Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:3897

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
26-09-2017
Datum publicatie
20-02-2018
Zaaknummer
200.183.553/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervolg van tussenarrest 4 oktober 2016. Andermaal bevel comparitie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer: 200.183.553/01

zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam: C/13/574001 / HA ZA 14-983

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 26 september 2017

inzake

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

tevens incidenteel geïntimeerde,

advocaat: mr. M.A. Hupkes te Amsterdam,

tegen:

1. [geïntimeerde 1],

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

tevens incidenteel appellant,

advocaat: mr. P. Minkes te Amsterdam,

2 de naamloze vennootschap

ABN AMRO N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

advocaat: mr. C.C.M. Ewalds te Rosmalen.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellante] , [geïntimeerde 1] en ABN Amro genoemd.

Voor het verloop van de procedure tot 4 oktober 2016 wordt verwezen naar het op die datum uitgesproken tussenarrest. Bij het tussenarrest is een comparitie van partijen gelast die op 25 januari 2017 heeft plaatsgevonden. Van deze comparitie is een proces-verbaal opgemaakt (waarin abusievelijk het jaartal 2016 is vermeld). Ter zitting is door [appellante] een akte genomen, met 20 producties. [geïntimeerde 1] heeft op zijn beurt een akte met drie producties ingediend.

Tijdens de comparitie is geprobeerd een minnelijke regeling te bereiken, waarover partijen na de comparitie verder wilden onderhandelen. Afgesproken is dat als partijen geen regeling zouden bereiken zij op de rol van 30 mei 2017 een akte zouden nemen om hun visie te geven op de verdere voortgang van de procedure.

Partijen hebben vervolgens op de genoemde roldatum elk een akte genomen.

[appellante] is vervolgens in de gelegenheid gesteld op de akten van [geïntimeerde 1] en ABN Amro te reageren. Van die gelegenheid heeft zij gebruik gemaakt.

Ten slotte is wederom arrest gevraagd.

2 De verdere beoordeling in hoger beroep

2.1.

[appellante] vordert in dit geding dat zij wordt gemachtigd de woning te verkopen en dat [geïntimeerde 1] en ABN Amro dat dienen te dulden, althans worden veroordeeld daartoe alle benodigde medewerking te verlenen. Aan deze vordering legt [appellante] primair ten grondslag dat zij haar schulden wil saneren via de wettelijke schuldsanering. Om daartoe te worden toegelaten dient zij eerst te worden toegelaten tot de schuldhulpverlening. Dat lukt niet, omdat zij (mede) gerechtigde is tot de woning. In het tussenarrest is het hof tot het oordeel gekomen dat [appellante] op ontoereikende gronden betoogt dat zij niet tot de schuldsaneringsregeling kan worden toegelaten vanwege het feit dat zij medegerechtigd is op een erfpachtrecht dat met een hypotheekrecht is belast. De faillissementswet voorziet namelijk uitdrukkelijk in een regeling hoe een dergelijk bezwaard goed in de schuldsanering dient te worden betrokken.

2.2.

Ten aanzien van de vordering van [appellante] tot verdeling heeft het hof in het tussenarrest overwogen dat op basis van de gegevens in het procesdossier niet op deze vordering kan worden beslist. Met het oog op het verkrijgen van informatie is een comparitie van partijen gelast.

2.3.

Blijkens de akten van [geïntimeerde 1] en ABN Amro zijn zij na de comparitie een betalingsregeling overeengekomen. Deze houdt in dat [geïntimeerde 1] in zes maandelijkse termijnen een krediet van € 30.000 zal aflossen. Als dit krediet is afgelost en hij – kort gezegd – geen nieuwe financiële verplichtingen meer is aangegaan, is ABN Amro bereid haar medewerking eraan te verlenen dat het aandeel van [appellante] in de woning aan [geïntimeerde 1] wordt overgedragen, waarbij [appellante] wordt ontslagen uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid jegens ABN Amro. De bedoeling is dat het krediet in november 2017 is afgelost, zodat na 1 december 2017 het aandeel in de woning kan worden overgedragen en [appellante] uit de hoofdelijkheid kan worden ontslagen.

2.4.

