Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:3918

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
26-09-2017
Datum publicatie
10-04-2018
Zaaknummer
200.197.341/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2016:3647, Overig
Einduitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2018:845
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

zaaknummer : 200.197.341/ 01

zaaknummer rechtbank : C/15/237077 FA RK 15-7972

beschikking van de meervoudige kamer van 26 september 2017

inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. K. Yigit te Zaandam,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Holland (locatie Haarlem) van 11 mei 2016, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

De man is op 9 augustus 2016 in hoger beroep gekomen van genoemde beschikking van 11 mei 2016.

2.2.

Bij het hof is voorts het volgende stuk ingekomen:

- een brief van de zijde van de vrouw van 25 januari 2017 met bijlagen, ingekomen op 25 januari 2017.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft op 10 februari 2017 plaatsgevonden. De man is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. De vrouw is in persoon verschenen.

2.4.

Bij de mondelinge behandeling is de vrouw is in de gelegenheid gesteld om de jaaropgave over 2016, de gegevens met betrekking tot haar Toeslagen en bewijsstukken van haar huurlasten na te zenden. De man is in de gelegenheid gesteld zijn jaaropgave over 2016, bewijsstukken van zijn woonlasten en de salarisspecificaties van zijn partner van december 2016 en over het jaar 2017 na te zenden. Zowel de man (op 15 februari 2017) als de vrouw (op 27 februari 2017) hebben nog stukken aan het hof toegezonden. Beide partijen hebben daarvan afschriften ontvangen. Daarna heeft de man nog bij brief van 27 februari 2017 verzocht het verweerschrift (inclusief haar toelichting) bij de stukken van 27 februari 2017 van de vrouw buiten beschouwing te laten wegens strijd met de goede procesorde en de procesreglementen. Aangezien het door de vrouw overgelegde stuk (inclusief toelichting) en de producties, aangeduid als ‘kosten auto’, ‘overige kosten/opmerkingen’, ‘krantenartikel’ en ‘factuur tv’ buiten de reikwijdte van de aan haar geboden gelegenheid vallen, heeft het hof die stukken bij brief van 3 maart 2017 aan de vrouw retour gezonden. Om dezelfde reden heeft het hof de producties 29 tot en met 33 bij genoemde brief van de man van 15 februari 2017 aan de man retour gezonden.

3 De feiten

3.1.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2.

Partijen zijn [in] 2005 een geregistreerd partnerschap aangegaan, welk geregistreerd partnerschap is ontbonden op 18 april 2011 door inschrijving van de beschikking van de rechtbank Haarlem van 25 januari 2011 in de register van de burgerlijke stand.

3.3.

Partijen zijn de ouders van:

- [de minderjarige] , geboren [in] 2005 (hierna: [de minderjarige] ).

3.4.

Bij beschikking van de rechtbank Haarlem van 13 september 2011 is een gedeelde zorgregeling vastgesteld en bepaald dat de man aan de vrouw een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] van € 463,- per maand moet voldoen.

Deze kinderalimentatie bedraagt met ingang van 1 januari 2016 ingevolge de wettelijke indexering € 491,- per maand.

3.5.

Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

3.6.

Ten aanzien van de man is het volgende gebleken.

Hij is geboren [in] 1973. Hij woont samen met [partner] , geboren [in] 1980 (hierna: [partner] ). Samen hebben zij een dochter [X] (hierna: [dochter] ), geboren [in] 2015.

Hij is werkzaam in loondienst bij [B.V.] .

- Blijkens de jaaropgaaf 2015 bedroeg zijn fiscaal loon in 2015 € 74.457,- bruto (inclusief bijtelling auto).

- Blijkens de jaaropgaaf 2016 bedroeg zijn fiscaal loon in 2016 € 66.067,- bruto (inclusief bijtelling auto).

De woonlasten van de man en [partner] bedragen per maand € 1.173,- aan hypotheekrente en aflossing en € 21,- per maand aan een premie nabestaandeverzekering gekoppeld aan de hypotheek.

Aan premie voor een zorgverzekering betaalt hij € 144,- per maand (basisverzekering € 108,- en aanvullende verzekering € 36,-).

3.7.

Ten aanzien van de vrouw is het volgende gebleken.

Zij is geboren [in] 1971. Zij vormt samen met [de minderjarige] een eenoudergezin.

Zij is werkzaam in loondienst bij de [universiteit] .

