Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:3779

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20-09-2017
Datum publicatie
26-09-2017
Zaaknummer
23-001125-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Steekpartij in een wooncomplex voor uitgeprocedeerde asielzoekers. Beroepen op (putatief) noodweer(exces) gemotiveerd verworpen. Gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval (de verdachte is LVB, kampt met PTSS en heeft een uitzichtloze persoonlijke situatie) matigt het hof de op te leggen straf tot 18 maanden waarvan 6 voorwaardelijk. De stelling dat een dergelijke straf een nieuwe asielaanvraag zou dwarsbomen kan de verdachte hier niet baten. Het strafdoel van generale preventie verzet zich tegen een nog lagere straf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001125-17

datum uitspraak: 20 september 2017

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 21 maart 2017 in de strafzaak onder parketnummer 13/654215-16 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,

thans gedetineerd in [detentie] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 22 juni 2017 en 6 september 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

primair:
zij op of omstreeks 01 december 2016 te Duivendrecht, gemeente Ouder-Amstel, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet voornoemde [slachtoffer] met een mes, in elk geval een scherp en/of puntig voorwerp, eenmaal of meerdere malen in zijn nek en/of hals, in elk geval in zijn lichaam, heeft gestoken en/of heeft gesneden, terwijl de uitvoering van dat misdrijf niet is voltooid;


subsidiair:
zij op of omstreeks 01 december 2016 te Duivendrecht, gemeente Ouder-Amstel, in elk geval in Nederland, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten schade aan de slokdarm en/of de luchtpijp en/of het weefsel en bloedvaten in zijn nek), heeft toegebracht, door voornoemde [slachtoffer] met dat opzet met een mes, in elk geval een scherp en/of puntig voorwerp, eenmaal of meerdere malen in zijn nek en/of hals, in elk geval in zijn lichaam, te steken en/of te snijden;

meer subsidiair:
zij op of omstreeks 01 december 2016 te Duivendrecht, gemeente Ouder-Amstel, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet voornoemde [slachtoffer] met een mes, in elk geval een scherp en/of puntig voorwerp, eenmaal of meerdere malen in zijn nek en/of hals, in elk geval in zijn lichaam, heeft gestoken en/of heeft gesneden, terwijl de uitvoering van dat misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal om proceseconomische redenen worden vernietigd.

Bewijsoverwegingen

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep geconcludeerd tot bewezenverklaring van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag en heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte geen opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, heeft gehad op de dood van het slachtoffer.

Oordeel van het hof

De verdachte en [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) hebben beiden gewoond in een complex met kamers voor uitgeprocedeerde asielzoekers aan de Joan Muyskenweg te Duivendrecht en hebben (ruim) anderhalf jaar een relatie gehad. Deze relatie is medio 2016 tot een einde gekomen. Beiden zijn nadien in het complex blijven wonen. Op 1 december 2016 is het tussen beiden tot een gewelddadig treffen gekomen. Daarbij heeft [slachtoffer] schade opgelopen aan zijn hals, slokdarm en luchtpijp, moest hij worden geopereerd en heeft hij een week in het ziekenhuis verbleven.

Tsegaye heeft over dit incident tegenover de rechter-commissaris op 17 januari 2017 een verklaring afgelegd. Die houdt in dat hij op 1 december 2016 in het complex over de gang richting zijn kamer liep. Daar kwam hij plotseling de verdachte tegen en hij vroeg haar: “Waarom achtervolg je mij?” en zei haar: “Dat is niet goed voor jou.”. Hierop zei de verdachte: “Jij bent niet degene die mij kan vertellen wat goed of niet goed voor mij is.”. [medebewoner] wilde zijn weg vervolgen, maar de verdachte kwam achter hem aan en sloeg hem met een plastic waterkaraf tegen zijn achterhoofd. Hierop sloeg [slachtoffer] de verdachte in haar gezicht en ontstond er tussen hen een worsteling. De verdachte en [slachtoffer] werden hierop uit elkaar gehaald door medebewoner ‘ [medebewoner] ’ (naar later bleek: de getuige [medebewoner] ). [journaliste 2] (naar later bleek: [journaliste 2] , een journaliste die in het pand kantoorruimte huurde) was inmiddels ook uit haar kantoor gekomen. [slachtoffer] liep hierna door richting zijn kamer. Toen hij voorbij de keuken was, was de verdachte om hem heen gelopen en blokkeerde zij zijn weg. [slachtoffer] liep hierop een paar passen achteruit, maar de verdachte kwam snel zijn richting op gelopen. Tsegaye hield de verdachte op afstand door haar met zijn rechterhand bij haar kleding vast te pakken. De verdachte had een mes gepakt en stak Tsegaye daarmee in zijn nek, aldus laatstgenoemde.