[appellante] heeft blijkens haar akte van 22 augustus 2017 met instemming kennisgenomen van de afspraken tussen [geïntimeerde 1] en ABN Amro. Daarmee komt volgens haar eindelijk een oplossing voor partijen in beeld. Omdat geen drie-partijenovereenkomst is gesloten, heeft [appellante] er behoefte aan dat de spreekwoordelijke druk op de ketel wordt gehouden. Zij vraagt het hof een verdeling te gelasten die uiterlijk op 31 december 2017 dient te worden geëffectueerd, dan wel te bepalen dat de woning dient te worden verkocht als niet uiterlijk op 1 januari 2018 een akte van verdeling is verleden.

2.5.

Het hof ziet onvoldoende reden om reeds nu een verdeling te gelasten. Het hof beschikt nog niet over alle relevante gegevens om daartoe te kunnen overgaan. Het hof zal [geïntimeerde 1] de gelegenheid geven zijn afspraken met ABN Amro na te komen. Ervan uitgaande dat hij die zal nakomen, moeten partijen – bijgestaan door hun advocaten – in staat worden geacht zelf tot een verdeling te komen. Als niet uiterlijk 1 januari 2018 een akte van verdeling is verleden, zal het hof beslissen op de vordering tot verdeling.

2.6.

Reeds nu wordt daartoe het volgende overwogen. Partijen zijn bij het tussenarrest opgedragen zich voor wat betreft de cijfermatige kant van de zaak voorafgaand aan de comparitie goed voor te bereiden. In het tussenarrest is onder andere genoemd dat van belang is wat de waarde van het erfpachtrecht nu is, wat de hoogte is van de schulden die verdeeld moeten worden en de mogelijkheden voor [geïntimeerde 1] om – eventueel op termijn – het recht van erfpacht over te nemen, waarbij [appellante] wordt ontslagen uit de hoofdelijke verplichtingen jegens ABN Amro. [geïntimeerde 1] is zonder opgave van redenen niet ter zitting verschenen, was niet bereikbaar voor zijn advocaat en had zijn advocaat onvoldoende inzicht gegeven in zijn financiële positie en mogelijkheden. Een regeling tussen partijen ter zitting was mede daardoor niet mogelijk. Ook thans heeft [geïntimeerde 1] zijn financiële situatie onvoldoende toegelicht. Het hof ziet daarin aanleiding reeds nu afwijzend te beslissen op het verzoek van [geïntimeerde 1] om niet tot verdeling over te gaan, zodat evenmin op grond van artikel 3:178 lid 3 BW een termijn zal worden bepaald waarbinnen een nieuwe vordering tot verdeling wordt uitgesloten. Dit betekent dat als partijen zelf geen verdeling tot stand brengen, het hof een wijze van verdeling zal gelasten of zelf een verdeling zal vaststellen, waarvan in beginsel de verkoop van de woning onderdeel zal uitmaken. Als geen verdeling tot stand komt door partijen, dienen zij de voor een verdeling relevante gegevens te verstrekken, bij gebreke waarvan het hof de verdeling zal vaststellen op basis van de wel voorhanden gegevens. Ten behoeve van het verkrijgen van de verlangde informatie zal op de hierna te noemen datum een comparitie van partijen worden gelast. Als wel een verdeling tot stand komt, hoeft de comparitie geen doorgang te vinden.

2.7.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

3 Beslissing

Het hof:

bepaalt dat [appellante] en [geïntimeerde 1] in persoon en ABN Amro door iemand die van de zaak op de hoogte en tot het geven van de verlangde inlichtingen in staat is en die bevoegd is (door schriftelijke machtiging of anderszins) tot het aangaan van een schikking, tezamen met hun advocaten zullen verschijnen voor het tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. J.W. Hoekzema, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie, IJdok 20 te Amsterdam, op 10 januari 2018 om 9.30 uur tot het hiervoor onder 2.6 omschreven doel;

bepaalt dat partijen uiterlijk één week voor de dag van de comparitie de stukken waarop zij voor het overige een beroep zouden willen doen, in kopie dienen over te leggen door toezending aan het hof (roladministratie – team handel) en de wederpartij;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.W. Hoekzema, J.W.M. Tromp en S.B. van Baalen en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 26 september 2017.