Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:3862

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
12-09-2017
Datum publicatie
27-09-2017
Zaaknummer
17/00099
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft te laat bezwaren ingediend tegen aanslagen forensenbelasting over de jaren 2008 tot en met 2014. Het Hof is met de rechtbank van oordeel dat hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd geen reden oplevert voor een verschoonbare termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 Awb. Wél corrigeert het Hof het oordeel van de rechtbank dat zij niet bevoegd is kennis te nemen van het beroep tegen de afwijzing op het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslagen. Tegen een dergelijk besluit staat, gelet op het zogenoemde gesloten stelsel van rechtsmiddelen in het belastingrecht) geen bezwaar en beroep open. Een daartegen gericht rechtsmiddel (dus zowel een bezwaar als een beroep) is niet-ontvankelijk. De belastingrechter is bevoegd kennis te nemen van het beroep tegen een dergelijk ingevolge de belastingwet genomen besluit (zie ook Hoge Raad 20 december 2013, nr. 12/02872, ECLI:NL:HR:2013:1797, BNB 2014/42, r.o. 4.2.5).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 27-09-2017
FutD 2017-2435

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 17/00099

12 september 2017

uitspraak van de eerste enkelvoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] , belanghebbende,

tegen

de uitspraak van 17 januari 2017 in de zaak met kenmerk HAA 16/534 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Den Helder, de heffingsambtenaar.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft met betrekking tot de heffingstijdvakken 2008 tot en met 2014, telkens binnen twee maanden na het einde van het desbetreffende heffingstijdvak, aanslagen forensenbelasting (hierna: de aanslagen) aan belanghebbende opgelegd.

1.2.

Belanghebbende heeft bij geschrift met dagtekening 6 oktober 2016 bezwaar gemaakt tegen deze aanslagen. Bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 18 januari 2016 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar tegen de aanslagen (vanwege termijnoverschrijding) niet-ontvankelijk verklaard. Voorts heeft de heffingsambtenaar in dit geschrift het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslagen afgewezen.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen die besluiten beroep ingesteld. De rechtbank heeft bij uitspraak van 17 januari 2017 als volgt beslist:

“De rechtbank:

  • -

    verklaart zich onbevoegd voor zover het beroep is gericht tegen de beslissing van verweerder om de aanslagen forensenbelasting 2008 tot en met 2014 niet ambtshalve te verminderen;

  • -

    verklaart het beroep voor het overige ongegrond.”

1.4.

Het tegen deze uitspraak door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 22 februari 2017. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 augustus 2017. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2. Feiten

2.1.

De rechtbank heeft de navolgende feiten vastgesteld (belanghebbende is in de uitspraak van de rechtbank aangeduid als ‘eiser’, de heffingsambtenaar als ‘verweerder’).

“1. Eiser is vanaf 2 maart 2007 eigenaar van een gemeubileerde woning aan het [adres] (hierna: de woning). Eiser heeft zijn hoofdverblijf in de gemeente [Z] . De woning wordt aan derden verhuurd.

2. Eiser heeft in zijn bezwaarschrift van 6 oktober 2016 tegen de aanslag forensenbelasting over het jaar 2015 tevens verzocht om vermindering van de aan hem opgelegde aanslagen forensenbelasting over de jaren 2008 tot en met 2014.

3. Verweerder heeft dit verzoek van eiser aangemerkt als een bezwaarschrift tegen de aanslagen forensenbelasting 2008 tot en met 2014 en heeft bij uitspraak op bezwaar van 18 januari 2016 het bezwaar van eiser daartegen niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de wettelijke bezwaartermijn van zes weken en ambtshalve de aanslagen gehandhaafd.”

2.2.

Tegen de vaststelling van de feiten door de rechtbank zijn door partijen geen bezwaren aangevoerd. Het Hof zal derhalve ook uitgaan van die feiten. In aanvulling hierop stelt het Hof de volgende feiten vast.

2.3.

Met dagtekening 30 september 2015 is de aanslag forensenbelasting over 2015 opgelegd. Bij het aanslagbiljet was een bijsluiter bijgevoegd waarin, kort samengevat is toegelicht onder welke omstandigheden geen forensenbelasting wordt geheven door de gemeente Den Helder (hierna: de gemeente).

