Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:3923

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
26-09-2017
Datum publicatie
17-10-2017
Zaaknummer
200.208.093/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Behoefte jongmeerderjarige, eigen inkomsten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2017-0301

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer: 200.208.093/01

zaaknummer rechtbank: C/15/241422 / FA RK 16-2009

beschikking van de meervoudige kamer van 26 september 2017 inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats a] ,

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. W.N. Sardjoe te Den Haag,

en

[de jongmeerderjarige] ,

wonende te [woonplaats b] ,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de jongmeerderjarige,

advocaat: mr. C.J. Gebuijs te Amsterdam.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Holland (locatie Haarlem) van 26 oktober 2016, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De man is op 5 september 2016 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 26 oktober 2016.

2.2

De jongmeerderjarige heeft op 7 maart 2017 een verweerschrift ingediend.

2.3

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een journaalbericht van de zijde van de jongmeerderjarige van 13 juli 2017 met bijlagen, ingekomen op 14 juli 2017;

- een journaalbericht van de zijde van de man van 20 juli 2017 met bijlagen, ingekomen op 21 juli 2017.

2.4

De mondelinge behandeling heeft op 26 juli 2017 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. De advocaat van de man heeft ter zitting pleitnotities overgelegd.

3 De feiten

3.1

De man heeft van 1991 tot eind 1997 een relatie gehad met [de vrouw] (hierna: de vrouw). Uit deze relatie is de jongmeerderjarige geboren op [datum] 1997.

3.2

Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

3.3

Bij beschikking van 18 september 2002 van de rechtbank Amsterdam is een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de jongmeerderjarige bepaald van € 130,- per maand met ingang van 10 juli 2002. Na indexering bedroeg de bijdrage in 2016 € 167,26 per maand.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is, met wijziging van de beschikking van 18 september 2002, een door de man te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van de jongmeerderjarige bepaald van € 290,- per maand met ingang van 4 april 2016 en van € 300,- per maand met ingang van [datum] 2016.

Deze beschikking is gegeven op het verzoek van de jongmeerderjarige om de bijdrage op € 300,- per maand te bepalen met ingang van 1 januari 2016.

4.2

De man verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, het inleidend verzoek van de jongmeerderjarige alsnog af te wijzen, althans de bijdrage op € 175,- per maand te bepalen.

4.3

De jongmeerderjarige verzoekt de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

De man is het niet eens met de hoogte van de door de rechtbank vastgestelde bijdrage voor de jongmeerderjarige; met zijn grieven heeft hij zowel de behoefte van de jongmeerderjarige als zijn eigen draagkracht aan de orde gesteld.

Niet in geschil is dat 4 april 2016 als ingangsdatum moet worden gehanteerd, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan.

5.2

Met betrekking tot de behoefte van de jongmeerderjarige stelt de man dat moet worden afgeweken van de WSF-norm, omdat de jongmeerderjarige tot voor kort in feite nog een scholier was. Hij betoogt dat van de Nibud-norm dan wel een behoeftelijst moet worden uitgegaan.

5.3

Uit de stukken is het hof het volgende gebleken. De jongmeerderjarige woont bij de vrouw en zij volgde van september 2015 tot juli 2017 het volwassenenonderwijs (vavo) van ROC Nova College. Medio 2017 heeft zij haar havodiploma behaald. Voor zover de man heeft betwist dat de jongmeerderjarige ook in 2016/2017 de vavo volgde en dat dit een fulltime opleiding was, overweegt het hof dat de jongmeerderjarige met het overleggen van de inschrijfverklaring van 25 augustus 2016 voldoende heeft onderbouwd dat zij in 2016/2017 voltijds het examenjaar van de havo heeft gevolgd.

