Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:3783

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20-09-2017
Datum publicatie
29-09-2017
Zaaknummer
23-001488-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gevangenisstraf van 18 jaren voor het tot ontploffing brengen van een zelf vervaardigd explosief op een woonboot met dodelijk en zwaar gewond slachtoffer als gevolg. De verdachte heeft niet willen meewerken aan persoonlijkheidsonderzoek. Wel hebben deskundigen vastgesteld dat naast misbruik van cannabis sprake is van een stoornis. In hoeverre de stoornis behandelbaar is en in hoeverre het gevaar op herhaling kan worden beteugeld kan bij gebreke van medewerking aan het onderzoek door de verdachte niet worden vastgesteld. Het hof concludeert dat gevaar voor herhaling allerminst kan worden uitgesloten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0799

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001488-16

datum uitspraak: 20 september 2017

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 8 april 2016 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers

15-870649-15 (hierna: feit 1), 15-700046-16 (hierna: feit 2) en 15-128865-14 (hierna: feit 3) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,

adres: [adres 1] ,

thans gedetineerd in [detentie]

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie en de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door de rechtbank Noord-Holland vrijgesproken van hetgeen aan hem onder feit 3 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is namens de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Het hoger beroep van het openbaar ministerie is, blijkens de mededeling van de advocaat-generaal op de terechtzittingen van 9 augustus 2016 en 28 augustus 2017, niet gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep opgenomen beslissing ten aanzien van het onder feit 3 ten laste gelegde. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 407 van het Wetboek van Strafvordering, zal het hof het openbaar ministerie in zoverre

niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 9 augustus 2016, 1 februari 2017, 28 augustus 2017, 30 augustus 2017 en 6 september 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte en het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en zijn raadslieden naar voren is gebracht.

Tenlasteleggingen

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten nadere omschrijving van de tenlastelegging is aan de verdachte, voor zover thans nog aan de orde, ten laste gelegd dat:

Zaak met parketnummer 15-870649-15 (feit 1):

hij op of omstreeks 13 april 2015 te Wormer, gemeente Wormerland, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht immers heeft hij een bom, in elk geval een (geïmproviseerd/zelf gemaakt) explosief, bevestigd aan de woonboot genaamd [woonboot] (gelegen aan de [adres 2] ), en heeft hij deze bom/ dit explosief (vervolgens) tot ontploffing gebracht door:

een (elektrische) vonk/ elektriciteit/stroom (vanuit een batterijpack) in aanraking te (laten) brengen met een (via een elektriciteitsdraad/stroomdraad verbonden/lopend) ontstekingsmechanisme (in/aan die bom), en/of door open vuur in aanraking te (laten) brengen met een (via een lont verbonden/lopend) ontstekingsmechanisme (in/aan die bom),

dan wel op andere tot op heden onbekende wijze het ontstekingsmechanisme (in/aan die bom) af te laten gaan/ in werking te stellen,

ten gevolge waarvan een ontploffing is ontstaan,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor de woonboot [woonboot] en/of voertuigen en/of panden (in de (directe) omgeving van de woonboot [woonboot] /de bom/het explosief), en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de omwonenden en/of een ieder (in de (directe) omgeving van de woonboot

[woonboot] / de bom/het explosief) aanwezig op de Veerdijk te duchten was,

en ten gevolge waarvan [slachtoffer 1] zodanige verwondingen aan het lichaam heeft opgelopen, dat hij daaraan is overleden,

en/of ten gevolge waarvan [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel (te weten blijvende blindheid aan het rechteroog en/of een breuk aan de oogkas en/of breuken aan bovenkaken en/of onderkaken / een verbrijzelde bovenkaak en/of een hersenbloeding en/of blijvend (perceptief) gehoorverlies en/of (continue) oorsuizen en/of verminkingen/blijvende littekens aan neus en/of lip, althans aan het gelaat) heeft bekomen;

Zaak met parketnummer 15-700046-16 (feit 2):

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2015 tot en met 13 april 2015 te Purmerend en/of Wormer, gemeente Wormerland, althans in Nederland, ter voorbereiding van het/de misdrijf/misdrijven moord en/of het opzettelijk een ontploffing teweegbrengen (namelijk de moord op [slachtoffer 3] en/of het tot ontploffing brengen van een bom/explosief op/bij diens woonboot), opzettelijk

een bom/ een (geïmproviseerd/zelf gemaakt) explosief en een (via een stroomdraad met die bom/dat explosief verbonden) ontstekingsmechanisme (een batterijpack),

bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft vervaardigd en/of voorhanden heeft gehad.

Het hof leest, evenals de rechtbank, in het onder 1 ten laste gelegde in plaats van de woorden ‘in/aan die bom’ telkens ‘in/aan die bom/dat explosief’. Deze combinatie van woorden is aanvankelijk wel, maar verderop in de tenlastelegging niet meer opgenomen. Het hof beschouwt, evenals de rechtbank, het wegvallen van deze woorden die hij inleest als een kennelijke misslag. De verdachte is naar het oordeel van het hof door de verbeterde lezing van de tenlastelegging en door de overige aangebrachte correcties niet geschaad in zijn verdediging.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie ten aan zien van de onder feit 2 ten laste gelegde voorbereiding van moord

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep1 betoogd dat het openbaar ministerie ten aanzien van de onder feit 2 ten laste gelegde voorbereiding van moord niet-ontvankelijk in de vervolging dient te worden verklaard, omdat er sprake is van schending van de beginselen van een goede procesorde. In eerste aanleg heeft de officier van justitie ten aanzien van feit 2 gerekwireerd tot bewezenverklaring van voorbereiding van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen en niet tot bewezenverklaring van voorbereiding van moord. Uit een mededeling van de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep blijkt volgens de raadsvrouw plotseling dat het openbaar ministerie feit 2 als alternatief ten laste gelegd leest, terwijl de verdediging altijd is uitgegaan van twee cumulatief ten laste gelegde feiten in deze. Nu uit de appelmemorie van het openbaar ministerie blijkt dat het hoger beroep van het openbaar ministerie alleen is gericht tegen de strafmaat, is het volgens de raadsvrouw in strijd met de goede procesorde dat het openbaar ministerie in hoger beroep opeens zonder aankondiging vooraf rekwireert tot bewezenverklaring van voorbereiding van moord. Het openbaar ministerie dient daarom ten aanzien van dat deel van het onder feit 2 ten laste gelegde niet-ontvankelijk in de vervolging te worden verklaard, aldus de raadsvrouw.

De advocaat-generaal heeft aangevoerd dat er geen sprake is van strijd met de goede procesorde, omdat niet is gebleken dat de verdachte in de verdediging van zijn belangen is geschaad, zodat het openbaar ministerie ook ten aanzien van de ten laste gelegde voorbereiding van moord ontvankelijk is in de vervolging.

Het hof overweegt als volgt.

De verdediging is in hoger beroep in de gelegenheid gesteld om verweer te voeren tegen de onder feit 2 ten laste gelegde voorbereiding van moord en heeft daarvan ook uitvoerig gebruik gemaakt2. Het hof is van oordeel dat er geen sprake is van schending van de goede procesorde omdat geenszins is gebleken dat de verdachte in de verdediging van zijn belangen is geschaad, wat er ook zij van het moment waarop de verdediging de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie aan de orde heeft gesteld.

