Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:3808

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
19-09-2017
Datum publicatie
06-10-2017
Zaaknummer
200.204.954/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

De vraag of de brief als een opzegging dient te worden beschouwd moet worden uitgelegd overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 3:33 en 3:35 BW. Gelet op de bewoordingen van de brief kon en mocht werknemer deze redelijkerwijs opvatten als strekkende tot beëindiging van het tot dan toe bestaande dienstverband met werkgever. Door werkgever zijn geen feiten of omstandigheden gesteld die, indien bewezen, tot de conclusie leiden dat het beroep van de werknemer op de rechtsgevolgen van de opzegging zodanig in strijd is met maatstaven van redelijkheid en billijkheid dat deze gevolgen onaanvaardbaar zouden zijn.

Voor de werknemer is niet een bijzondere onderzoeksplicht ontstaan naar de vraag of er sprake was van een duidelijke en ondubbelzinnige opzegging aan de zijde van de werkgever. Uit artikel 7:673 lid 1 sub a onder 1 BW vloeit voort dat de werkgever de transitievergoeding is verschuldigd, omdat de arbeidsovereenkomst ten minste 24 maanden heeft geduurd en door de werkgever is opgezegd. Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat ook de vergoeding wegens onregelmatige opzegging toewijsbaar is op grond van artikel 7:672 lid 10 BW. De wet kent hier geen anticumulatiebepaling.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 33
Burgerlijk Wetboek Boek 3 35
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 248
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 672
Burgerlijk Wetboek Boek 7 673
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2017-1195
JAR 2017/268

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.204.954/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : 5103967 EA VERZ 16-594

beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 19 september 2017

inzake

KSB DIENSTEN B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

appellante,

advocaat: mr. J.M.W. Feijen te Hilversum,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonend te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. A.W. Brantjes te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna KSB en [geïntimeerde] genoemd.

[geïntimeerde] is bij beroepschrift met producties, ontvangen ter griffie van het hof op 5 december 2016, in hoger beroep gekomen van de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) onder bovenstaand zaaknummer op 6 september 2016 heeft gegeven. Het beroepschrift bevat vijf grieven. In het beroepschrift heeft KSB verzocht om de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad, zo nodig onder verbetering van gronden, de verzoeken zoals gedaan in het inleidende verzoekschrift van [geïntimeerde] in eerste aanleg af te wijzen, alsmede [geïntimeerde] te veroordelen om de op basis van de bestreden beschikking door KSB betaalde bedragen, te weten

€ 9.598,= (transitievergoeding) en € 3.411,24 (schadevergoeding wegens onregelmatige opzegging) te vermeerderen met rente en kosten, aan KSB terug te betalen, alsmede [geïntimeerde] te veroordelen in de kosten van de procedure in beide instanties.

Op 20 februari 2017 is ter griffie van het hof een verweerschrift van [geïntimeerde] ingekomen. Daarin heeft [geïntimeerde] verzocht, op de in het verweerschrift opgenomen gronden, zowel ieder op zich als in onderling verband beschouwd, bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de grieven van KSB af te wijzen en de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen, met veroordeling van KSB in de kosten van dit hoger beroep met nakosten.

De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgevonden op 30 juni 2017. Bij die gelegenheid is namens KSB verschenen [X] , haar directeur, bijgestaan door mr. Feijen voornoemd, die het beroepschrift mondeling heeft toegelicht. Verder is [geïntimeerde] verschenen, bijgestaan door mr. P.A.M. Neijtzell de Wilde en mr. M.L. Balkema, advocaten te Amsterdam, die het woord hebben gevoerd, onder meer aan de hand van aan het hof overgelegde aantekeningen.

Beide partijen hebben bewijs aangeboden van hun stellingen.

Vervolgens is de behandeling van de zaak gesloten. Uitspraak is bepaald op heden.

2 Feiten

2.1

De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking onder 1 (1.1 tot en met 1.6) de feiten vermeld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof tot uitgangspunt. Het gaat in deze zaak om het volgende.

2.1.1

KSB is een schoonmaakbedrijf. KSB heeft ongeveer 35 (parttime)

schoonmakers in dienst en een voorman.