- blijkens de jaaropgaaf 2014 bedroeg haar fiscaal loon in 2014 € 24.097,- bruto.

- blijkens de jaaropgaaf 2015 bedroeg haar fiscaal loon in 2015 € 24.904,- bruto.

- blijkens de jaaropgaaf 2016 bedroeg haar fiscaal loon in 2016 € 24.581,- bruto.

Blijkens de Definitieve berekening Toeslagen 2015, kon de vrouw in 2015 aanspraak maken op: € 92,- aan zorgtoeslag per jaar, € 3.654,- aan kindgebonden budget per jaar en € 774,- aan kinderopvangtoeslag per jaar.

Daarnaast is zij werkzaam als zzp-er (studiekeuze- en loopbaanadviseur).

De vrouw heeft haar belastingaangiftes van 2012, 2013 en 2014 overgelegd en de aangiftes omzetbelasting van het 4de kwartaal van 2014, het 1ste tot en met het 4de kwartaal van 2015 en het 2de tot en met het 4de kwartaal van 2016. Hierbij blijkt dat er nauwelijks omzet is.

De vrouw betaalt voor een woning in [woonplaats] aan huur en enige servicekosten blijkens de factuur voor de maand maart 2017 € 521,- per maand.

Aan premie voor een zorgverzekering betaalt zij € 121,- per maand.

4 De omvang van het geschil

4.1.

Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, met wijziging van de beschikking van de rechtbank Haarlem van 13 september 2011, bepaald dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] € 200,- per maand dient te voldoen, met ingang van 25 februari 2016. Voorts is bepaald dat de man aan de vrouw als uitkering in de kosten van haar levensonderhoud € 525,- per maand dient te voldoen met ingang van 25 februari 2016.

4.2.

De man verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, te bepalen dat de uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw ten laste van de man op nihil wordt gesteld. Daarnaast verzoekt hij te bepalen dat de man per 25 februari 2016 een bedrag van € 128,- per maand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] dient te voldoen.

Ten slotte verzoekt hij voorwaardelijk, ingeval hij een uitkering aan de vrouw dient te voldoen, deze te limiteren tot twee jaar vanaf de datum van de beschreden beschikking.

4.3.

De vrouw verzoekt, naar het hof begrijpt, de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1.

Ter zitting in hoger beroep heeft de man zijn verzoek in hoger beroep met betrekking tot de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] ingetrokken, zodat dit punt geen bespreking meer behoeft.

5.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van een wijziging van omstandigheden als bedoeld in artikel 1:401 lid 1 Burgerlijk Wetboek. Net als de rechtbank zal het hof hier dan ook van uitgaan.

5.3.

In geschil is de (aanvullende) behoefte van de vrouw en de draagkracht van de man.

5.4.

De man betoogt dat de vrouw geen behoefte heeft aan een uitkering tot haar levensonderhoud. Dit is reeds bij beschikking van 13 september 2011 bepaald. De vrouw is niet tegen deze beschikking in hoger beroep gegaan, zodat dit als vaststaand feit aangenomen kan worden. Nu de inkomsten van de vrouw hoger zijn dan in 2011, kan er geen aanleiding zijn om nu wel een uitkering vast te stellen. Voorts betoogt de man dat door tijdsverloop alsook het feit dat de vrouw haar uitgavenpatroon na de ontbinding van het geregistreerd partnerschap heeft aangepast, de behoefte van de vrouw is verbleekt.

Het hof overweegt als volgt. Nu er sprake is van een onderhoudsverplichting uit hoofde van het ontbonden geregistreerde partnerschap en tevens van een wijziging van omstandigheden, terwijl de bijdrage voor [de minderjarige] bij de bestreden beschikking is verlaagd, dient opnieuw te worden beoordeeld of de vrouw behoefte heeft aan een uitkering tot haar levensonderhoud. Het feit dat bij beschikking van 13 september 2011 is bepaald dat de vrouw niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij behoefte heeft aan een (aanvullende) partnerbijdrage, doet daar niet aan af. Voorts wordt de stelling van de man dat de behoefte van de vrouw is verbleekt, verworpen. Het enkele feit dat de vrouw sinds de ontbinding van het geregistreerd partnerschap heeft weten rond te komen van haar eigen inkomen, biedt aan die stelling onvoldoende steun. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat partijen pas zes jaar uit elkaar zijn en [de minderjarige] pas twaalf jaar oud is.

