Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:3896

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
26-09-2017
Datum publicatie
21-02-2018
Zaaknummer
200.180.474/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervolg van tussenarrest 20 december 2016. Zoals de eerste rechter heeft geoordeeld, moet de samenwerkingsovereenkomst tussen partijen aldus worden uitgelegd dat aan de appellante onder 1 een verkoopprijs van 20-25% van de consumentenverkoopprijs zou worden berekend. Bekrachtiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.180.474/01

zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/569607 / HA ZA 14-736

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 26 september 2017

inzake

1 [appellant] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. CDK HOLDING B.V.,

gevestigd te Goirle,

appellanten,

advocaat: mr. D.P. Schalken te Boxtel,

tegen

1 NP FASHION B.V.,

2. NP FASHION RETAIL B.V.,

beiden gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerden,

advocaat: mr. T. Berendsen te ’s-Hertogenbosch.

Partijen worden hierna NRA, CDK, NP en NPR genoemd. Appellanten worden gezamenlijk NRA c.s. genoemd en geïntimeerden worden gezamenlijk met NP c.s. aangeduid.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Op 20 december 2016 is een tussenarrest uitgesproken. Voor het verloop van het geding tot aan die datum wordt verwezen naar het tussenarrest.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- akte wijziging van eis en aanvullende producties van NRA c.s.;

- ( antwoord)akte houdende bezwaar tegen gewijzigde eisen, tevens houdende inhoudelijk verweer van NP c.s.

Ten slotte is arrest gevraagd.

2 Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.12 feiten opgesomd die tussen partijen vaststaan. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil, zodat het hof daarvan als vaststaand zal uitgaan. Het gaat in deze zaak, samengevat weergegeven, om het volgende.

2.1.

CDK wordt feitelijk bestuurd door de heer [X] en mevrouw [Y] en exploiteert kledingwinkels. NP wordt bestuurd door de heer [A] en mevrouw [B] en exploiteert een eigen kleding- en accessoirelijn (merk: [Z] , by [B] ). NPR is een vennootschap die wordt gecontroleerd door [A] en [B] .

2.2.

CDK en NP hebben vanaf april 2013 onderhandeld over een samenwerking vanuit een nieuw op te richten vennootschap (‘Newco’) waarin CDK en NP elk voor 50% zouden gaan deelnemen. CDK en NP zijn in grote lijnen de volgende samenwerking overeengekomen:

  • -

    Newco zal een monobrand store voor [Z] -kleding exploiteren in een door CDK gehuurd bedrijfspand aan de Cornelis Schuytstraat 39 te Amsterdam (waarin CDK in april 2013 nog een eigen kledingwinkel met eigen personeel exploiteerde);

  • -

    CDK blijft huurder van het pand en blijft werkgever van het personeel;

  • -

    NP zal de [Z] -kleding aan Newco verkopen en leveren;

  • -

    NP zal ten behoeve van de samenwerking een licentie op het gebruik van haar handelsnaam en het merk [Z] , by [B] verlenen;

  • -

    CDK zal de vaste lasten doorberekenen aan Newco (huur, personeelskosten, energiekosten e.d.);

  • -

    CDK wordt benoemd tot bestuurder van Newco.

2.3.

In september 2013 is de monobrand store geopend en hebben partijen uitvoering gegeven aan de overeengekomen samenwerking, met dien verstande dat de nieuwe vennootschap (‘Newco’) op 22 oktober 2013 is opgericht, zijnde NRA, en NPR (in plaats van NP) mede-oprichter en mede-aandeelhouder van NRA is geworden, waartegen CDK destijds geen bezwaar heeft gemaakt.

2.4.

Partijen zijn doende geweest om hun samenwerking schriftelijk vast te leggen, maar dit proces is nooit voltooid. Partijen hebben in het kader van de samenwerking uiteindelijk nooit een overeenkomst ondertekend.

2.5.