2.1.2

[geïntimeerde] , geboren [in] 1958, is op 10 juni 1988 in dienst getreden

bij de rechtsvoorgangster van KSB. De laatste functie die [geïntimeerde] vervulde, was

die van schoonmaakster voor 12,5 uur per week. Volgens KSB bedroeg het brutosalaris van [geïntimeerde] € 615,92 per maand inclusief vakantietoeslag, volgens [geïntimeerde] € 659,58. Op de arbeidsovereenkomst is van toepassing de CAO voor het Schoonmaakbedrijf.

2.1.3

Op of omstreeks 28 maart 2014 is [geïntimeerde] uitgevallen wegens ziekte. Na

ommekomst van de wachttijd van 104 weken (per 26 maart 2016) heeft het

UWV aan [geïntimeerde] een WGA-uitkering toegekend op basis van een

arbeidsongeschiktheidspercentage van 100%. KSB is daarvan door het UWV op de hoogte gesteld bij brief van 20 juli 2015.

2.1.4

Bij brief van 30 maart 2016 heeft KSB het volgende aan [geïntimeerde] bericht:

Betreft: einde dienstverband.

(…) Hierbij deel ik u mede dat tot de genoemde datum van 26 maart 2016 de verplichte loondoorbetaling bij ziekte door KSB Diensten B.V. heeft plaatsgevonden. Vanaf deze datum kunt u aanspraak maken op de WIA uitkering.

Per deze datum eindigt dan ook de arbeidsovereenkomst welke u met KSB Diensten

had. Wij hebben intussen de eindafrekening opgemaakt en uitbetaald.

Ik dank u hartelijk voor de getoonde inzet en wens u een goede gezondheid en veel geluk voor de toekomst toe.”

2.1.5

Bij brief van 19 april 2016 heeft de toenmalige gemachtigde van [geïntimeerde] KSB verzocht en voor zover nodig gesommeerd tot betaling van € 3.462,91 bruto wegens onregelmatige opzegging en € 9.741,24 bruto als transitievergoeding.

2.1.6

Bij e-mail van de advocaat van KSB van 13 mei 2016 aan de toenmalige gemachtigde van [geïntimeerde] heeft KSB betwist dat sprake is van een opzegging van de arbeidsovereenkomst. Volgens KSB is (slechts) sprake geweest van een onjuiste feitelijke constatering, waarbij KSB ten onrechte heeft aangenomen dat de aanvang van de WIA-uitkering in praktische zin beëindiging van het dienstverband met zich bracht. Voorts is in die e-mail bericht dat KSB niet voornemens is de arbeidsovereenkomst op te zeggen. Indien en voor zover [geïntimeerde] mocht herstellen, kan zij zich bij KSB melden voor werkhervatting.

3 Beoordeling

3.1

[geïntimeerde] heeft verzocht, na in eerste aanleg haar verzoek te hebben gewijzigd, KSB te veroordelen tot betaling van een vergoeding van € 3.653,61 bruto wegens onregelmatige opzegging ex artikel 7:672 lid 10 Burgerlijk Wetboek (BW) en van een bedrag van € 10.276,26 bruto als transitievergoeding ex artikel 7:673 BW, beide bedragen te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 11 mei 2016 tot de dag der voldoening.

3.2

Aan dit verzoek heeft [geïntimeerde] ten grondslag gelegd dat - kort gezegd - de onder 2.1.4 aangehaalde brief van KSB van 30 maart 2016 ondubbelzinnig is gericht op beëindiging van het dienstverband per 26 maart 2016. Er is daarmee wel degelijk – anders dan KSB later heeft gesteld – sprake van een opzegging van de arbeidsovereenkomst door KSB, waarbij de op grond van de toepasselijke cao geldende opzegtermijn van 24 weken niet in acht is genomen. Dat KSB geen ontslagprocedure wegens langdurige arbeidsongeschiktheid bij het UWV heeft gevoerd en naar eigen zeggen niet over voldoende juridische kennis beschikte, doet daar niet aan af. Aangezien een opzegging een eenzijdige rechtshandeling is kan KSB daarvan achteraf niet terugkomen, althans niet zonder instemming van [geïntimeerde] . KSB is daarom gehouden de door [geïntimeerde] verzochte vergoedingen te betalen. KSB heeft hiertegen verweer gevoerd en herhaalt dit in hoger beroep.

