Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:3955

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
02-10-2017
Datum publicatie
04-10-2017
Zaaknummer
23-003040-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling voorhanden hebben van een nepwapen en een werpster.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-003040-16

datum uitspraak: 2 oktober 2017

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 27 juli 2016 in de strafzaak onder parketnummer 13/731075-15 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,

adres: [adres 1] .

Ontvankelijkheid van het ingestelde hoger beroep

De verdachte is door rechtbank Amsterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is ten laste gelegd en het hem onder 3 ten laste gelegde, voor zover dat ziet op het voorhanden hebben van een boksbeugel. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen die in eerste aanleg gegeven beslissingen tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissingen geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraken.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

18 september 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is, voor zover in hoger beroep nog aan de orde, ten laste gelegd dat:

2:
hij op of omstreeks 23 april 2015 te Amsterdam tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, een of meer wapen(s) van categorie I onder 7°, te weten

- een of meer (twee) nabootsing(en) van een vuurwapen (merk onbekend) en/of

- een nabootsing van een vuurwapen (merk onbekend, model Special Combat 1911) en/of

- een nabootsing van een vuurwapen (merk Commando, model M121448) en/of - een nabootsing van een vuurwapen (merk Walther, model P99) en/of

- een nabootsing van een vuurwapen (merk M37, model Double Eagle) en/of

- een of meer (twee) nabootsing(en) van een vuurwapen (merk Crosman, model 357) en/of

- een nabootsing van een vuurwapen (merk Umarex, model HK USP),

zijnde (een) voorwerp(en) dat/die voor wat betreft zijn/hun vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoonde(n) met (een) vuurwapen(s) voorhanden heeft gehad;


3:
hij op of omstreeks 23 april 2015 te Amsterdam tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, een wapen van categorie I, te weten een werpster, voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Overweging omtrent het bewijs

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte integraal moet worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde, omdat het bewijsmateriaal dat is aangetroffen bij de doorzoeking van de woning van de verdachte, onrechtmatig is verkregen en van het bewijs moet worden uitgesloten. Daartoe is, samengevat, aangevoerd dat de juistheid van de inhoud de MMA-melding onvoldoende is geverifieerd. Het uitvoeren van een ‘GBA-check’ (het hof begrijpt: de raadpleging van de Basisregistratie Personen) kan niet als toereikend worden beschouwd. Nu de MMA-melding dus op zichzelf stond was er onvoldoende verdenking om tot de doorzoeking over kunnen te gaan, hetgeen tot bewijsuitsluiting moet leiden.

Het hof stelt op grond van de stukken van het dossier, waaronder in het bijzonder het proces-verbaal met nummer PL1300-2015093788-42, en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep het volgende vast.

Op 23 april 2015 is bij de politie Amsterdam een Meld Misdaad Anoniem (MMA) melding binnengekomen met de volgende informatie:

‘ [medeverdachte] , woonachtig [adres 2] te Amsterdam, heeft een Kalasjnikov in zijn woning. In zijn kluis ligt een grote hoeveelheid contant geld, vermoedelijk verkregen uit criminele activiteiten.’

Vervolgens zijn in de Basisregistratie Personen de gegevens betreffende het perceel [adres 2] te Amsterdam geraadpleegd, waarbij bleek dat daar woonachtig was [medeverdachte] , geboren te Amsterdam op 12 april 1963. Het betreft hier de vader van de verdachte; de verdachte woonde bij zijn vader in.

Na overleg tussen de dienstleiding van de Dienst Regionale Recherche en de officier van justitie te Amsterdam [OvJ] werd (kennelijk volgens de beslissing van laatstgenoemde) onder leiding van hulpofficier van justitie [hulp OvJ] door het onderzoeksteam van de afdeling zware criminaliteit op grond van artikel 49 van de Wet wapens en munitie dezelfde dag de voornoemde woning binnengetreden en doorzocht. In het dossier bevindt zich een machtiging binnentreden in de betreffende woning aan [hulp OvJ] afgegeven door de hulpofficier van justitie, inspecteur van de politie [inspecteur politie] . Bij deze doorzoeking werden twee stroomstootwapens, negen nabootsingen van vuurwapens, een boksbeugel en een werpster gevonden.