Op 27 juni 2013 heeft [A] per e-mail het volgende aan [X] geschreven:

“Wij hebben ook nogmaals de contractvoorwaarden met elkaar besproken. Er is 1 punt waar we op willen terugkomen en dit betreft de verkoopprijs van NP Fashion aan de winkel. Wij hebben gesproken over een marge van 5.0 als afgeleide van de inkoopprijs + onze kosten. Na afsluiting van het huidige seizoen hebben wij gemerkt dat onze werkelijke kosten voor de collectie veel meer omvatten dan alleen de inkoop + transport. Er zijn veel verborgen kosten voor ons, ik noem een aantal voorbeelden: upcharge van de fabrikant als wij de minimale productieaantallen niet halen maar het artikel wel willen laten doorgaan (dit is soms wel 30% extra), kosten van retouren en omruilingen tijdens het seizoen (is heel erg de spuitgaten uitgelopen), B-keuzes (tot 7% reclameren wij niet bij de producent), valutarisico voor inkopen in USD, etcetera. Het bovenstaande betekent dat wij op basis van onze huidige calculaties in eerste instantie verlies gaan leiden op de verkopen aan de winkel. De komende collecties willen wij onze eigen marge langzaam iets verhogen. Dit willen wij hoofdzakelijk bereiken door goedkoper in te kopen omdat onze afname-aantallen groeien. Dit inkoopvoordeel hebben wij nodig voor onze eigen bedrijfsvoering.

Wat voor ons verder speelt is dat wij niet in een situatie willen belanden waarin wij jullie inzage in onze boeken moeten geven om voor ieder artikel te controleren wat onze marge nu werkelijk is. Het is voor ons niet wenselijk om alle inkoopkanalen, condities en afspraken bloot te leggen.

Het bovenstaande afwegende willen wij in het contract de afspraak zo maken dat wij aan de winkel gaan leveren voor een fixed marge van 5.0 en is het verder aan ons om te zorgen dat wij kostendekkend draaien. Hierop moeten wij alleen een uitzondering maken voor een aantal artikelen waarop wij een substantieel lagere basismarge maken om 5.0 te kunnen geven. Op dit moment geldt dit voor de lederen artikelen (leren jassen, leren broeken). Hierop kunnen wij nu 4.0 geven. Onze aantallen zijn nog te laag (dit is ons eerste seizoen met lederen artikelen) waardoor wij duur moeten inkopen. Bij 5.0 worden wij te duur in de winkel t.o.v. onze concurrenten (Supertrash, Ibana, Goosecraft, etc). Wij zijn nog in beraad met de leveranciers om te kijken naar andere leerkwaliteiten of naar alternatieve leveranciers. Maar voor nu is ons leer nog te duur. Wij zullen per collectie duidelijk vooraf aangeven op welke artikelen wij geen 5.0 kunnen geven. (…)”

2.6.

Daarop heeft [X] diezelfde dag aan [A] gemaild:

“(…) Prima zo hoor, ook als er iets zou zijn wat een soort try out is (bijv. vintage horloges) (LOL) hoeft het zelfs geen 4.0. te zijn, we’re in it together, dus jullie moeten er ook qua collectie input wat aan hebben, dat voor de reguliere collectie 5.0 wordt aangehouden is en was het uitgangspunt en daar moet een gezonde [Z] Store mee neer te zetten zijn. (…)”

2.7.

NP is aan NRA gaan leveren en factureren voor een prijs die neerkomt op 20% van de consumentenverkoopprijs (marge 5.0) voor reguliere artikelen, en 25% van de consumentenverkoopprijs (marge 4.0) voor lederen artikelen.

2.8.

NRA heeft een aantal van deze facturen zonder protest voldaan. NRA heeft, met instemming van NP, een aantal keer facturen of pakbonnen gecorrigeerd, zodanig dat deze in overeenstemming werden gebracht met de hiervoor in 2.7 vermelde marges.

2.9.

Bij e-mail van 5 oktober 2013 legde [X] een aantal administratieve kwesties aan [A] voor. Verder zette [X] uiteen dat er meer voorraad moet komen, omdat te vaak ‘nee’ aan klanten moet worden verkocht. [X] schrijft dienaangaande:

“(…) gisteren heeft [C] 4 A4tje’s vol geschreven met artikelen die zeker verkocht hadden kunnen worden indien deze voorradig waren geweest, op basis van de afgelopen verkoopperiode zou volgens de huidige gegevens en met voldoende voorraad een jaaromzet van EU 1.500.000,- (incl. BTW) realiseerbaar moeten zijn dat betekend een bruto inkoop van EU 600.000,- netto EU 300.000,- (m.u.v. het leer dat calculatie 4 heeft) (…)”

2.10.