2.4.

In de onder 1.2 vermelde brief van 18 januari 2016 heeft de heffingsambtenaar onder andere het volgende aan belanghebbende medegedeeld:

“U heeft tevens verzocht om vermindering van [de aanslagen]. Een bezwaar tegen [de aanslagen] kon u tot en met 6 weken na dagtekening van de aanslagen indienen. Verzoeken die na deze termijn zijn ingediend zijn niet-ontvankelijk en worden ambtshalve beoordeeld. (…) [De aanslagen] zijn formeel juist. (…) Uit ambtshalve heroverweging is derhalve gebleken dat er geen reden is [de aanslagen] te verminderen.

Uitspraak

(…) Uw bezwaar tegen [de aanslagen] zijn niet-ontvankelijk. (…) Voor de volledigheid deel ik u mee, dat u tegen [de aanslagen] uitsluitend tegen de niet-ontvankelijkverklaring in beroep kunt komen.”

3 Geschil in hoger beroep

In hoger beroep is tussen partijen in geschil of de heffingsambtenaar de bezwaren tegen de aanslagen terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard en of de rechtbank zich terecht onbevoegd heeft verklaard voor zover het beroep is gericht tegen het besluit van de heffingsambtenaar om geen ambtshalve vermindering te verlenen.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

De rechtbank heeft het volgende overwogen:

“5. Tussen partijen is niet in geschil dat het bezwaar dat is gericht tegen de aan eiser opgelegde aanslagen forensenbelasting 2008 tot en met 2014 niet binnen de in artikel 6:7 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) genoemde termijn van zes weken is ingediend.

6. Ingevolge artikel 6:11 Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkheidverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

7. Eiser voert als reden voor de termijnoverschrijding aan dat bij de aanslagen forensenbelasting 2008 tot en met 2014 geen bijsluiter was gevoegd met informatie over de verschuldigdheid van forensenbelasting in het geval een recreatiewoning grotendeels wordt verhuurd. Daarmee is echter geen rechtvaardiging voor de termijnoverschrijding gegeven. Verweerder heeft op de achterzijde van de aanslagen op juiste wijze de mogelijkheid van bezwaar vermeld zodat het eiser redelijkerwijs duidelijk had kunnen zijn hoe en binnen welke termijn hij had dienen te handelen indien hij het niet eens was met de aanslagen. Dat eiser onbekend was met de regelgeving vormt geen geldige reden voor het te laat gemaakte bezwaar. Dit komt voor eisers rekening en risico. Het ligt op de weg van eiser zich op de hoogte te stellen van ontwikkelingen in de regelgeving, onder meer op het gebied van de forensenbelasting. De termijnoverschrijding is daarom niet verschoonbaar en verweerder heeft het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Gelet hierop dient het beroep daartegen ongegrond te worden verklaard.

8. Voor zover eiser het oneens is met de beslissing van verweerder om niet over te gaan tot ambtshalve vermindering van de aanslagen forensenbelasting 2008 tot en met 2014 kan de rechtbank daarover geen oordeel geven, omdat zij daartoe niet bevoegd is. Tegen een dergelijke beslissing staat namelijk geen beroep open bij de belastingrechter. Met betrekking tot een dergelijke beslissing kan slechts een vordering bij de burgerlijke rechter worden ingesteld. In zoverre is het beroep niet-ontvankelijk.”

4.2.1.

Belanghebbende herhaalt in hoger beroep zijn ook in eerste aanleg gevoerde betoog dat de gemeente hem ten onrechte niet heeft geïnformeerd over het mogelijk niet verschuldigd zijn van de forensenbelasting. Ter zitting in hoger beroep heeft belanghebbende hier aan toegevoegd dat de gemeente in gebreke is gebleven doordat bij de aanslagoplegging over de jaren 2008 tot en met 2014 geen bijsluiter - zie 2.3 - is bijgevoegd bij de aanslagbiljetten. Daarnaast heeft belanghebbende gesteld dat de rechtbank zich ten onrechte onbevoegd heeft verklaard om te oordelen over het besluit van de heffingsambtenaar om geen ambtshalve vermindering te verlenen.

