel dat ook de in de onderhavige zaak door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer

sprake is van een vermoeden van witwassen. Het hof acht daarvoor in het bijzonder redengevend dat

de verdachte opnieuw in het bezit bleek van een aanmerkelijk contant geldbedrag in kleine coupures en twee buitengewoon waardevolle horloges, terwijl opnieuw enige aanwijzing die duidt op een legale herkomst van dit geld en deze horloges ontbreekt. Mitsdien mag van de verdachte een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring worden verlangd voor de herkomst van het geld en de waardevolle horloges.

De verdachte heeft ten aanzien van dit feit geen andere dan de hierboven besproken verklaring gegeven. Mitsdien is het hof op de gronden zoals hiervoor vermeld van oordeel dat de verdachte er niet in is geslaagd de van hem verlangde concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring te geven over de herkomst van het geld en de waardevolle horloges.

Het hof is in het licht van al het vorenstaande van oordeel dat het niet anders kan dan dat de in de bewezenverklaring vermelde geldbedragen en horloges uit enig misdrijf afkomstig zijn en dat de verdachte daarvan wetenschap had.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer

15-500606-05 en in de zaak met parketnummer 15-840035-07 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat

- in de zaak met parketnummer 15-500606-05:


hij op 5 april 2006 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, voorwerpen, te weten

- een geldbedrag van ongeveer 110.000 euro,

- horloges van onder meer de merken Audemars Piguet, Cartier en Rolex met een gezamenlijke waarde van ongeveer 72.000 euro, voorhanden heeft gehad, terwijl hij en zijn mededader wisten dat bovenomschreven voorwerpen – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf;

- in de zaak met parketnummer 15-840035-07:

hij op 27 november 2007 te Amsterdam voorwerpen, te weten

- een geldbedrag van 9.700 euro bestaande uit 200 biljetten van 20 euro en 114 biljetten van 50 euro en

- 1.197 US Dollar en

- een geldbedrag van 300 euro bestaande uit 15 biljetten van 20 euro en

- een geldbedrag van 16.960 euro bestaande uit 33 biljetten van 100 euro en 252 biljetten van 50 euro en 53 biljetten van 20 euro en

- een geldbedrag van 500 euro bestaande uit 10 biljetten van 50 euro en

- een horloge merk Audemars Piguet, Rubens Barrichello Platina 091/150, met een waarde van ongeveer 77.000 euro en

- een horloge merk Audemars Piguet, Alinghi Carbon 76/1300, met een waarde van ongeveer 22.000 euro, voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerpen – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf.

Hetgeen in de zaak met parketnummer 15-500606-05 en in de zaak met parketnummer 15-840035-07 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep

in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in de zaak met parketnummer 15-500606-05 en in de zaak met parketnummer 15-840035-07 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het in de zaak met parketnummer 15-500606-05 bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van witwassen.

Het in de zaak met parketnummer 15-840035-07 bewezenverklaarde levert op:

witwassen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 15-500606-05 en in de zaak met parketnummer 15-840035-07 bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De rechtbank Haarlem heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde, voor zover in hoger beroep aan de orde en met vrijspraak ten aanzien van de cryptofoon, zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden.

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de redelijke termijn zowel in eerste aanleg als in de appelfase is overschreden, hetgeen in geval van strafoplegging, in de strafmaat dient te worden verdisconteerd. Voorts heeft zij erop gewezen dat het openbaar ministerie heeft verzuimd de signalering van de verdachte tijdig in te trekken, waardoor hij op 11 oktober 2011 gearresteerd werd, niet mocht bellen

en een nacht in de cel heeft doorgebracht. Volgens de raadsvrouw zijn de feiten zo oud dat bestraffing geen strafdoel meer dient, zodat toepassing kan worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van

de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich (met zijn mededader) schuldig gemaakt aan witwassen van aanzienlijke bedragen en van kostbare horloges. Witwassen vormt een ernstige bedreiging van de legale economie

en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Het gaat hier derhalve om ernstige feiten. Het hof overweegt dat op grond hiervan met een vrijheidsbenemende sanctie – anders dan toepassing gevend aan artikel 9a Wetboek van Strafrecht – behoort te worden gereageerd.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 22 augustus 2017

is hij eerder onherroepelijk veroordeeld.

Het hof heeft geconstateerd dat tijdens de behandeling in eerste aanleg de redelijke termijn in enige mate, en in hoger beroep in aanmerkelijke mate is overschreden, hetgeen deels het gevolg is van weinig voortvarend handelen van de overheid en deels het gevolg van verzoeken van de verdediging, die in

een laat stadium zijn gedaan. Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden met aftrek van voorarrest passend en geboden. Gelet op de geconstateerde schendingen van de redelijke termijn zal het hof de op te leggen gevangenisstraf in die zin verminderen dat deze zes maanden met aftrek van voorarrest bedraagt. Op deze wijze is naar het oordeel van het hof voldoende rekening gehouden met de ouderdom van de bewezenverklaarde feiten.

