Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:3846

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-09-2017
Datum publicatie
25-09-2017
Zaaknummer
23-000740-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

OM-appel. Strafmaat bij recidive zwartrijden in trein. Strafvorderingsbeleid OM en daarvan (volgens de appelschriftuur in de mondelinge motivering door de kantonrechter aangehaald) afwijkend beleid van Amsterdamse kantonrechters.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000740-17

datum uitspraak: 25 september 2017

TEGENSPRAAK (raadsman gemachtigd)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam van 13 februari 2017 in de strafzaak onder parketnummer 96-227446-16 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1966,

adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 11 september 2017.

Tegen voormeld vonnis is door het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1. hij, op of omstreeks 16 november 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, gebruik heeft gemaakt van het openbaar vervoer, te weten een trein van [bedrijf], zonder een hiervoor geldig vervoerbewijs;

2. hij, op of omstreeks 15 november 2015 te Arnhem, in elk geval in Nederland, gebruik heeft gemaakt van het openbaar vervoer, te weten een trein van [bedrijf], zonder een hiervoor geldig vervoerbewijs;

3. hij, op of omstreeks 13 november 2015 te Ede, in elk geval in Nederland, gebruik heeft gemaakt van het openbaar vervoer, te weten een trein van [bedrijf], zonder een hiervoor geldig vervoerbewijs.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Met de ad informandum op de tenlastelegging vermelde feiten houdt het hof geen rekening, omdat aan de vereisten daarvoor – in het bijzonder ontbreekt een elders gedane erkenning door de verdachte – niet is voldaan (vgl. HR 8 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK0949).

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 395a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1. hij op 16 november 2015 in Nederland, gebruik heeft gemaakt van het openbaar vervoer, te weten een trein van [bedrijf], zonder een hiervoor geldig vervoerbewijs;

2. hij op 15 november 2015 in Nederland, gebruik heeft gemaakt van het openbaar vervoer, te weten een trein van [bedrijf], zonder een hiervoor geldig vervoerbewijs;

3. hij op 13 november 2015 in Nederland, gebruik heeft gemaakt van het openbaar vervoer, te weten een trein van [bedrijf], zonder een hiervoor geldig vervoerbewijs.

Hetgeen onder 1, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde levert (telkens) op:

niet naleving van het bepaalde bij artikel 70, eerste lid, van de Wet personenvervoer 2000.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Vraag omtrent toepassing van straf of maatregel

Inleiding

In deze zaak gaat het om drie gevallen van zwartrijden: het zonder geldig vervoersbewijs gebruik maken van een trein. Vaststaat dat de verdachte al diverse malen eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van dergelijk zwartrijden, onder meer tot geldboetes en hechtenis. De officier van justitie heeft in dit licht in eerste aanleg geëist dat de verdachte voor elk van de ten laste gelegde feiten zou worden veroordeeld tot één week hechtenis. Deze eis was mede gebaseerd op het door het openbaar ministerie ter zake zwartrijden in de trein gevoerde strafvorderingsbeleid op grond van de handhavingsbrief van het College van procureurs-generaal van 9 september 2010 (PaG/C/15065). Daarin staat dat in geval van meervoudige recidive een eis van één week hechtenis onvoorwaardelijk op zijn plaats is. De kantonrechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte in afwijking van de eis voor elk van de in eerste aanleg bewezen verklaarde feiten veroordeeld tot een geldboete van € 130, subsidiair twee dagen hechtenis. De officier van justitie heeft in zijn appelschriftuur gesteld dat de kantonrechter in de mondelinge motivering van zijn uitspraak kenbaar heeft gemaakt dat “binnen de rechtbank Amsterdam door de kantonrechters is afgesproken dat zij eerdergenoemde beleidslijn voor strafeisen niet volgen, maar telkens per tenlastegelegd feit 130 euro geldboete opleggen”. Het openbaar ministerie heeft tegen het vonnis van de kantonrechter hoger beroep ingesteld, omdat de Amsterdamse kantonrechters met die – mogelijke – afspraak afwijken van de kantonrechters in andere gerechten, hetgeen rechtsongelijkheid in de hand werkt. In hoger beroep is gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde alsnog, conform de beleidslijn van het openbaar ministerie, zal worden veroordeeld tot één week hechtenis per bewezen geacht feit.

De raadsman van de verdachte heeft het hof in hoger beroep verzocht toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (Sr), dan wel een geldboete op te leggen. Ten tijde van de gepleegde feiten was de verdachte dakloos en ‘woonde’ hij in de trein. De verdachte woont echter sinds enige tijd in een setting van begeleid wonen en geniet een uitkering. Indien de verdachte wordt veroordeeld tot hechtenis zal hij zijn uitkering en zijn woonruimte kwijtraken, aldus de raadsman.

Het oordeel van het hof

Het hof heeft bij de vraag naar de sanctietoepassing gelet op de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich tot drie keer toe schuldig gemaakt aan zwartrijden in de trein. Bij zwartrijden blijft het betrokken vervoersbedrijf onbetaald voor de geleverde diensten. Daarnaast leveren zulke feiten overlast op voor het treinpersoneel en kan het medepassagiers – bij betrapping van de zwartrijder –gevoelens van onbehagen of onveiligheid bezorgen. In beginsel is er dan ook aanleiding om voor zwartrijden straffen op te leggen waarin hetgeen daardoor wordt veroorzaakt (mede) tot uitdrukking wordt gebracht. Bij die straftoemeting komt betekenis toe aan de straffen die door rechters in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd, in het bijzonder door de gerechtshoven, gelet op de taak die deze gerechten hebben bij het bevorderen van de rechtseenheid in hun ressorten. Uit die (tweedelijns-) jurisprudentie komt zeker niet naar voren dat in het algemeen niet overeenkomstig het beleid van het openbaar ministerie wordt gestraft en dat aan (notoire) recidivisten niet één week hechtenis wordt opgelegd. Het uitgangspunt blijft evenwel dat straftoemeting door de rechter ook bij dergelijke vergrijpen maatwerk moet blijven en dat daarbij alle relevante feiten en omstandigheden in aanmerking moeten worden genomen. Overigens verdient het aantekening dat het hof ambtshalve niet bekend is met een afspraak van de kantonrechters in de rechtbank Amsterdam als hierboven genoemd.

In dit geval acht het hof het raadzaam te bepalen dat aan de verdachte geen straf of maatregel wordt opgelegd. Daartoe is redengevend dat de verdachte, blijkens het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 1 september 2017, bij arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 17 maart 2016 wegens (ernstige) misdrijven is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 8 voorwaardelijk. De veronderstelling is reëel dat aan de verdachte niet méér straf zou zijn opgelegd, indien de drie overtredingen die thans aan de orde zijn ook aan dat hof zouden zijn voorgelegd.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Bepaalt dat ter zake van het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R. Kuiper, mr. J.J.I. de Jong en mr. M. Gonggrijp-van Mourik, in tegenwoordigheid van S.D. van der Heiden, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 25 september 2017.

De jongste raadsheer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

[…]