5.5.

De vrouw heeft een behoeftelijst overgelegd die als zodanig niet door de man is betwist. Deze lijst zal bij de bepaling van de aanvullende behoefte van de vrouw als uitgangspunt worden genomen. Daaruit blijkt een behoefte van € 1.508,- netto per maand. De bruto behoefte bedraagt dan (ongeveer) € 1.760,- per maand.

5.6.

De man stelt dat de vrouw in haar eigen behoefte kan voorzien. Zij heeft de afgelopen jaren zelfs de mogelijkheid gehad om geld te sparen. Bovendien kan zij haar verdiencapaciteit verder benutten door meer, dan wel fulltime te gaan werken. Gelet op haar leeftijd, opleiding en werkervaring moet zij daartoe in staat zijn. Ten slotte heeft zij inkomsten uit haar werk als ZZP-er, zodat geen behoefte meer resteert, aldus de man.

De vrouw stelt dat zij niet volledig in haar eigen behoefte kan voorzien. Zij leeft heel zuinig en onderneemt pogingen om haar werkzaamheden uit te breiden. Daartoe volgt zij thans een opleiding en spreekt zij haar netwerk aan, aldus de vrouw.

Het hof is van oordeel dat de vrouw op grond van de door de haar overgelegde stukken omtrent haar sollicitaties en haar toelichting ter zitting in hoger beroep voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij serieuze pogingen onderneemt om meer inkomsten te verwerven, maar dat zij daar tot op heden niet in is geslaagd door omstandigheden die haar niet zijn aan te rekenen. Dat de vrouw daarnaast, zoals door de man is gesteld, nog noemenswaardige neveninkomsten heeft als zzp-er, is bij gemotiveerde betwisting daarvan door de vrouw en mede gelet op haar onder 3.7 genoemde aangiftes omzetbelasting, onvoldoende gebleken, zodat het hof hier geen rekening mee zal houden.

5.7.

De vrouw had in 2016 blijkens de door haar overgelegde jaaropgave een inkomen van € 24.581,- bruto per jaar, hetgeen € 2.048,- bruto per maand is. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof bij het bepalen van het inkomen van de vrouw van dit bedrag uitgaan. Voorts heeft zij in 2016 en 2017 recht op de inkomensafhankelijke combinatiekorting, maar in 2018 niet meer. Op grond van voornoemd inkomen kan de vrouw echter – ook zonder de inkomensafhankelijke combinatiekorting – in haar eigen behoefte voorzien. Ten overvloede overweegt het hof dat dit met betrekking tot de jaren 2016 en 2017 ook het geval is wanneer rekening zou worden gehouden met een bedrag van ongeveer € 400,- per maand ter zake van – overigens door de vrouw in haar behoeftelijst niet opgevoerde – kosten voor dagelijkse boodschappen (eten en drinken) en kosten voor een auto.

5.8.

Het vooroverwogene leidt ertoe dat het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud zal worden afgewezen.

De grieven van de man die betrekking hebben op zijn draagkracht, kunnen derhalve onbesproken blijven.

5.9.

Het voorgaande heeft tot gevolg dat de vrouw hetgeen de man met ingang van 25 februari 2016 meer heeft betaald dan waartoe hij krachtens de onderhavige beslissing is verplicht, in beginsel aan de man dient terug te betalen. Volgens vaste jurisprudentie moet beoordeeld worden of deze terugbetalingsverplichting in redelijkheid kan worden aanvaard. Alvorens deze vraag te beantwoorden zal het hof partijen in de gelegenheid stellen nadere gegevens te verstrekken. De man dient het hof te berichten tot wanneer hij de in de beschikking waarvan beroep bepaalde partneralimentatie van € 525,- per maand aan de vrouw heeft betaald. Verder zal het hof partijen in de gelegenheid stellen zich uiterlijk 24 oktober 2017 uit te laten over hun actuele financiële situatie door het overleggen van de aangifte en (voorlopige) aanslag 2016. In afwachting daarvan zal iedere verdere beslissing worden aangehouden.

5.10.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

stelt partijen in de gelegenheid zich uiterlijk 24 oktober 2017 schriftelijk uit te laten als hiervoor onder 5.9 overwogen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.N. van de Beek, mr. A. van Haeringen en mr. J.A. van Keulen, bijgestaan door mr. C.L. de Lussanet de la Sablonière-Buikema als griffier, en is op 26 september 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.