In het licht van deze feiten en omstandigheden mist het verweer doel, zodat het verworpen wordt. Het hof is van oordeel dat aan de concrete en specifieke MMA-informatie – bestaande in de anonieme tip, die in zoverre is geverifieerd dat uit onderzoek bleek dat [medeverdachte] aan de [adres 2] te Amsterdam woonde – het redelijk vermoeden kon worden ontleend dat in de woning aan de [adres 2] te Amsterdam een wapen aanwezig was, zodat aan de eisen van artikel 49 van de Wet wapens en munitie is voldaan. Gelet op het voorgaande is het hof dan ook van oordeel dat het bij de doorzoeking aangetroffen bewijsmateriaal rechtmatig is verkregen en voor het bewijs kan worden gebezigd.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

2:

hij op 23 april 2015 te Amsterdam, een wapen van categorie I onder 7°, te weten

- een nabootsing van een vuurwapen (merk onbekend, model Special Combat 1911),

zijnde een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoonde met een vuurwapen voorhanden heeft gehad;

3:
hij op 23 april 2015 te Amsterdam, een wapen van categorie I, te weten een werpster, voorhanden heeft gehad.

Hetgeen onder 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 2 en 3 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 2 en 3 bewezen verklaarde levert (telkens) op:

handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 2 en 3 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg ten aanzien van het onder 2 en 3 bewezen verklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren subsidiair 40 dagen hechtenis.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 2 en 3 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis.

De raadsman heeft het hof verzocht om de verdachte in geval van een bewezenverklaring te veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 40 uren, waarvan 20 uren voorwaardelijk.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft een exacte kopie van pistool en een werpster voorhanden gehad. Het voorhanden hebben van een wapen als het werpster bevordert het gebruik ervan en veroorzaakt gevoelens van onveiligheid in de samenleving en daarom dient daartegen uit oogpunt van generale preventie streng te worden opgetreden. Ook met ‘nepwapens’ kan de veiligheid van personen in gevaar worden gebracht, aangezien deze in de praktijk blijken te worden ingezet om criminele activiteiten te plegen en deze niet of nauwelijks van echte wapens te onderscheiden zijn.

Gelet op de beperkte draagkracht van de verdachte acht het hof het niet opportuun om hem een geldboete op te leggen en kiest daarom voor een taakstraf. Het hof heeft zich bij het bepalen van de hoogte daarvan rekenschap gegeven van de lichamelijke beperkingen van de verdachte die op de terechtzitting in hoger beroep aan de orde zijn gekomen en komt om die reden tot een enigszins lager aantal uren dan is geëist. Daarbij wordt aangetekend dat de reclassering bij de wijze waarop zij taakgestraften een taakstraf doen uitvoeren rekening pleegt te houden met diens persoonlijke omstandigheden en fysieke mogelijkheden. Er zou te zeer voorbij worden gezien aan de ernst van het bewezen geachte indien de verdachte het zou worden vergund om, zoals door de raadsman is voorgesteld, een taakstraf uit te voeren die (in onvoorwaardelijke vorm) een nog lager aantal uren zou belopen.

De op te leggen straf valt lager uit dan in eerste aanleg, omdat het hof tot een beperkter bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c, 22d en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 ten laste gelegde en de beslissing ter zake van het onder 3 ten laste gelegde, voor zover betrekking hebbend op het voorhanden hebben van een boksbeugel.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor het overige en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2 en 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 30 (dertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.J.I. de Jong, mr. R. Kuiper en mr. M. Gonggrijp-van Mourik, in tegenwoordigheid van

D.J. Herbrink, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

2 oktober 2017.

Mr. M. Gonggrijp-van Mourik is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.