NP c.s. hebben bij brief van hun advocaat van 20 juni 2014 de samenwerkingsovereenkomst met NRA c.s. ontbonden.

3 Beoordeling

3.1.

Vast staat dat in lijn met hetgeen onder 2.2 is vermeld een samenwerkingsovereenkomst tot stand is gekomen, hoewel geen overeenstemming is bereikt over de definitieve tekst daarvan. Ook staat vast dat NP, CDK en NRA partij zijn bij deze samenwerkingsovereenkomst. In eerste aanleg was onder meer in geschil of NPR partij is geworden bij de samenwerkingsovereenkomst. Oorspronkelijk was het de bedoeling dat slechts NP de wederpartij van CDK zou worden en dat zij (onder meer) de kledingleverancier en aandeelhouder van NRA zou worden. CDK heeft echter bij de oprichting van NRA (hoewel zij daar wel vraagtekens bij had) uiteindelijk geen bezwaar gemaakt tegen het feit dat niet NP maar NPR haar mede-aandeelhouder werd. De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat NP en NPR erop mochten vertrouwen dat CDK daarmee instemde.

3.2.

Met grief 1 betogen NRA c.s. dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zowel NP als NPR partij zijn geworden bij de samenwerkingsovereenkomst. Uit niets blijkt volgens hen dat partijen de bedoeling hadden om NPR als partij te laten toetreden tot de samenwerkingsovereenkomst. NPR heeft ook slechts als aandeelhouder van NRA gefunctioneerd en niet als leverancier van [Z] producten.

3.3.

Het hof overweegt het volgende. De rechtbank heeft onderdeel I van het petitum van de inleidende dagvaarding aldus begrepen (zie r.o. 3.1 en 4.4 van het bestreden vonnis) dat NRA c.s. een verklaring voor recht vorderen dat de samenwerkingsovereenkomst tussen CDK en NP is neergelegd in het concept van 24 mei 2013 en de e-mails van 9 en 10 juni 2013. Verder is een verklaring voor recht gevorderd dat ook NPR aan deze overeenkomst is gebonden. De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat op basis van deze door NRA c.s. genoemde stukken geen perfecte overeenkomst tot stand is gekomen. Dat blijkt volgens de rechtbank uit de na 10 juni 2013 tussen partijen gevoerde gesprekken, de e-mails van 27 juni 2013, de factureringspraktijk en het feit dat NPR partij is geworden bij de overeenkomst. Dat de door NRA c.s. bedoelde overeenkomst niet tot stand is gekomen, was voor de rechtbank reeds reden om vordering I (en ook II) van NRA c.s. af te wijzen. De rechtbank heeft in dit verband overwogen dat NPR partij is geworden bij de samenwerkingsovereenkomst, maar daarbij in aanmerking genomen dat NPR als participant is opgetreden en niet op gelijke wijze als NP als leverancier aan de overeenkomst is gebonden (zie r.o. 4.4 van het bestreden vonnis, slot).

3.4.

De juistheid van deze door de rechtbank gegeven uitleg van vordering I wordt door NRA c.s. in hoger beroep niet gemotiveerd bestreden en evenmin dat op basis van het concept van 24 mei 2013 en de e-mails van 9 en 10 juni 2013 geen perfecte samenwerkingsovereenkomst tot stand is gekomen. Daarvan uitgaande heeft de rechtbank terecht vordering I afgewezen en is grief I vergeefs voorgesteld. Verder heeft de rechtbank, op basis van de door NRA gevorderde verklaring voor recht, wel willen aannemen dat NPR in de hoedanigheid van aandeelhouder/participant aan de samenwerkingsovereenkomst is gebonden, maar tevens vastgesteld dat NPR in zoverre een andere positie heeft dan NP als leverancier. NRA c.s. verdedigen feitelijk hetzelfde. Zij gaan ervan uit dat NPR geen andere rol heeft vervuld dan die van aandeelhouder en niet als leverancier aan de samenwerkingsovereenkomst is gebonden. In zoverre hebben NRA c.s. bij hun eerste grief ook geen belang.

3.5.