De tenlastelegging van feit 2 behelst de strafbare voorbereiding waarbij de verdachte opzettelijk middelen heeft vervaardigd en/of voorhanden heeft gehad, bestemd tot het begaan van het misdrijf moord en/of van het misdrijf het opzettelijk een ontploffing teweegbrengen (artikel 46 van het Wetboek van Strafrecht).

Het stond het openbaar ministerie derhalve vrij om te rekwireren tot bewezenverklaring van voorbereiding van het misdrijf moord, zoals ook de rechtbank bij vonnis van 8 april 2016 bewezen heeft verklaard.

Dat het openbaar ministerie in eerste aanleg met betrekking tot feit 2 heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van voorbereiding van het misdrijf het opzettelijk een ontploffing teweegbrengen maakt dit niet anders.

Het openbaar ministerie is derhalve ten aanzien van de gehele tenlastelegging van feit 2 ontvankelijk in de vervolging van de verdachte.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, reeds omdat het hof ten aanzien van feit 2 tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Inleiding

Op maandag 13 april 2015, om 04:03 uur, is bij de meldkamer van Politie Eenheid Noord Holland de melding binnengekomen dat een vrouw, wonende aan de [adres 2] te Wormer (het hof begrijpt uit de context: aan de [adres 2] te Wormer, op de woonboot “ [woonboot] ”), in paniek heeft gebeld omdat iemand haar woonboot in brand heeft gestoken. Kort hierna zijn diverse meldingen binnengekomen dat op een woonboot aan de Veerdijk een explosie heeft plaatsgevonden waarbij meerdere personen gewond zijn geraakt.

Naar aanleiding van bovengenoemde meldingen zijn eenheden van de surveillancedienst van de politie naar de Veerdijk te Wormer gegaan. Op de kade van de Veerdijk troffen zij her en der brokstukken aan. Ter hoogte van de achterzijde van woonboot [woonboot] zat een zwaargewonde vrouw op de grond. Ter hoogte van de voorzijde van de woonboot werd een man aangetroffen. De man had zeer ernstige verwondingen over zijn gehele lichaam en is overleden.

Op 29 april 2015 was het vrouwelijke slachtoffer bij bewustzijn en aanspreekbaar. Zij verklaarde dat een man haar woonboot in brand stak en dat hij telkens “ [slachtoffer 3] , [slachtoffer 3] ” riep. Daags daarna verklaarde zij dat hij ook “ [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] ” riep. Uit het ingestelde onderzoek in het politiesysteem BVH is gebleken dat op de [adres 2] te Wormer een man woont die is genaamd [slachtoffer 3] (hierna: [slachtoffer 3] ). Zijn vrouw heet [vrouw van Ruud] . Uit het BHV-systeem bleek voorts dat de moeder van [verdachte] (hierna: de verdachte) zich in december 2013 bij de politie had gemeld omdat zij bang was dat de verdachte [slachtoffer 3] iets zou aandoen. Zij dacht daarbij aan brandstichting aan diens woning. Ook bleek uit de BHV-registraties – onder andere – dat de verdachte 10 à 12 jaar geleden een deel van zijn vinger is kwijtgeraakt door te experimenteren met explosieven en dat hij in 2013 goederen in zijn kamer had welke mogelijk bestemd waren voor het maken van explosieven. Gezien het voorgaande zijn de vingerafdrukken van de verdachte, welke reeds bekend waren bij de politie, vergeleken met de dactyloscopische sporen welke zijn aangetroffen op een batterijpack op de plaats delict. Deze bleken met elkaar overeen te komen.

Naar aanleiding van het bovenstaande is de verdachte op 30 april 2015 buiten heterdaad aangehouden.

Zowel ter terechtzitting in eerste aanleg als in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij inderdaad degene is geweest die het explosief op woonboot [woonboot] tot ontploffing heeft gebracht. De verdachte heeft verklaard dat zijn handelen gericht was op het toebrengen van materiële schade aan de woonboot van [slachtoffer 3] . De verdachte heeft zich hierbij vergist en de woonboot van [slachtoffer 3] 3 verward met de nabijgelegen woonboot van de slachtoffers, de heer [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) en mevrouw [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ).

Overwegingen ten aanzien van feit 2

De advocaat-generaal heeft betoogd dat gelet op de inhoud van de berichten van de verdachte aan zijn oma, zijn vader, [naam] (de moeder van zijn toenmalige vriendin [toenmalige vriendin] ) en [vriend] (een vriend) niet anders kan worden geoordeeld dan dat de verdachte [slachtoffer 3] iets wilde aandoen, omdat [slachtoffer 3] de veroorzaker was van alle ellende binnen het gezin [verdachte] . Deze man zou volgens de verdachte moeten verdwijnen uit het leven van zijn familie. Hij is daarom begin januari 2015 begonnen met de inkoop van grondstoffen en andere benodigdheden voor het maken van explosieven. Op zijn kamer heeft hij explosieven gefabriceerd. Hij heeft daarvoor diverse websites geraadpleegd en op internet gekeken welke woonboot hij moest hebben. Uiteindelijk is hij op 13 april 2015 vroeg in de ochtend naar de Veerdijk te Wormer gegaan en heeft hij één van de twee explosieven ontstoken.

De conclusie van de advocaat-generaal is dan ook dat de rechtbank terecht de voorbereiding van moord op [slachtoffer 3] bewezen heeft geacht.

De verdediging heeft betoogd dat het de bedoeling van de verdachte was om de boot van [slachtoffer 3] extreem te beschadigen. De verdediging betwist dat de verdachte opzet had op de voorbereiding van moord op [slachtoffer 3] . Alle voorbereidingen die hij heeft getroffen waren erop gericht een vernielende explosie te veroorzaken, zonder slachtoffers. De verdachte hoopte dat [slachtoffer 3] zou verhuizen als hij geen boot meer zou hebben. Hij dacht echt dat hij op 13 april 2015 bij de boot van [slachtoffer 3] was. Met een thermietbrand heeft hij de bewoners naar buiten willen lokken, zodat zij ten tijde van de explosie niet meer aan boord zouden zijn. Dat is ook gebeurd, want [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , de bewoners van woonboot [woonboot] , kwamen naar buiten. De verdachte heeft de lont van één van de explosieven aangestoken. De verdachte zou gezegd hebben dat hij een explosief aanstak. [slachtoffer 1] kwam op de verdachte af en duwde hem. De verdachte zou gezegd hebben dat [slachtoffer 1] weg moest wezen. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben zich samen met de verdachte naar de parkeerplaats begeven, waar het volgens de verdachte veilig was. De verdachte is weggerend en heeft geen rekening gehouden met de mogelijkheid dat de bewoners van de boot terug zouden keren naar de boot en de lont zouden proberen te blussen.

Dat zijn handelen risicovol was, was de verdachte bekend, maar hij heeft deze risico’s niet aanvaard, zodat de verdachte volgens de raadsvrouw dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde voorbereiding van moord.