4.2.2.

De heffingsambtenaar betoogt, evenals in eerste aanleg, dat hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd geen reden oplevert voor een verschoonbare termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 Awb. Belanghebbende had zich, aldus de heffingsambtenaar, zelf moeten verdiepen in de geldende regelgeving.

4.3.

Het Hof is van oordeel dat de rechtbank op de juiste wijze heeft getoetst of de termijnoverschrijding van de bezwaren over de jaren 2008 tot en met 2014 verschoonbaar is. Het Hof verenigt zich met de beslissing die de rechtbank heeft gegeven en met de gronden die de rechtbank daaraan in haar rechtsoverwegingen 5 tot en met 7 ten grondslag heeft gelegd. Met betrekking tot het standpunt van belanghebbende dat de gemeente reeds eerder de bijsluiter aan hem had moeten verstrekken, overweegt het Hof dat op de gemeente niet een dergelijke verplichting rust. De gemeente - de heffingsambtenaar - is op dit punt dus niet in gebreke geweest. Evenals de rechtbank is het Hof van oordeel dat het op de weg van belanghebbende heeft gelegen zich te verdiepen in de ontwikkelingen met betrekking tot de regelgeving op het gebied van de forensenbelasting.

4.4.

Met betrekking tot rechtsoverweging 8 van de uitspraak van de rechtbank overweegt het Hof het volgende. De heffingsambtenaar heeft het bezwaarschrift van belanghebbende van 6 oktober 2016 tevens opgevat als een verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslagen, welk verzoek hij vervolgens heeft afgewezen. Belanghebbende heeft ook tegen dit ambtshalve genomen besluit (rechtstreeks) beroep bij de rechtbank ingesteld. Een dergelijk ambtshalve genomen besluit is voorzien in artikel 231, eerste lid, Gemeentewet, in verbinding met artikel 65 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hiena: AWR) en is daardoor een ingevolge de belastingwet genomen besluit. Tegen een dergelijk besluit staat, gelet op het zogenoemde gesloten stelsel van rechtsmiddelen in het belastingrecht (artikel 26, eerste lid, AWR in verbinding met artikel 7:1, eerste lid, Awb) geen bezwaar en beroep open. Een daartegen gericht rechtsmiddel is niet-ontvankelijk. De belastingrechter is - anders dan de rechtbank heeft geoordeeld - wel bevoegd kennis te nemen van het beroep tegen een dergelijk ingevolge de belastingwet genomen besluit (zie HR 20 december 2013, nr. 12/02872, ECLI:NL:HR:2013:1797, BNB 2014/42, r.o. 4.2.5). De rechtbank heeft zich ter zake derhalve ten onrechte onbevoegd verklaard en had het beroep in zoverre niet-ontvankelijk dienen te verklaren.

Slotsom

4.5.1.

De slotsom is dat het beroep van belanghebbende ongegrond is en – voor zover het is gericht tegen het besluit van de heffingsambtenaar om geen ambtshalve vermindering te verlenen – niet-ontvankelijk. Beslist dient te worden als hieronder vermeld.

4.5.2.

In het hiervoor onder 4.4 overwogene ziet het Hof aanleiding de griffier van het Hof te gelasten aan belanghebbende het in hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

5 Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten in hoger beroep op de voet van artikel 8:75 Awb in verbinding met artikel 8:108 Awb, nu voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn gesteld noch gebleken.

6 Beslissing

Het Hof:

  • -

    vernietigt de uitspraak van de rechtbank, uitsluitend voor zover het de beslissing tot onbevoegdverklaring betreft;

  • -

    verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen het besluit van de heffingsambtenaar om de aanslagen forensenbelasting over de jaren 2008 tot en met 2014 niet ambtshalve te verminderen; en

  • -

    bepaalt dat de griffier van het Hof aan belanghebbende het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 124 terugbetaalt.

De uitspraak is gedaan door mr. H.E. Kostense, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Jansen, als griffier. De beslissing is op 12 september 2017 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1.. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.