De grieven 2 en 3 van NRA c.s. zien op de inhoud van de samenwerkingsovereenkomst: de overeenstemming over de door NP aan NRA door te belasten prijzen. Deze grieven lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.

3.6.

Door partijen is – terecht – het uitgangspunt van de rechtbank niet bestreden dat het bij de uitleg van de door partijen gesloten overeenkomst aankomt op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan de door hen gebezigde bewoordingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. De rechtbank heeft in aanmerking genomen dat zijdens NP in de e-mail van 27 juni 2013 van [A] (hiervoor aangehaald in 2.5) duidelijk is uiteengezet hoe NP de overeenkomst op het punt van de door NP aan NRA te berekenen prijzen wenst in te richten en wat haar motieven daarvoor zijn. Uit het daarop zijdens CDK ( [X] ) gegeven antwoord op dezelfde datum blijkt volgens de rechtbank dat CDK instemt met de wens van NP, althans dit voorstel niet afwijst. Die instemming blijkt voorts uit de e-mail van [X] van 5 oktober 2013 (hiervoor aangehaald in 2.9). Bovendien wordt die instemming volgens de rechtbank bevestigd door de gang van zaken in de praktijk van de monobrand store: NP is gaan factureren op basis van 20% van de consumentenverkoopprijs (marge 5.0) voor reguliere artikelen en op basis van 25% van de consumentenverkoopprijs (marge 4.0) in geval van lederen artikelen. NRA heeft die facturen aanvankelijk ook voldaan en heeft zelfs facturen of pakbonnen verbeterd opdat ze overeenstemden met genoemde wijze van facturering. Gelet op al deze omstandigheden mocht NP volgens de rechtbank er redelijkerwijs op vertrouwen dat CDK en NRA instemden met de door haar voorgestelde aan NRA te berekenen verkoopprijs op basis van 20% dan wel 25% van de consumentenverkoopprijs.

3.7.

Het hof komt niet tot een andere afweging en maakt de door de rechtbank gegeven motivering tot de zijne. Kern van de stellingen van NRA c.s. in hoger beroep is dat zij de e-mailwisseling van 27 juni 2013 zo hebben begrepen dat deze betrekking had op de verkoopprijzen van de [Z] -artikelen aan de consument. De ingekochte artikelen zouden voor 5 maal de door NP betaalde kostprijs (of 4 maal de kostprijs voor lederen artikelen) in de door NRA geëxploiteerde winkel worden verkocht. Dat NRA c.s. het voorstel van de zijde van NP redelijkerwijs zo hebben mogen begrijpen, is door hen naar het oordeel van het hof echter onvoldoende gemotiveerd. In de e-mailwisseling van 27 juni 2013 wordt niet gesproken over het vaststellen van de consumentenverkoopprijzen. NRA c.s. hebben in hoger beroep ook erkend dat de consumentenverkoopprijzen eenzijdig zijdens NP werden bepaald (akte wijziging van eis en aanvullende producties onder 24). Uit de e-mail van [A] aan [X] van 27 juni 2013 blijkt dat NP de verkoopprijzen die zij aan NRA in rekening brengt – dus de inkoopprijs van NRA – niet langer wil relateren aan de door NP betaalde (inkoop)kosten. NP wil gaan leveren voor een ‘fixed marge’ van 5.0, dan wel 4.0. De consequenties van het loskoppelen van de verkoopprijs die NP bij NRA in rekening brengt van de eigen inkoopprijs van NP, worden ook beschreven door [A] . Uitgaande van een ‘fixed marge’ is het aan NP om kostendekkend te draaien. Zij verwacht eerst verlies te gaan draaien, maar op termijn door goedkopere inkoop en grotere afname betere marges te gaan maken. Blijkens de genoemde e-mail van [A] is verder een motief voor NP om aan NRA op basis van een vaste marge te leveren dat zij dan niet langer inzage hoeft te geven in de eigen kosten, margecondities en inkoopvoordelen. Uit dit alles blijkt afdoende duidelijk dat NP heeft voorgesteld afspraken te maken over de wijze van vaststelling van de verkoopprijs aan NRA, door deze met een vaste marge te relateren aan de consumentenverkoopprijs en deze los te koppelen van de eigen kostprijs voor de artikelen. Gelet op de instemming van de zijde van NRA c.s. met het voorstel van NP is deze prijsafspraak tot stand gekomen, althans mocht NP in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs ervan uitgaan dat NRA c.s. met dit voorstel instemden, zoals is overwogen door de rechtbank. Voor zover NRA c.s. met grief 3 bestrijden dat de door NP voorgestelde prijsafspraak door de gang van zaken in de praktijk is bevestigd, gaat het hof aan die stelling als onvoldoende (concreet) onderbouwd voorbij Op basis van hetgeen NRA c.s. stellen, kan in elk geval niet worden geconcludeerd dat partijen in de praktijk de verkoopprijs van NP (de inkoopprijs van NRA) hebben gerelateerd aan de door NP betaalde kostprijs van de artikelen (zoals zij betogen), althans niet hebben gerelateerd aan de door NRA gehanteerde consumentenverkoopprijzen. De grieven 2 en 3 zijn met het voorgaande vergeefs voorgesteld.