Het hof is van oordeel dat er, met name gelet op de inhoud van de telefonische tekstberichten en e-mails van de verdachte aan familieleden en bekenden, sterke aanwijzingen zijn dat de verdachte voorbereidingshandelingen heeft getroffen voor de moord op [slachtoffer 3] .

Het door de verdediging geschetste alternatieve scenario – dat hij slechts schade aan de boot van [slachtoffer 3] heeft willen veroorzaken en niet aan personen en daarom de bewoners heeft gewaarschuwd –

valt echter niet uit te sluiten. De verdachte heeft immers voordat hij het explosief aanstak een thermietbrand op de woonboot aangestoken om, zoals hij verklaart, de bewoners uit de woonboot te lokken. Daarop zijn de bewoners inderdaad naar buiten gekomen. De verdachte heeft bij herhaling verklaard dat het hem ging om het toebrengen van ernstige schade aan de woonboot van [slachtoffer 3] , omdat hij wilde dat [slachtoffer 3] uit het leven van hem en zijn familie zou verdwijnen. In hoger beroep heeft hij verklaard dat hij hoopte dat de boot zou zinken en dat [slachtoffer 3] dan zou verhuizen. Nu het hof het door de verdediging geschetste alternatieve scenario niet kan uitsluiten, gaat het hof ervan uit dat de door de verdachte getroffen voorbereidingshandelingen erop gericht waren op de boot van [slachtoffer 3] een vernielende explosie te veroorzaken zonder slachtoffers en acht het hof, anders dan de rechtbank en het openbaar ministerie thans, bewezen dat de verdachte voorbereidingshandelingen heeft verricht voor het opzettelijk tot ontploffing brengen van een explosief bij de woonboot van [slachtoffer 3] , zoals hieronder onder feit 2 bewezen zal worden verklaard en door de verdachte ook is bekend.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder de feiten 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 13 april 2015 te Wormer, gemeente Wormerland, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht, immers heeft hij een zelf gemaakt explosief bevestigd aan de woonboot genaamd [woonboot] , gelegen aan de [adres 2] , en heeft hij dit explosief vervolgens tot ontploffing gebracht door:

open vuur in aanraking te brengen met een via een lont verbonden ontstekingsmechanisme aan dit explosief,

ten gevolge waarvan een ontploffing is ontstaan,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor de woonboot [woonboot] en voertuigen en panden in de directe omgeving van het explosief, en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor

een ieder in de directe omgeving van het explosief aanwezig op de Veerdijk te duchten was,

en ten gevolge waarvan [slachtoffer 1] zodanige verwondingen aan het

lichaam heeft opgelopen, dat hij daaraan is overleden,

en ten gevolge waarvan [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel, te weten blijvende blindheid aan het rechteroog en een breuk aan de oogkas en breuken aan bovenkaak en onderkaak en een hersenbloeding en blijvend (perceptief) gehoorverlies en continue oorsuizen en verminkingen/blijvende littekens aan neus en lip heeft bekomen;

2.

hij in de periode van 1 januari 2015 tot en met 13 april 2015 te Purmerend en Wormer, gemeente Wormerland, ter voorbereiding van het misdrijf het opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, namelijk het tot ontploffing brengen van een explosief op/bij de woonboot van [slachtoffer 3] , opzettelijk een zelf gemaakt explosief en een ontstekingsmechanisme, bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft vervaardigd en voorhanden heeft gehad.

Hetgeen in de tenlastelegging onder de feiten 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze hieronder zijn opgenomen.

Bewijsmiddelen

Nu de verdachte ten aanzien van beide bewezen verklaarde feiten een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering is en door de verdediging ten aanzien van die feiten geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen.

Ten aanzien van feit 1:

  • -

    de bekennende verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van de rechtbank van 25 maart 2016 en ter terechtzitting van het hof van 28 augustus 2017;

  • -

    het proces-verbaal van bevindingen verhoor [slachtoffer 2] met nummer 2014011448 van 30 april 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (dossierpagina’s 59-62);

  • -

    een schriftelijk bescheid, te weten het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut ‘Explosievenonderzoek naar aanleiding van een explosie bij een woonboot afgemeerd aan de kade van de Veerdijk te Wormer op maandag 13 april 2015’ van 28 augustus 2015, opgemaakt door dr. [forensisch arts 1] (forensisch dossier, pagina’s 469-493);

  • -

    een schriftelijk bescheid, te weten het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut ‘Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood’ van 16 april 2015, opgemaakt door dr. [arts en patholoog] , arts en patholoog (forensisch dossier, pagina’s 205-221 ;

  • -

    een schriftelijk bescheid, te weten een geneeskundige verklaring van [forensisch arts 2] , forensisch arts, van 29 mei 2015 (forensisch dossier, dossierpagina’s 528-529);

  • -

    een schriftelijk bescheid, te weten een medisch rapport van [arts] , arts, van 22 maart 2016 (ongenummerd).

Ten aanzien van feit 2:

  • -

    de bekennende verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van de rechtbank van 25 maart 2016 en ter terechtzitting van het hof van 28 augustus 2017;

  • -

    het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] met nummer PL1100-2015115928-1 van 11 mei 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 3] (dossierpagina’s 385-386);

  • -

    een schriftelijk bescheid, te weten het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut ‘Explosievenonderzoek naar aanleiding van een explosie bij een woonboot afgemeerd aan de kade van de Veerdijk te Wormer op maandag 13 april 2015’ van 28 augustus 2015, opgemaakt door dr. [forensisch arts 1] (forensisch dossier, pagina’s 469-493).

De hiervoor vermelde bewijsmiddelen zijn – ook in hun onderdelen – telkens gebezigd tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben en, voor zover het een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef, onder 5° van het Wetboek van Strafvordering betreft, telkens slechts gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder de feiten 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder feit 1 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en terwijl daarvan levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is en het feit iemands dood ten gevolge heeft.

Het onder feit 2 bewezen verklaarde levert op:

voorbereiding van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder de feiten 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en/of maatregel

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder feit 1 en onder feit 2 (voorbereiding van moord) bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 17 jaren met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder feit 1 en onder feit 2 (voorbereiding van moord) ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 jaren, met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft voorbereidingshandelingen getroffen voor het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing bij de boot van [slachtoffer 3] . Hij heeft4 daarvoor (literatuur)onderzoek gedaan naar het vervaardigen van explosieven, heeft materialen ingekocht en heeft zelf twee explosieven gemaakt. Hij is gaan observeren aan de Veerdijk te Wormer en heeft door middel van Google Streetview onderzoek gedaan naar (de omgeving) van de woonboot.

Hij is in de nacht van 13 april 2015 met de explosieven naar de Veerdijk in Wormer gefietst. De verdachte heeft zich aldaar echter ernstig vergist in de uitvoering en heeft de twee explosieven niet aan de woonboot van [slachtoffer 3] (De Hoop), maar aan de woonboot van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ( [woonboot] ) vastgemaakt. Kort daarna heeft hij op de woonboot [woonboot] een emmer met thermiet in brand gestoken. De bewoners van de woonboot zijn daarop naar buiten gekomen. Vervolgens heeft hij de lont behorende bij het explosief dat hij aan de voorkant van de woonboot had bevestigd aangestoken. [slachtoffer 1] is op de verdachte afgelopen. Daarna is de verdachte weggerend. Op het moment dat [slachtoffer 1] de lont stond te blussen is het aangestoken explosief ontploft. Ten gevolge van de explosie bij de woonboot [woonboot] is [slachtoffer 1] overleden en is [slachtoffer 2] zeer ernstig gewond geraakt met blijvende gevolgen. Daarnaast heeft de explosie enorme materiële schade aan de woonboot [woonboot] veroorzaakt en hebben ook nabijgelegen gebouwen schade opgelopen.