3.3

Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter KSB veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van een transitievergoeding van € 9.598,= bruto en een vergoeding wegens onregelmatige opzegging van € 3.411,24 bruto. De kantonrechter heeft KSB tevens veroordeeld in de proceskosten. De kantonrechter heeft - kort samengevat - het volgende overwogen. [geïntimeerde] mocht de brief van 30 maart 2016 redelijkerwijs als een opzegging opvatten. In de brief schrijft KSB onder het kopje ‘Betreft: einde dienstverband’ dat op 26 maart 2016 de arbeidsovereenkomst is geëindigd. Op geen enkele wijze wordt verder aan de mogelijkheid van werkhervatting na herstel van de arbeidsongeschiktheid van [geïntimeerde] gerefereerd. Voorts schrijft KSB dat de eindafrekening is opgemaakt en uitbetaald, hetgeen er ook op duidt dat de arbeidsovereenkomst is beëindigd door KSB. Verder is de werkgever op grond van 7:672 lid 10 BW een vergoeding verschuldigd aan de werknemer indien is opgezegd tegen een eerdere dag dan die tussen partijen geldt. Daarvan is sprake nu niet in geschil is dat de op grond van de onder 2.1.2 genoemde cao geldende opzegtermijn van 24 weken niet in acht is genomen.

3.4

Tegen deze beslissingen komt KSB met haar grieven op. [geïntimeerde] heeft daartegen verweer gevoerd.

3.5

Het hof oordeelt als volgt.

3.6

Aan de orde is de vraag of de brief van KSB van 30 maart 2016 een opzegging van de arbeidsovereenkomst tussen KSB en [geïntimeerde] bevat, waardoor KSB aan [geïntimeerde] de transitievergoeding en een vergoeding wegens onregelmatige opzegging verschuldigd is geworden.

3.7

De tegen het oordeel van de kantonrechter gerichte grieven 1 tot en met 4 lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Primair richt KSB zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat KSB de arbeidsovereenkomst met [geïntimeerde] bij brief van 30 maart 2016 heeft opgezegd. KSB heeft - kort samengevat – daartegen het volgende aangevoerd. Anders dan KSB heeft bepleit heeft de kantonrechter doorslaggevend geoordeeld of [geïntimeerde] er op mocht vertrouwen dat KSB met haar verklaring de arbeidsovereenkomst wilde beëindigen, zonder daarbij doorslaggevende betekenis toe te kennen aan de intentie van KSB en de omstandigheden van het geval. Daarmee heeft de kantonrechter, aldus nog steeds KSB, de bescherming van artikel 3:35 BW te veel opgerekt en ten onrechte betekenis toegekend aan de bescherming van de werknemer tegen de rechtsgevolgen van een onvoldoende duidelijke en dubbelzinnige opzegging.

3.8

De grieven falen, omdat de vraag of de brief van KSB van 30 maart 2016 als een opzegging dient te worden beschouwd moet worden uitgelegd overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 3:33 en 3:35 BW, zonder daarbij ten gunste van de werkgever overeenkomstige of vergelijkbare betekenis toe te kennen aan de jurisprudentie van de Hoge Raad aangaande de aanvullende bescherming van de werknemer, van wiens kant een duidelijke ondubbelzinnige verklaring noodzakelijk is voor het intreden van het rechtsgevolg van een opzegging. De tekst van de brief van KSB, onder de aanhef ‘Betreft: einde dienstverband’, houdt in een mededeling met kennelijk dát beoogde rechtsgevolg, althans gelet op de hiervoor geciteerde bewoordingen van de brief kon en mocht [geïntimeerde] , die immers zelf ook niet juridisch geschoold is, deze redelijkerwijs opvatten als strekkende tot beëindiging van het tot dan toe bestaande dienstverband met KSB. KSB heeft ook gehandeld in overeenstemming met die strekking, door, zoals in de brief aangekondigd, een eindafrekening (wegens einde dienstverband) op te stellen en het op die basis volgens KSB verschuldigde bedrag aan [geïntimeerde] te voldoen. Het enkele feit dat KSB mogelijk de overige rechtsgevolgen van een opzegging niet kende en, na daarop gewezen te zijn, later alsnog een afwijkende verklaring met andere strekking heeft afgelegd, kan niet tot een andere beoordeling leiden. Daarbij is mede van betekenis dat KSB als werkgever ruim 30 personeelsleden in dienst heeft en reeds langere tijd bestaat, zodat verwacht mag worden dat zij ofwel op de hoogte is van haar rechten en plichten in verband met door haar gesloten arbeidsovereenkomsten, dan wel zich dienaangaande tijdig laat voorlichten.