3.8.

Grief 4 ziet op de aanspraak van CDK tot inzage in de boekhouding van NP ter controle van de in rekening gebrachte inkoopprijzen. Deze grief bouwt voort op de daaraan voorafgaande grieven en deelt in het lot daarvan. Inzage in de boekhouding is alleen van belang in verband met hoogte van de door NP betaalde kostprijs voor de artikelen. Zoals hiervoor overwogen moet naar het oordeel van het hof worden aangenomen dat partijen een ‘fixed marge’ zijn overeengekomen die is losgekoppeld van de door NP betaalde kostprijs, zodat reeds daarom een boekenonderzoek naar de kostprijzen van NP niet aan de orde is.

3.9.

NRA c.s. vorderen vergoeding van de schade die zij stellen te hebben geleden als gevolg van de toerekenbare tekortkomingen van NP. De rechtbank heeft deze vordering afgewezen, omdat aan de vordering tot schadevergoeding de stelling ten grondslag ligt dat onjuiste bedragen in rekening zijn gebracht, wat niet het geval is. Bij akte wijziging van eis hebben NRA c.s. deze vordering herhaald en daaraan toegevoegd dat NRA c.s. schade hebben geleden door het mislukken van de samenwerking en door de vestiging van andere [Z] monobrand stores.

3.10.

Hiervoor is overwogen dat het hof tot dezelfde conclusie komt als de rechtbank ten aanzien van de overeengekomen inkoopprijzen voor NRA. Daarop loopt de vordering tot schadevergoeding vanwege gestelde onjuist in rekening gebrachte prijzen reeds stuk.

3.11.

Verder is van belang dat de rechtbank tot het oordeel is gekomen dat de overeenkomst tussen NP als leverancier en NRA rechtsgeldig is ontbonden. Daarmee is NP voor de toekomst bevrijd van haar uit de samenwerkingsovereenkomst voortvloeiende verbintenissen. Dat oordeel wordt in hoger beroep niet bestreden. Dit betekent dat NRA geen vordering tot schadevergoeding geldend kan maken jegens NP vanwege het mislukken van de samenwerking en de vestiging van andere [Z] monobrand stores.

3.12.

Ten aanzien van de positie van CDK heeft de rechtbank overwogen (r.o. 4.8) dat niet is gesteld of gebleken dat NP op grond van de samenwerkingsovereenkomst verplichtingen jegens CDK had, en zo ja, welke. Om die reden is de vordering tot schadevergoeding van CDK door de rechtbank afgewezen. In de memorie van grieven wordt dit oordeel niet bestreden.

3.13.

Bij akte wijziging van eis hebben NRA c.s. aangevoerd dat de samenwerkingsovereenkomst slechts deels is ontbonden, namelijk voor wat betreft de verhouding tussen NP en NRA. Dit brengt volgens CDK mee dat zij op grond van deze overeenkomst aanspraak kan maken op schadevergoeding. Het betreft de schade die CDK lijdt en nog zal lijden door de vestiging van andere [Z] monobrand stores zonder dat zij daarin participeert. CDK vordert in dit verband een verklaring voor recht dat NP is tekortgeschoten in haar verplichtingen jegens CDK en tot schadevergoeding is gehouden, nader op te maken bij staat. Zij vordert een voorschot op de schadevergoeding ten bedrage van € 720.000.