De verdachte heeft verklaard dat het drama dat door zijn toedoen heeft plaatsgevonden nooit zijn bedoeling is geweest. Het ging volgens hem alleen om het aanrichten van schade aan de boot van [slachtoffer 3] , omdat [slachtoffer 3] in 2005 zijn zusje zou hebben misbruikt. De verdachte heeft tevens verklaard dat hij zich bewust was van het gevaar voor de woonboot en voor iedereen die zich over de rand van de walkant zou bevinden. Het hof rekent het de verdachte zeer zwaar aan dat hij desondanks toch het explosief heeft ontstoken, waardoor [slachtoffer 1] is overleden en [slachtoffer 2] zwaar gewond is geraakt. Daarmee heeft hij [slachtoffer 1] het meest kostbare dat een mens bezit, namelijk zijn leven, ontnomen en onnoemelijk veel leed en verdriet bij de nabestaanden veroorzaakt. Dit is ter terechtzitting van het hof ook gebleken uit de door [slachtoffer 2] opgestelde en door haar voorgelezen slachtofferverklaring. Zij kampt niet alleen met het enorme verdriet dat de man met wie zij al jaren samen was en met wie zij twee weken later zou gaan trouwen is overleden. Zij lijdt ook bij voortduring aan de lichamelijke en geestelijke gevolgen die de explosie bij haar zelf heeft veroorzaakt. Als gevolg van de explosie is zij blijvend blind aan haar rechteroog, is zij inmiddels al tweemaal geopereerd aan haar linkeroog, zijn haar kaken gebroken, heeft zij een hersenbloeding opgelopen en lijdt zij blijvend aan gehoorverlies en continu oorsuizen en heeft zij verminkingen in haar gezicht. Daarmee wordt zij dagelijks geconfronteerd en daar zal zij helaas mee moeten leven.

De gedragingen van de verdachte hebben bovendien een voor de rechtsorde zeer schokkend karakter en veroorzaken gevoelens van afschuw, angst en onveiligheid in de samenleving.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 4 augustus 2017 is hij niet eerder voor soortgelijke feiten onherroepelijk veroordeeld.

De maatregel terbeschikkingstelling (TBS)

In hoger beroep heeft het openbaar ministerie, anders dan in eerste aanleg, niet geëist dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld. Door de verdediging is betoogd dat aan de voorwaarden van artikel 37a, eerste lid, Wetboek van Strafrecht (Sr) niet is voldaan, zodat oplegging van TBS niet mogelijk is. Het hof heeft zich ambtshalve de vraag gesteld of TBS een voor de verdachte passende maatregel zou zijn en overweegt daaromtrent als volgt.

TBS kan door de rechter worden opgelegd indien is voldaan aan de in artikel 37a Sr gestelde voorwaarden. Eén van die voorwaarden houdt in dat bij de verdachte ten tijde van het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. Daarnaast dient het door de verdachte begane feit een misdrijf te zijn waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en dient de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel te eisen. Voor oplegging van de maatregel is voorts vereist dat de rechter beschikt over een advies van ten minste twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines, onder wie een psychiater, die de verdachte hebben onderzocht. Indien de verdachte, zoals in dit geval, zijn medewerking aan een onderzoek door gedragsdeskundigen heeft geweigerd, vervalt voor het opleggen van de maatregel van TBS de eis van een (volwaardig) multidisciplinair onderzoek. Dit neemt niet weg dat vereist blijft dat vastgesteld moet worden dat sprake is van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens van de verdachte ten tijde van het plegen van de feiten. Zonder deze vaststelling is oplegging van TBS niet mogelijk.

Het hof heeft met betrekking tot de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte onder meer acht geslagen op de volgende stukken:

  • -

    een reclasseringsadvies van 21 juli 2014 (opgemaakt in de zaak met parketnummer 15/128865-14 (feit 3), van welk feit de verdachte door de rechtbank is vrijgesproken);

  • -

    een Pro Justitia rapport psychologisch onderzoek van 28 september 2015, opgesteld door
    [psycholoog 1] , GZ-psycholoog, onder supervisie van [psycholoog 3] ;

  • -

    een Pro Justitia psychiatrisch onderzoek van 29 september 2015, opgesteld door drs. [psychiater 1] , psychiater;

- een Pro Justitia rapport psychiatrisch en psychologisch onderzoek van 10 februari 2016, opgesteld door [psychiater 2] , psychiater, en [psycholoog 2] , psycholoog, beiden verbonden aan het Pieter Baan Centrum (PBC);

- een verslag van een aanvullend onderzoek [verdachte] van 10 juli 2017 door [psychiater 2] en [psycholoog 2] voornoemd.

Voorts heeft het hof acht geslagen op hetgeen de deskundigen [psychiater 2] en [psycholoog 2] ter terechtzitting in hoger beroep op 28 augustus 2017 hebben verklaard.

Uit de Pro Justitia rapportages en de verklaringen ter terechtzitting van de deskundigen [psychiater 2] en [psycholoog 2] blijkt dat de verdachte heeft geweigerd mee te werken aan het in de onderhavige zaak gelaste onderzoek naar de persoon van de verdachte.

Het Pro Justitia rapport van 10 februari 2016, opgesteld door [psychiater 2] , psychiater, en [psycholoog 2] , psycholoog, houdt onder meer de navolgende conclusies en bevindingen in:

Betrokkene heeft zijn medewerking aan het onderzoek geweigerd.

Kijkend naar de inhoud van de gesprekken en de informatie uit de levensgeschiedenis concluderen onderzoekers dat er bij betrokkene, behalve misbruik van cannabis, sprake moet zijn van andere psychopathologie, zowel ten tijde van het onderhavige onderzoek als ten tijde van het ten laste gelegde. Het ontbreekt onderzoekers echter aan informatie om de precieze aard en omvang van deze pathologie te kunnen bepalen.

Door de forse beperkingen van het onderzoek is het de onderzoekers niet gelukt om de precieze aard en omvang van de pathologie te kunnen onderzoeken, alsmede de eventuele relatie met het ten laste gelegde, indien bewezen, te kunnen bepalen. Ook de eventuele invloed van het cannabisgebruik in relatie tot het ten laste gelegde is niet te bepalen. Het is in het bijzonder niet duidelijk hoe vrij betrokkene is geweest in het maken van keuzes en afwegingen voorafgaand aan het ten laste gelegde. Een uitspraak over de doorwerking en mate van toerekeningsvatbaarheid kan dan ook niet worden gedaan.