De jongmeerderjarige is sinds 20 januari 2017 - naast haar opleiding - parttime (52,63%) werkzaam in loondienst bij Berschka. Omdat zij nog niet weet voor welke vervolgstudie zij zich wil inschrijven, heeft de jongmeerderjarige vanaf de zomer van 2017 een tussenjaar ingelast waarin zij onder andere twee à drie maanden wil gaan reizen.

5.4

Vaststaat dat de jongmeerderjarige op [datum] 2015 achttien jaar is geworden (en dat zij thans negentien jaar oud is) en dat de tabellen van het Nibud niet voorzien in de berekening van de behoefte van kinderen ouder dan achttien jaar. Nu een behoeftelijst ontbreekt, acht het hof het redelijk om evenals de rechtbank uit te gaan van de WSF-norm voor een thuiswonende student in het beroepsonderwijs, met dien verstande dat daarop een aantal correcties moet worden toegepast, omdat bepaalde componenten anders zijn in het middelbare onderwijs dan in het beroepsonderwijs.

Het normbedrag voor een thuiswonende student in het beroepsonderwijs bedroeg in 2016 € 596,- per maand. Daarop strekken de in voornoemd bedrag begrepen bedragen voor boeken en lesgeld van respectievelijk € 54,- en € 94,- per maand in mindering. Bij het alsdan resterende bedrag van € 448,- per maand dienen de door de jongmeerderjarige opgevoerde kosten te worden opgeteld van € 30,-, € 53,- en € 41,- per maand ter zake van respectievelijk lesmaterialen, reiskosten en bijzondere medische kosten.

De lesmaterialen behoeven, anders dan de man stelt, geen onderbouwing van de jongmeerderjarige aangezien de kosten daarvan in de plaats treden van het bedrag aan boeken van € 54,- per maand dat op het normbedrag in mindering is gebracht. Nu de jongmeerderjarige nog geen student is en geen studiefinanciering ontvangt, ontvangt zij evenmin een OV-kaart. De kosten van haar vervoersabonnement van € 53,- per maand (en € 81,- per maand vanaf [datum] 2016) heeft zij met het overleggen van bankafschriften voldoende onderbouwd. Hetzelfde geldt ten aanzien van haar bijzondere medische kosten zoals lenzen.

De behoefte van de jongmeerderjarige bedraagt gelet op het vorenstaande € 572,- per maand. Per [datum] 2016 bedraagt haar behoefte € 600,- per maand vanwege de gestegen kosten van de OV-kaart.

Op haar behoefte strekken haar inkomsten in mindering. Het hof zal onderscheid maken in de periode waarover de jongmeerderjarige nog geen bijverdiensten had en de periode vanaf 20 januari 2017 waarover zij die inkomsten wel heeft (gehad). De jongmeerderjarige ontving een Tegemoetkoming scholieren van € 199,- per maand en een zorgtoeslag van € 83,- per maand. Op grond van het voorgaande bedroeg haar aanvullende behoefte € 290,- per maand tot [datum] 2016 en € 318,- per maand tot 20 januari 2017.

5.5

Met het overleggen van een berekeningsspecificatie van de gemeente [woonplaats b] heeft de jongmeerderjarige voldoende aannemelijk gemaakt dat de vrouw een bijstandsuitkering ontvangt. Er wordt aan de zijde van de vrouw dus geen rekening gehouden met enige draagkracht.

5.6

Ter zitting in hoger beroep heeft de jongmeerderjarige verklaard dat de man bij is met het betalen van de door de rechtbank bepaalde bijdrage van € 290,- per maand met ingang van 4 april 2016 en van € 300,- per maand met ingang van [datum] 2016, op een bedrag van € 50,- à € 100,- na. Onder deze omstandigheden, waarbij de bijdrage de behoefte niet oversteeg, moet het ervoor worden gehouden dat de jongmeerderjarige de bijdrage heeft verbruikt nu zij ook niet over eigen middelen beschikte. Van de jongmeerderjarige kan in ieder geval over de periode tot 20 januari 2017 niet worden gevergd dat zij enig bedrag aan de man terugbetaalt indien de bijdrage op een lager bedrag zou worden bepaald. Om die reden zal het hof de draagkracht van de man over de periode van 4 april 2016 tot 20 januari 2017 niet beoordelen en de bestreden beschikking in zoverre bekrachtigen.