3.9

De rechtsgevolgen van de opzegging als eenzijdige rechtshandeling van de zijde van KSB treden reeds in na de ontvangst van de mededeling door [geïntimeerde] . Zonder instemming van [geïntimeerde] , welke ontbreekt, wordt KSB van die rechtsgevolgen niet bevrijd. Door KSB zijn geen feiten of omstandigheden gesteld die, indien bewezen, tot de conclusie leiden dat het beroep van [geïntimeerde] op de rechtsgevolgen van de opzegging zodanig in strijd is met maatstaven van redelijkheid en billijkheid dat deze gevolgen onaanvaardbaar zouden zijn.

3.10

KSB heeft ook nog aangevoerd dat de stelselwijziging van het ontslagrecht die het gevolg is van de Wwz meebrengt dat de op de ernstige gevolgen van een opzegging door de werknemer gerichte aanvullende bescherming van de werknemer, zich na invoering van de Wwz ook dient uit te strekken tot de ernstige gevolgen van een onregelmatige opzegging door de werkgever voor deze. Dit standpunt, strekkende tot een spiegelbeeldige uitbreiding van de rechtsbescherming van de werkgever, vindt echter geen steun in de wetsgeschiedenis van de Wwz, noch anderszins in het recht. Daarbij kan in het midden gelaten worden of de verschuldigdheid van de transitievergoeding en de onregelmatigheidsvergoeding onder dergelijke ‘ernstige gevolgen’ vallen, temeer daar de eerste vergoeding (in casu ongeveer het drievoudige van de tweede) in beginsel steeds verschuldigd wordt bij een door de werkgever geïnitieerd regulier ontslag als aan de vereisten van artikel 7:673 lid 1 BW is voldaan. Bij de omstreden opzegging door KSB is voor [geïntimeerde] dan ook niet een bijzondere onderzoeksplicht ontstaan naar de vraag of er sprake was van een duidelijke en ondubbelzinnige opzegging aan de zijde van KSB.

3.11

Met grief 5 betoogt KSB dat het onredelijk is [geïntimeerde] zowel een transitievergoeding als een vergoeding wegens onregelmatige opzegging toe te kennen. Uit artikel 7:673 lid 1 sub a onder 1 BW vloeit voort dat KSB de transitievergoeding is verschuldigd, omdat de arbeidsovereenkomst ten minste 24 maanden heeft geduurd en door KSB is opgezegd. Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat ook de vergoeding wegens onregelmatige opzegging toewijsbaar is op grond van artikel 7:672 lid 10 BW. De wet kent hier, anders dan KSB kennelijk wil betogen, geen anticumulatiebepaling. Het onthouden van instemming door [geïntimeerde] met de door KSB beoogde intrekking van de opzegging leidt niet tot de conclusie dat het verzoek tot nakoming van de uit de ontijdige opzegging voortvloeiende betalingsverplichtingen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Daartoe zijn door KSB onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld. Daarbij is mede van belang dat de transitievergoeding beoogt de gevolgen van het verlies van de arbeidsovereenkomst op te vangen. Gelet op het kennelijk ontbreken van enig reëel perspectief op werkhervatting bij KSB ontstaat voor [geïntimeerde] feitelijk een situatie waarvoor de transitievergoeding mede bedoeld is.

3.12

Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan buiten beschouwing blijven omdat het niet van belang is voor de beslissing in deze zaak. KSB heeft geen bewijs aangeboden van feiten en omstandigheden die, indien bewezen, tot een andere beoordeling dan hierboven gegeven kunnen leiden. Haar bewijsaanbod zal dan ook worden gepasseerd.

3.13

De slotsom is dat de grieven niet tot vernietiging van de bestreden beschikking kunnen leiden. Gelet op deze uitkomst zal die beschikking worden bekrachtigd en zal KSB in de kosten van het hoger beroep worden veroordeeld.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

veroordeelt KSB in de proceskosten in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 313,= aan verschotten, € 1.788,= voor salaris en € 131,= voor nasalaris, te vermeerderen met € 68,= voor nasalaris ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. W.H.F.M. Cortenraad, H.T. van der Meer en M.L.D. Akkaya en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 19 september 2017.