Wat betreft het risico op recidive ontbreekt het de onderzoekers aan voldoende informatie om de HCR-20-v3 (instrument ter risicotaxatie van geweld) te kunnen afnemen om een statistische inschatting te kunnen maken van de kans op een recidive. De enige scoorbare items zijn de historische items ‘geschiedenis van problemen met geweld’, ‘geschiedenis van problemen met overig antisociaal gedrag’, ‘problemen met het arbeidsverleden’, waar betrokkene laag op scoort, en ‘geschiedenis van problemen met relaties’ waar betrokkene verhoogd op scoort. De overige historische items, alsmede de klinische en risicohanteringsitems zijn niet scoorbaar.

Nu onderzoekers weliswaar komen tot de conclusie dat er bij betrokkene, naast het cannabismisbruik, sprake moet zijn van een niet nader gespecificeerde pathologie, maar zij geen uitspraken kunnen doen over de relatie tussen de pathologie en de ten laste gelegde feiten, over de toerekeningsvatbaarheid en het pathologisch bepaalde recidivegevaar, onthouden zij zich van een advies tot behandeling in een gedwongen kader.

Het aanvullend onderzoek van 10 juli 2017, eveneens opgesteld door [psychiater 2] , psychiater, en [psycholoog 2] , psycholoog, houdt onder meer de navolgende conclusies en bevindingen in:

Dat er sprake is geweest van een psychiatrische stoornis al dan niet in relatie met drugsgebruik lijkt wel voor de hand liggend, maar de aard en de ernst van de eventuele stoornis is onduidelijk gebleven. Ook een mogelijk verschil in aard en intensiteit van de psychopathologie en/of het middelengebruik ten tijde van het huidige en het eerdere onderzoek en ten tijde van beide ten laste gelegde feiten is daarmee in het verlengde van het voorgaande niet vast te stellen. Dit leidt tot de conclusie dat de bevindingen zoals geformuleerd in het PBC-rapport van 10 februari 2016 onverminderd van kracht blijven.

Het hof neemt deze conclusies en bevindingen over.

Het hof stelt allereerst vast dat beide bewezen verklaarde feiten misdrijven zijn waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld.

Ter terechtzitting in hoger beroep hebben beide deskundigen bevestigd dat er bij de verdachte, naast misbruik van cannabis, ten tijde van het ten laste gelegde sprake is geweest van een niet nader gespecificeerde pathologie, die kan worden gekwalificeerd als een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, maar dat de aard en de omvang daarvan niet vast te stellen zijn. Nu dat laatste niet mogelijk is, kan niets worden gezegd over de toerekeningsvatbaarheid, de doorwerking, het recidivegevaar en een eventuele behandelmethode, aldus de deskundigen.

Alhoewel dus door de deskundigen is vastgesteld dat er bij de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde sprake is geweest van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, is het hof van oordeel dat oplegging van de TBS-maatregel niet aan de orde is, omdat niet kan worden beoordeeld of deze stoornis naar aard of ernst dwangopsluiting in een TBS-kader rechtvaardigt. Er kan immers niet worden beoordeeld of de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de oplegging van de TBS-maatregel eist. Evenmin kan worden beoordeeld of en zo ja, welke behandeling voor de verdachte passend zou zijn en of deze behandeling wel in een gedwongen kader zou moeten plaatsvinden.

Het hof zal gelet op het voorgaande een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen. Het hof merkt daarbij op dat bij de strafoplegging, evenals de rechtbank heeft overwogen, het teweegbrengen van de fatale explosie in de omgeving van woonboot [woonboot] het zwaarst weegt. Dat het bewezen verklaarde onder feit 1 qua aard en ernst tot een van de ernstigste delicten behoort die een verdachte kan begaan, blijkt ook uit het hierop gestelde wettelijk strafmaximum, te weten een levenslange gevangenisstraf of een tijdelijke gevangenisstraf van ten hoogste 30 jaren.

Door de raadsvrouw is betoogd dat de verdachte ten tijde van de bewezen verklaarde periode weliswaar 26 jaar oud was, maar dat hij toch ook nog een kinderlijke en onhandige indruk maakt. Er zijn volgens de raadsvrouw aanwijzingen dat de verdachte qua geestelijke draagkracht niet meer naar behoren functioneerde. Hij was onmachtig en verdrietig en kon de frustraties over wat zijn zus zou zijn overkomen en over de rol van zijn moeder in dit geheel niet meer goed hanteren, mede omdat het gezin waarin hij opgroeide uit elkaar was gevallen. Hij was boos op de veroorzaker van al dit leed, [slachtoffer 3] , wiens strafzaak geseponeerd was en vond geen steun in het uiteengevallen gezin [verdachte] .

De verdachte heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat hij veel spijt heeft van hetgeen hij heeft aangericht en dat hij maar al te goed beseft dat het ook heel anders (het hof begrijpt: nog erger) had kunnen zijn afgelopen.

Het hof wil dit laatste wel aannemen maar houdt slechts in zeer beperkte mate rekening met de door de raadsvrouw aangevoerde persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Nu de verdachte heeft geweigerd mee te werken aan een persoonlijkheidsonderzoek heeft hij geen inzicht verschaft in zijn persoon. Het is daardoor ook onduidelijk gebleven in hoeverre hij gebaat zou zijn bij bepaalde behandelingen, terwijl de deskundigen wel hebben vastgesteld dat bij de verdachte, naast misbruik van cannabis, sprake is van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens. De verdachte is goed opgeleid en heeft ervaring met explosieven. Hij is zich van de gevaren bewust 5 en gaat desalniettemin over tot een extreem risicovolle actie, zelfs zonder er absoluut zeker van te zijn dat hij het juiste doelwit voor ogen heeft. Hij vertrekt vervolgens van de plaats des onheils zonder zich ervan te vergewissen dat de aldaar aanwezige personen op veilige afstand van de explosie zijn en blijven, met afschuwelijke gevolgen voor de betrokkenen. Dit gedrag is niet enkel te verklaren door gevoelens van onmacht, verdriet en frustratie bij een kinderlijke verdachte. Naar het oordeel van het hof moet de door de deskundigen vastgestelde, al dan niet aan misbruik van cannabis gerelateerde stoornis daaraan (mede) debet zijn. Het hof betreurt het dan ook zeer dat de verdachte niet heeft willen meewerken aan het onderzoek van de deskundigen. In hoeverre de stoornis behandelbaar is en in het verlengde daarvan in hoeverre het gevaar voor recidive van soortgelijke reacties van de verdachte op frustraties kan worden beteugeld kan dan ook niet worden vastgesteld. Nu de verdachte gedurende de gehele procedure in beide instanties weigerachtig is gebleven zijn medewerking te verlenen aan onderzoek van zijn geestvermogens kan het hof niet anders dan concluderen dat gevaar voor herhaling van soortgelijke feiten allerminst kan worden uitgesloten. De enkele mededeling van de verdachte dat dit niet weer zal gebeuren acht het hof onvoldoende.

Gelet op het voorgaande en alles in onderling verband en samenhang bezien is het hof van oordeel dat een zeer langdurige gevangenisstraf passend en geboden is en zal het hof deze straf bepalen op een duur van 18 jaren, met aftrek van voorarrest.