5.7

Per 20 januari 2017 zijn de omstandigheden van de jongmeerderjarige gewijzigd omdat zij per die datum inkomsten heeft uit haar bijbaan bij Berschka. Uit de door haar overgelegde loonstrook van juni 2017 blijkt een netto loon van € 462,- per maand. Uit de cumulatieven over 2017 op die loonstrook blijkt voorts dat voornoemd loon geacht kan worden representatief te zijn voor het loon in de overige maanden van 2017. Gezien deze hoogte volgt het hof de jongmeerderjarige niet in haar standpunt dat het slechts geringe bijverdiensten zijn die buiten beschouwing moeten worden gelaten. Evenmin heeft zij - mede gelet op het gegeven dat zij thans een tussenjaar heeft ingelast en in staat kan worden geacht arbeid te verrichten - voldoende aannemelijk gemaakt dat haar bijbaan dermate tijdelijk is dat geen rekening kan worden gehouden met de inkomsten daaruit. De jongmeerderjarige kan derhalve vanaf 20 januari 2017 volledig in haar eigen behoefte voorzien met haar inkomsten.

5.8

Vanaf juni 2017 volgt de jongmeerderjarige geen opleiding meer zodat per die maand geen rekening meer hoeft te worden gehouden met de onder 5.4 vermelde kosten ter zake van lesmaterialen en reiskosten van in totaal € 111,- per maand. Daar staat tegenover dat de jongmeerderjarige vanaf dat moment ook geen Tegemoetkoming scholieren meer zal ontvangen van € 199,- per maand. Zij ontvangt nog wel een zorgtoeslag. Ook in haar behoefte van (600 – 111 – 83 =) € 406,- per maand kan de jongmeerderjarige met haar eigen inkomsten voorzien. Nu de man ter zitting in hoger beroep zijn aanbod om een bijdrage te voldoen van € 175,- per maand echter uitdrukkelijk heeft gehandhaafd, zal het hof aldus beslissen en de bijdrage met ingang van 20 januari 2017 op voornoemd bedrag bepalen. Ook over deze periode behoeven de grieven van de man met betrekking tot zijn draagkracht dan geen bespreking meer.

5.9

Het hiervoor overwogene leidt ertoe dat de jongmeerderjarige met ingang van 20 januari 2017 teveel heeft ontvangen aan alimentatie. Aangezien de ontvangen bijdrage haar behoefte ruimschoots oversteeg en zij vanaf 20 januari 2017 over eigen middelen beschikt in de vorm van haar inkomsten bij Berschka, terwijl het belang van de man bij terugbetaling gelet op zijn inkomenspositie en zijn ziekte evident is, kan naar het oordeel van het hof van de jongmeerderjarige worden gevergd dat zij het teveel ontvangene terugbetaalt.

6 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor zover daarbij de beschikking van 18 september 2002 is gewijzigd en de door de man te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van de jongmeerderjarige is bepaald op € 290,- (TWEEHONDERD NEGENTIG EURO) per maand met ingang van 4 april 2016 en op € 300,- (DRIEHONDERD EURO) per maand met ingang van [datum] 2016;

bepaalt, met vernietiging van de beschikking waarvan beroep in zoverre, de door de man te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van de jongmeerderjarige met ingang van 20 januari 2017 op € 175,- (EENHONDERD VIJFENZEVENTIG EURO) per maand, bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.V.T. de Bie, mr. H.A. van den Berg en mr. M.E. Burger, bijgestaan door mr. F.J.E. van Geijn als griffier, en is op 26 september 2017 in het openbaar uitgesproken.