Beslag

Het in beslag genomen contante geld zal worden verbeurdverklaard, omdat dit aan de verdachte toebehoort en het bewezenverklaarde met betrekking tot dit geld is begaan. Datzelfde geldt voor

de in beslag genomen horloges van het merk Audemars Piguet.

Het hof zal de teruggave aan de verdachte gelasten van het in beslag genomen namaak horloge

met daarop het merk Tag Heuer en van een notitie en memo en enkele bescheiden en de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten van de in beslag genomen Micrometer. Over de overige onder de medeverdachte in beslag genomen goederen heeft het hof in haar zaak beslissingen genomen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 47, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissingen tot vrijspraak van het in de zaak met parketnummer 15-500606-05 onder de laatste twee gedachtestreepjes ten laste gelegde, te weten “- een Volkswagen Touareg personenauto, althans een geldbedrag van 48.000 euro en/of - een geldbedrag van ongeveer € 62.700, althans enig geldbedrag (zijnde het tegoed op aan de verdachte en/of verdachtes mededader toebehorende bankrekeningen)” en van het onderdeel “althans van (een) voorwerp(en), te weten (grote) geldbedragen (onder meer voor vakanties), gebruik heeft gemaakt”, alsmede van het in de zaak met parketnummer 15-840035-07 onder het eerste gedachtestreepje ten laste gelegde, te weten “- een Multi-Micro-Sensor/digitale microscoop (merk Sharp/Shiseido, met een waarde van ongeveer 20.000 euro)”.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer

15-500606-05 en in de zaak met parketnummer 15-840035-07 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is

bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 15-500606-05 en in de zaak met parketnummer

15-840035-07 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 1 STK Horloge Audemars Piguet;

- Geld Euro 10 x 50; 33 x 100; 252 x 50; 53 x 20;

- Geld Buitenlands 59 biljetten US dollar, totale waarde = 1197 dollar;

- Geld Euro 15 x 20;

- 1 STK Horloge Audemars Piguet;

- Geld Nederlands 31 x 500; 7 x 50; 3 x 20; 3 x 10; 1 x 5;

- Geld Nederlands Muntgeld totaal 11,96 euro.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 1 STK Horloge Tag Heuer.

- 1.00 STK Notitie en Memo;

- 7.00 STK Bescheiden.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- 1.00 STK Micrometer Kl: zwart Shiseido.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. S. Clement, mr. R. Kuiper en mr. R.C.P. Haentjens, in tegenwoordigheid van mr. S. Egidi, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 3 oktober 2017.

Mr. R.C.P. Haentjens is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Proces-verbaal van bevindingen van 5 april 2006, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] en het proces-verbaal van bevindingen van 11 mei 2006, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] (beide bijlage 12).

2 Het in de wettelijke vorm door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] opgemaakte proces-verbaal van 5 april 2006, met bijlagen, waaronder een brief van de Belastingdienst van 31 maart 2006 betreffende [verdachte] . Dit proces-verbaal van [verbalisant 3] is als bijlage 13 gevoegd bij het in de wettelijke vorm door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 4] en [verbalisant 5] opgemaakte proces-verbaal (zaakrelaas zaakdossier B13) van 8 november 2006.

3 Brief van mr. drs. [naam 5] , Belastingdienst/Kantoor Hoorn, namens de inspecteur van 2 juli 2013, gevoegd bij de ingekomen stukken voor de terechtzitting in hoger beroep van 15 januari 2014.

4 Het in de wettelijke vorm door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 4] en [verbalisant 5] opgemaakte proces-verbaal (zaakrelaas zaakdossier B13) van 8 november 2006, p. 14, met als bijlage 13 de desbetreffende gegevens van de Belastingdienst.

5 Het in de wettelijke vorm door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 4] en [verbalisant 5] opgemaakte proces-verbaal (zaakrelaas zaakdossier B13) van 8 november 2006, p. 15, met als bijlage 14 de desbetreffende bankafschriften.

6 Het in de wettelijke vorm door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 4] en [verbalisant 5] opgemaakte proces-verbaal (zaakrelaas zaakdossier B13) van 8 november 2006, p. 15, met als bijlage 15 de desbetreffende bankafschriften.

7 Verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 15 januari 2014.

8 Proces-verbaal van binnentreden en doorzoeking van 27 november 2007, met bijlagen, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 6] (doorgenummerde p. 73-77).

9 Proces-verbaal van verhoor getuige [naam 1] van 30 november 2007, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 7] (doorgenummerde p. 107).

10 Proces-verbaal van binnentreden en zoeking van 29 november 2007, met bijlagen, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 7] (doorgenummerde p. 99-104).

11 Proces-verbaal van bevindingen van 6 december 2007, met bijlagen, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 8] en [verbalisant 9] (doorgenummerde p. 136-146).

12 Proces-verbaal van bevindingen van 27 november 2007, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4] (doorgenummerde p. 166-167).