Beslag

Het hof is van oordeel dat de onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen aan de verdachte dienen te worden teruggegeven6.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedroeg in totaal € 474.840,79, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 126.410,75, te vermeerderen met de wettelijke rente. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd tot een bedrag van € 441.133,81, te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze vordering is als volgt samengesteld.

Materiële schade:

Verlies van arbeidsvermogen

105.796,00

Derving levensonderhoud

144.376,00

Kosten van lijkbezorging

1.105,50

Medische kosten (niet vergoed)

6.125,00

Reis- en begeleidingskosten

10.832,50

Huishoudelijke hulp

62.791,00

Verlies van zelfwerkzaamheid

10.432,00

Algemene kosten en kosten zonder nut

2.825,00

Kosten rechtsbijstand

11.070,00

Kosten opvragen medische informatie

40,50

Kosten medisch adviseur

2.419,40

Kosten schadebegroting [register expert 2] Letselschade Experts

10.719,51

Wettelijke rente over de in bijlage 2 genoemde posten

369,11

Wettelijke rente over de overige schadeposten va 13-4-15

pm

Declaratie neuropsychologisch onderzoek [klinisch psycholoog]

3.600,96

Declaratie verzekeringsarts Den [verzekeringsarts]

4.356,00

Declaratie arbeidsdeskundige [registerarbeidsdeskundige]

4.275,33

Totaal materiële schade

381.133,81

Immateriële schade

60.000,00

Totale schade

441.133,81

Voor de berekening van de schadeposten heeft de benadeelde partij de volgende stukken in het geding gebracht:

  • -

    het rapport inzake verlies van arbeidsvermogen van [slachtoffer 2] en verlies van levensonderhoud als gevolg van het overlijden van [slachtoffer 1] van 9 maart 2016, opgesteld door [register expert 2] , NIVRE Register-Expert, en [register expert 1] ;

  • -

    het rapport inzake Neuropsychologisch expertiseonderzoek van 5 juli 2017, opgesteld door
    [klinisch psycholoog] , klinisch psycholoog;

  • -

    het verzekeringsgeneeskundige rapport van 26 juli 2017, opgesteld door [verzekeringsarts] , verzekeringsarts;

  • -

    het arbeidsdeskundig rapport van 3 augustus 2017, opgesteld door [registerarbeidsdeskundige] , registerarbeidsdeskundige.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de gehele vordering dient te worden toegewezen en de schadevergoedingsmaatregel dient te worden opgelegd.

De raadsman van de verdachte in deze heeft in hoger beroep primair aangevoerd dat de behandeling van de vordering van de benadeelde partij een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De zorgvuldigheid vereist dat de vordering van de benadeelde partij met dezelfde zorgvuldigheid moet worden behandeld zoals deze in het civiele recht zou worden behandeld. Daarvoor is de vordering volgens de raadsman echter te complex en te omvangrijk en daarmee wordt het strafgeding te zeer belast. Bovendien zijn de in hoger beroep overgelegde rapporten van [klinisch psycholoog] , [verzekeringsarts] en [registerarbeidsdeskundige] gemaakt in opdracht van en betaald door de benadeelde partij. Daarmee is het volgens de raadsman gegeven dat de rapporten niet onafhankelijk tot stand zijn gekomen. De vordering van de benadeelde partij is daarmee in het geheel niet-ontvankelijk. Subsidiair heeft de raadsman een [register expert 2] aantal posten (geheel of gedeeltelijk) betwist, hetgeen hieronder zal worden besproken.

De verdachte heeft in hoger beroep zowel bij aanvang van de terechtzitting als bij zijn laatste woord, dat hij ook op schrift gesteld en overgelegd heeft7, verklaard dat hij bereid is om alle schade van de benadeelde partij te vergoeden. Ondanks deze verklaringen, zal het hof toch de door zijn raadsman gevoerde verweren bespreken en beoordelen, gelet op de betwisting door de raadsman in deze.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de vordering in zijn geheel

Het feit dat de vordering betwist, complex en omvangrijk is brengt niet mee dat reeds daarom de vordering niet-ontvankelijk verklaard moet worden. Met de wetswijziging van 1 januari 2011 waarbij het criterium voor de ontvankelijkheid van de vordering van de benadeelde partij in artikel 361 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) is gewijzigd is beoogd dat de strafrechter zoveel als mogelijk inhoudelijk op de vordering van de benadeelde partij beslist.

Het hof stelt vast dat de door de benadeelde partij ingestelde vordering weliswaar omvangrijk en ten dele complex is, maar niet in die mate dat dat de behandeling van alle onderdelen van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, zodat deze zich leent voor de behandeling van de strafzaak.

Het hof overweegt dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest om naar voren te brengen hetgeen zij ter staving van de vordering, onderscheidenlijk tot verweer tegen de vordering kunnen aanvoeren en, voor zover nodig en mogelijk daarvan bewijs te leveren.

De verdediging heeft de stelling dat de door de benadeelde partij in hoger beroep ingeschakelde deskundigen niet onafhankelijk zijn onvoldoende onderbouwd. Deze onderbouwing is ook uitgebleven nadat door de benadeelde partij een zogeheten “ disclosure statement” van deze deskundigen is overgelegd. Evenmin heeft de verdediging een contra-expertise laten uitvoeren of daarom verzocht.

De enkele stelling dat de rapporten zijn gemaakt in opdracht van en betaald door de benadeelde partij maakt niet dat deze deskundigen als partijdig moeten worden beschouwd. Het hof zal de inhoud van de betreffende rapporten dan ook bij zijn oordeel over de afzonderlijke schadeposten betrekken.

De primaire stelling van de raadsman dat de gehele vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard wordt verworpen.

De inhoudelijke beoordeling van de vordering

Het hof is van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder feit 1 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is voor deze schade naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof zal hieronder de gevorderde schadevergoeding per afzonderlijke post bespreken en beoordelen.

Verlies arbeidsvermogen

In het rapport van [register expert 2] en [register expert 1] van 9 maart 2016 (hierna: het rapport [register expert 2] ) is voor deze post een vergelijking gemaakt tussen de situatie van vóór de explosie en de toekomstige (hypothetische) situatie na de explosie. Het bureau heeft voor dat laatste gewerkt met twee mogelijke toekomstscenario’s, te weten dat de benadeelde partij 50% van de verdiencapaciteit overhoudt (scenario 1) en dat de benadeelde partij 70% van de verdiencapaciteit overhoudt (scenario 2). Uit het arbeidsdeskundig onderzoek van [registerarbeidsdeskundige] dat later is uitgevoerd (het rapport is van 3 augustus 2017) blijkt dat het uitvalpercentage van de benadeelde partij is vastgesteld op 44%. Volgens de benadeelde partij dient daarom aansluiting te worden gezocht bij scenario 1 van het rapport [register expert 2] . De schade bij dat scenario bedraagt € 105.796,00.

De raadsman heeft aangevoerd dat van de berekening uit het rapport [register expert 2] niet kan worden uitgegaan, omdat op het moment van het uitbrengen van dat rapport nog onvoldoende helder was in welke mate herstel zou plaatsvinden. Bovendien is gebruik gemaakt van cijfers van [slachtoffer 2] [bedrijf 1] , waar de broer van de benadeelde partij tevens werkzaam is en waarvan hij aandeelhouder is. De cijfers geven wellicht een vertekend beeld. Bij een zorgvuldige berekening van deze post dient volgens de verdediging een nieuwe en onafhankelijke berekening te worden gemaakt. De vordering van de benadeelde partij dient derhalve volgens de raadsman te worden afgewezen of de benadeelde partij dient niet-ontvankelijk in haar vordering te worden verklaard.