3.14.

NP c.s. hebben zich bij antwoordakte verzet tegen de eiswijziging. Zij menen dat deze op grond van de in hoger beroep geldende twee-conclusie-regel buiten beschouwing dient te worden gelaten. Het hof overweegt als volgt.

Als grieven dienen te worden aangemerkt alle gronden die de appellant aanvoert ten betoge dat de bestreden uitspraak behoort te worden vernietigd. Als grief moet daarom ook worden aangemerkt een verandering of vermeerdering van eis in hoger beroep, indien toewijzing daarvan zou meebrengen dat het dictum van het beroepen vonnis door een ander moet worden vervangen zodat het vonnis vernietigd moet worden. Omdat een eiswijziging als een grief moet worden beschouwd, mochten NRA c.s. in beginsel de eis niet later dan in hun memorie van grieven veranderen of vermeerderen. Op deze in beginsel strakke regel kunnen onder omstandigheden uitzonderingen worden aanvaard. NRA c.s. voeren daartoe aan dat zij een verzoek tot een voorlopig getuigenverhoor hebben ingediend (welk verzoek is afgewezen) en in verband daarmee in de memorie van grieven hebben aangekondigd dat zij hun eis mogelijk nog zouden willen wijzigen. De eiswijziging is daarom niet tardief. Verder moesten NRA c.s. vanwege ernstige gezondheidsklachten en een faillissement tweemaal wisselen van advocaat, waardoor de procesvoering chaotisch is verlopen, aldus NRA c.s.

3.15.

Mede gelet op het bezwaar van NP c.s. ziet het hof geen aanleiding af te wijken van de twee-conclusie-regel. Een uitzondering op deze regel kan aan de orde kan zijn als de eiswijziging verband houdt met eerst na de memorie van grieven of van antwoord voorgevallen of gebleken feiten en omstandigheden. Deze uitzondering moet zo worden begrepen dat het al te rigide zou zijn een appellant het recht te onthouden zijn stellingen aan nieuwe ontwikkelingen aan te passen. Het uitgangspunt dient te zijn dat recht wordt gesproken in het werkelijke geschil. Daarvan uitgaande moet voorkomen worden dat het geschil aan de hand van inmiddels achterhaalde of onjuist gebleken (juridische of feitelijke) gegevens zou moeten worden beslist. De onderhavige eiswijziging heeft evenwel geen betrekking op dergelijke omstandigheden. De door NRA c.s. aangevoerde redenen geven geen afdoende verklaring voor het feit dat niet gegriefd is tegen de conclusie van de rechtbank dat niet is gesteld of gebleken dat NP op grond van de samenwerkingsovereenkomst verplichtingen jegens CDK had, en zo ja, welke. Hetzelfde geldt voor de nieuwe stelling dat de samenwerkingsovereenkomst slechts partieel is ontbonden, namelijk alleen voor wat betreft de rechtsverhouding tussen NP en NRA. Onvoldoende is toegelicht waarom dit standpunt niet reeds bij memorie van grieven kon worden ingenomen. Dit alles brengt het hof tot het oordeel dat de nieuwe grief en de nieuwe stellingen buiten beschouwing moeten worden gelaten. De vordering tot schadevergoeding kan aldus niet worden toegewezen.

3.16.

De eindconclusie is dat geen van de grieven kan leiden tot vernietiging van het bestreden vonnis, zodat het vonnis zal worden bekrachtigd.

3.17.

NRA c.s. hebben bewijs aangeboden, maar de bewijsaanbiedingen hebben geen betrekking op voldoende concrete stellingen die, indien bewezen, tot een ander oordeel in de zaak moeten leiden. De bewijsaanbiedingen worden daarom als niet ter zake dienend gepasseerd.

3.18.

NRA c.s. zijn in het ongelijk gesteld en worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep, zoals hierna zal worden vermeld.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt NRA c.s. in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van NP c.s. begroot op € 716,00 aan verschotten en € 1.788,00 voor salaris advocaat;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het in hoger beroep anders of meer gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.E. van Tuyll van Serooskerken-Röell, J.W. Hoekzema en M.E.M.G. Peletier en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 26 september 2017.