Het hof is van oordeel dat uit de deskundigenrapporten voldoende is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder feit 1 bewezen verklaarde strafbare feit een verminderde verdiencapaciteit heeft. De ter zake gevorderde schadepost is voldoende onderbouwd en uitvoerig ter terechtzitting in hoger beroep toegelicht. Het hof heeft geen reden om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van de berekening. Daarnaast komt de verzochte vergoeding door de benadeelde partij het hof redelijk voor. De vordering van de benadeelde partij ter zake verlies van arbeidsvermogen zal derhalve geheel worden toegewezen.

Derving levensonderhoud

De raadsman heeft aangevoerd dat deze post niet eenvoudig kan worden vastgesteld, omdat [slachtoffer 1] nog maar kort werkzaam was bij [bedrijf 2] en deze werkzaamheden daarom niet kunnen worden gebruikt als rekenfactor voor de toekomst. Het verlies is derhalve onvoldoende vast komen te staan, zodat de vordering dient te worden afgewezen of de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering dient te worden verklaard.

De benadeelde partij heeft voor de berekening van deze schade verwezen naar het rapport van [register expert 2] en daarbij benadrukt dat deze niet is gebaseerd op een fictieve omzet van [bedrijf 2] , maar op het gemiddelde inkomen dat [slachtoffer 1] als franchisenemer heeft gehad tussen oktober 2010 (het vervallen van zijn functie bij RBS) en oktober 2013 (datum waarop hij zich heeft ingekocht bij [bedrijf 2] ). De benadeelde partij heeft aangevoerd dat [slachtoffer 1] bij tegenvallende resultaten van [bedrijf 2] zijn verdiencapaciteit namelijk zou hebben hersteld naar het niveau dat hij had voordat hij zich inkocht bij dat bedrijf.

Het hof oordeelt als volgt.

Gelet op de aard van de vordering en de hoogte daarvan, de beperkte onderbouwing van de gevorderde post en de betwisting door de verdediging, vormt de beoordeling en de vaststelling van de omvang van deze schadepost een onevenredige belasting van dit strafgeding In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in deze vordering niet worden ontvangen en kan zij deze slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Kosten van lijkbezorging

De verdediging heeft aangevoerd dat het de keuze van de benadeelde partij zelf is geweest om met haar ouders naar Italië te gaan om daar de as van haar partner uit te strooien, zodat de vordering dient te worden afgewezen of de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering dient te worden verklaard.

Het hof is van oordeel dat deze kosten in redelijkheid zijn gemaakt en voor toewijzing in aanmerking komen. Deze vordering zal daarom worden toegewezen.

Medische kosten (niet vergoed)

Deze schadepost is voldoende onderbouwd door de benadeelde partij en niet door de verdediging betwist. Deze vordering zal daarom worden toegewezen.

Reis- en begeleidingskosten

De benadeelde partij heeft voor de berekening van deze schadepost verwezen naar de pagina’s 22 tot en met 24 van het rapport van [register expert 2] . De verdediging heeft aangevoerd dat deze post nadere onderbouwing behoeft.

De benadeelde partij heeft geen administratie bijgehouden van de ritten die zijn gemaakt. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de schatting van deze kosten voor het jaar 2015, zoals gemaakt op pagina 23 van het rapport van [register expert 2] , aanvaardbaar is, nu de benadeelde partij toentertijd redelijkerwijs geen prioriteit hoefde te geven aan administratie.

De vordering zal dan ook tot het bedrag van € 2.962,50 worden toegewezen. Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Huishoudelijke hulp

Volgens de verdediging blijkt uit het rapport van [registerarbeidsdeskundige] dat de benadeelde partij het overgrote deel van de huishoudelijke taken kan verrichten, zodat deze vordering dient te worden afgewezen of de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering dient te worden verklaard.

De benadeelde partij heeft daartegen aangevoerd dat de behoefte aan huishoudelijke hulp voortkomt uit de energetische beperking die de benadeelde partij sinds de explosie ervaart. Deze energetische beperking is door de deskundigen benoemd, maar komt in de door [verzekeringsarts] opgestelde FML (Functionele Mogelijkhedenlijst) niet tot uiting, omdat de deskundige [verzekeringsarts] daarbij het arbeidsaspect voor ogen heeft gehouden.

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat ten aanzien van het jaar 2015 de door [register expert 2] gezochte aansluiting bij de richtlijn Huishoudelijke Hulp van De Letselschade Raad aanvaardbaar is. De vordering zal dan ook tot het bedrag van € 2.145,00 worden toegewezen. Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering van de benadeelde partij slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Verlies van zelfwerkzaamheid

De benadeelde partij heeft voor deze post verwezen naar de pagina’s 24 en 25 van het rapport van [registerarbeidsdeskundige] , waar staat beschreven voor welke werkzaamheden de benadeelde partij beperkt moet worden geacht. [register expert 2] is voor de berekening van de schade uitgegaan van de in civiele zaken gebruikelijke richtlijn van de Letselschaderaad voor verlies van zelfwerkzaamheid. Dit zal een minimale vergoeding blijken van de kosten waar de benadeelde partij daadwerkelijk voor zal komen te staan in de toekomst, aldus de raadsvrouw van de benadeelde partij.

De verdediging heeft betoogd dat nu niet helder is in welke mate de beperking in het verrichten van werkzaamheden blijkt en slechts aansluiting is gezocht bij de richtlijn, de vordering dient te worden afgewezen of de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering dient te worden verklaard.

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat ten aanzien van het jaar 2015 de door [register expert 2] gehanteerde aansluiting bij de richtlijn Zelfredzaamheid van De Letselschade Raad aanvaardbaar is. De vordering zal dan ook tot het bedrag van € 324,19 worden toegewezen.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering van de benadeelde partij slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Algemene kosten en kosten zonder nut

De verdediging heeft aangevoerd dat inzage moet worden verschaft in welke mate de benadeelde partij schade beperkend heeft gehandeld. Nu dat is niet gebeurd, dient de vordering te worden afgewezen of de benadeelde partij dient niet-ontvankelijk in haar vordering te worden verklaard.

Het hof is van oordeel dat deze kosten in redelijkheid zijn gemaakt en voldoende zijn onderbouwd. Deze zijn derhalve voor toewijzing vatbaar en deze vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen.

Kosten rechtsbijstand

De verdediging heeft aangevoerd dat zij geen aanleiding ziet om niet aan te knopen bij het standaard liquidatietarief. De vordering dient derhalve volgens de raadsman te worden afgewezen of de benadeelde partij dient niet-ontvankelijk in haar vordering te worden verklaard.

Met betrekking tot de gevorderde kosten voor rechtsbijstand geldt het volgende. Voor toewijzing van een vordering tot schadevergoeding als bedoeld in artikel 51a, eerste lid, Sv komt alleen die schade in aanmerking die rechtstreeks is geleden door het strafbare feit. De kosten van rechtsbijstand zijn niet als zodanige rechtstreekse schade aan te merken. Daarom is de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk in deze vordering. Echter, wel is vast komen te staan dát de benadeelde partij kosten heeft gemaakt ten behoeve van rechtsbijstand en wel tot het opgevoerde bedrag van € 11.070,00, zulks gelet op de overgelegde declaraties. Deze kosten zijn gelet op de omvang van deze zaak niet buitensporig te achten. Er is geen noodzaak om aan te knopen bij het liquidatietarief nu het hier niet gaat om een standaard zaak en het standaard liquidatietarief geen recht doet aan de aard van deze zaak.

Gelet op het voorgaande zal het hof de verdachte op de voet van artikel 592a Sv veroordelen tot vergoeding van de gemaakte kosten van rechtsbijstand, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op voornoemd bedrag.

Kosten opvragen medische informatie, kosten medisch adviseur en kosten schadebegroting [register expert 2] Letselschade Experts

De verdediging heeft aangevoerd dat deze kosten op eigen verzoek zijn gemaakt en het zeer denkbaar is dat deze kosten in een eventuele uiteindelijke civiele procedure nogmaals moeten worden gemaakt. Er kan daarom een vraagteken worden gezet bij de noodzaak om reeds in dit stadium de vordering zo inzichtelijk te willen maken. Bij gebrek aan noodzaak verzoekt de raadsman de vordering af te wijzen of de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering te verklaren.

Het hof is van oordeel dat deze kosten in redelijkheid zijn gemaakt, voldoende zijn onderbouwd en voor toewijzing in aanmerking komen.

Declaraties [klinisch psycholoog] , [verzekeringsarts] en [registerarbeidsdeskundige]

De benadeelde partij heeft in hoger beroep haar vordering aangevuld met het totaalbedrag van de declaraties van de deskundigen [klinisch psycholoog] , [verzekeringsarts] en [registerarbeidsdeskundige] (€ 12.232,29).

Het hof oordeelt als volgt.

Ingevolge artikel 421, derde lid, Sv kan de benadeelde partij zich in hoger beroep binnen de grenzen van haar eerste vordering voegen. Deze (nieuwe) kosten vallen daarbuiten en kunnen derhalve niet worden toegewezen.

Immateriële schade

De verdediging heeft betoogd dat bij de bepaling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding aansluiting gezocht dient te worden bij de uitspraken zoals vermeld in de Smartengeldgids. De raadsman heeft aangevoerd dat het gevorderde bedrag voor het missen van het rechteroog aanzienlijk hoger ligt dan in soortgelijke gevallen wordt toegewezen. De vordering van de benadeelde partij dient daarom te worden afgewezen of niet-ontvankelijk te worden verklaard, aldus de raadsman.

Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder feit 1 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Uit het procesdossier en de door de benadeelde partij overgelegde stukken is voldoende vast komen te staan dat de benadeelde partij door de ontploffing ernstig lichamelijk en psychisch letsel heeft opgelopen, zoals hiervoor bij de strafmaatoverweging is overwogen. Dit letsel is vele malen groter dan uitsluitend het verlies van het rechteroog, zoals door de verdediging is aangevoerd.

Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW naar maatstaven van billijkheid schatten op € 60.000,00, waarbij in het bijzonder is gelet op de genoemde gevolgen van de ontploffing voor de benadeelde partij en op de schadevergoeding die in vergelijkbare gevallen door rechters is toegekend.

Wettelijke rente

Nu de verdediging deze post niet heeft betwist zal het hof de wettelijke rente over het toegewezen bedrag toewijzen.

Schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft verzocht om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen voor zowel het in hoger beroep gevorderde schadevergoedingsbedrag als voor de nadien gemaakte kosten die betrekking hebben op de declaraties van de deskundigen [klinisch psycholoog] , [verzekeringsarts] en [registerarbeidsdeskundige] .

Zoals hierboven is overwogen komt de verzochte vergoeding voor voornoemde deskundigendeclaraties van in totaal € 12.232,29 niet voor toewijzing in aanmerking. Het hof is echter van oordeel dat het wettelijk systeem zich niet verzet tegen oplegging van de schadevergoedingsmaatregel over dat bedrag, in het bijzonder ook niet het bepaalde in artikel 421, derde lid, Sv. Immers, dat artikellid ziet louter op vorderingen als bedoeld in artikel 51f Sv, terwijl artikel 36f Sr bovendien mede tot doel heeft gehad om de mogelijkheden van de rechter om schademaatregelen te treffen uit te breiden (Kamerstukken I, 1990-1991, 21345, nr. 36, p. 3).

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f Sr dan ook opleggen ten belope van € 206.694,89, bestaande uit de optelsom van de als vordering van de benadeelde partij toewijsbaar geoordeelde bedragen van in totaal

€ 134.462,60 en de nagekomen declaraties van deskundigen van in totaal € 12.232,29, derhalve

€ 146.694,89 (materiële schade) en € 60.000 (immateriële schade).

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 46, 57 en 157 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte en de officier van justitie niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder feit 3 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder de feiten 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder de feiten 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert deze feiten als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

  • -

    1.00 STK Bon, kassabon van de snuffelaar (267125, nummer 1 op de beslaglijst);

  • -

    9.00 STK Sleutelbos (267286, nummer 2 op de beslaglijst);

  • -

    1.00 STK Enveloppe, inhoudende oa oordoppen (462392, nummer 3 op de beslaglijst);

  • -

    1.00 STK Computer, merkloos (267140, nummer 4 op de beslaglijst);

  • -

    1.00 STK Touw, geel (267131, nummer 5 op de beslaglijst);

  • -

    1.00 STK USB-stick (267141, nummer 6 op de beslaglijst);

  • -

    1.00 STK Haspel, blauw (267132, nummer 7 op de beslaglijst);

  • -

    1.00 STK onderdelen smartphone, Motorola (267168, nummer 8 op de beslaglijst);

  • -

    2.00 STK Telefoontoestel, Motorola en Wolfgang (267139, nummer 9 op de beslaglijst).

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het onder feit 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 194.462,60 (honderdvierennegentigduizend vierhonderdtweeënzestig euro en zestig cent) bestaande uit € 134.462,60 (honderdvierendertigduizend vierhonderdtweeënzestig euro en zestig cent) materiële schade en

€ 60.000,00 (zestigduizend euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 13 april 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 11.070,00 (elfduizend zeventig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2] , ter zake van het onder feit 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 206.694,89 (tweehonderdzesduizend zeshonderdvierennegentig euro en negenentachtig cent) bestaande uit

€ 146.694,89 (honderdzesenveertigduizend zeshonderdvierennegentig euro en negenentachtig cent) materiële schade en € 60.000,00 (zestigduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 365 (driehonderdvijfenzestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 13 april 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. I.M.H. van Asperen de Boer-Delescen, mr. M.M.H.P. Houben en mr. F.A. Hartsuiker, in tegenwoordigheid van mr. A.F. van der Heide, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 20 september 2017.

1 […]

2 […]

3 […]

4 […]

5 […]

6 […]

7 […]