Deze verklaring van [slachtoffer] vindt steun in het aantreffen van de – gehavende – oranje plastic waterkan in de gang en in het aantreffen van het bloed op de vloer nabij de keuken, alsook in de verklaringen van [medebewoner] en [journaliste 2] en (op verschillende onderdelen) in de verklaring van de verdachte. Het hof ziet mede in dit licht geen reden om aan de geloofwaardigheid of de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer] te twijfelen. Eén en ander geldt te meer nu [slachtoffer] teneinde haar in bescherming te nemen geen aangifte tegen de verdachte heeft willen doen en ook overigens geen medewerking heeft verleend aan het politieonderzoek (p. 46 en 93) en hij tegenover de rechter-commissaris ten gunste van de verdachte aandacht heeft gevraagd voor verzachtende omstandigheden en heeft verklaard dat hij haar ‘geen uur langer in de gevangenis wil zien’. Anders gezegd, niet aannemelijk is dat [slachtoffer] belastender over de verdachte heeft verklaard dan op grond van de waarheid noodzakelijk was. Er is ook geen reden om aan te nemen dat [slachtoffer] , zoals de raadsvrouw heeft gesuggereerd, zijn aandeel in het geheel ‘enigszins heeft verbloemd’; hij heeft in zijn verklaring immers ook zichzelf belast.

Het hof is voorts van oordeel dat de verdachte, door [slachtoffer] met een kartelmes met scherpe punt in zijn nek te steken, bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij hieraan zou overlijden. Van algemene bekendheid is dat de hals/nek, waarin zich onder andere de halsslagader en de luchtpijp bevinden, een zeer kwetsbaar onderdeel van het menselijk lichaam is, waarbij de kans aanmerkelijk is dat een persoon komt te overlijden als deze daarin met een dergelijk mes wordt gestoken. De gedragingen van de verdachte dienen daarnaast naar hun uiterlijke verschijningsvorm te worden aangemerkt als zo zeer gericht op het toebrengen van dodelijk letsel, dat het – bij het in dezen ontbreken van contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat zij de kans daarop bewust heeft aanvaard. Hetgeen de raadsvrouw in dat verband heeft aangevoerd leidt niet tot een andere conclusie, nu het hof niet aannemelijk acht dat de verdachte zich er niet van bewust is geweest dat zij het mes heeft gepakt en de verdachte daarmee heeft gestoken. Ook overigens zijn er geen omstandigheden aannemelijk geworden die aan het aannemen van opzet in de weg staan.

Op grond van het voorgaande acht het hof het primair ten laste gelegde bewezen op de wijze als na te melden. Alle tot vrijspraak strekkende verweren worden verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:


zij op 1 december 2016 te Duivendrecht, gemeente Ouder-Amstel, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet voornoemde [slachtoffer] met een mes in zijn nek heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen primair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Beroep op (putatief) noodweer(exces)

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de verdachte zich mocht verdedigen tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanval van haar lichaam door [slachtoffer] . Deze had haar immers bij haar kleding vastgepakt en aldus zelf de tweede fysieke confrontatie opgezocht; er dreigde voor haar een onmiddellijk gevaar en zij kon zich niet aan de greep van een ‘ongetwijfeld sterkere man’ onttrekken, zo is aangevoerd. Mede op deze gronden is namens de verdachte een beroep gedaan op de rechtvaardigingsgrond noodweer en de schulduitsluitingsgronden noodweerexces en putatief noodweer(exces).

Het hof gaat bij de beoordeling van deze verweren uit van hetgeen het hiervoor in de paragraaf “Bewijsoverwegingen” heeft vastgesteld. Naar aanleiding daarvan overweegt het hof dat (a) voor zover het door [slachtoffer] met één hand vastpakken van haar kleding al kan worden beschouwd als een ogenblikkelijke aanranding van de verdachte, gelet op het verdedigende karakter van die handeling van [slachtoffer] als reactie op het gedrag van de verdachte, niet kan worden gezegd dat die aanranding wederrechtelijk was en (b) het de verdachte is geweest die achter [slachtoffer] is aangegaan, toen hij zich na de eerste (door de verdachte geïnitieerde) schermutseling verwijderde, en dat zij zich vervolgens gericht op een confrontatie en aanvallend jegens hem heeft gedragen. Hierop stranden de beroepen op noodweer en noodweerexces: voor de verdachte heeft geen noodweersituatie bestaan. Het beroep op putatief noodweer(exces) stuit evenzeer af op de onder (b) genoemde grond (vgl. HR 8 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK4788). Het faalt bovendien, omdat de verdachte in de gegeven omstandigheden niet in redelijkheid kon en mocht menen dat er sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van de zijde van [slachtoffer] en dat zij zich moest gedragen op de wijze zoals zij heeft gedaan omdat zij verontschuldigbaar zich het dreigende gevaar heeft ingebeeld dan wel de aard van de dreiging verkeerd heeft beoordeeld (vgl. HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456).

Alle tot strafuitsluiting strekkende verweren worden verworpen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Ook overigens is er geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het primair bewezen verklaarde levert op:

poging tot doodslag.

Strafbaarheid van de verdachte

Ook overigens is er geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg primair bewezen verklaarde veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Daarbij zijn diverse bijzondere voorwaarden gesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag op haar ex-partner door hem met een mes in zijn nek te steken, waardoor letsel aan onder andere de slokdarm en de luchtpijp is opgetreden. Het slachtoffer moest als gevolg hiervan worden geopereerd. Het feit vond plaats in de gemeenschappelijke ruimte van een complex voor (uitgeprocedeerde) asielzoekers en moet bij de omstanders en medebewoners gevoelens van afschuw en onveiligheid hebben veroorzaakt. Daarnaast dragen feiten als de onderhavige bij aan onveiligheidsgevoelens in de samenleving in het algemeen.

De verdachte is niet eerder veroordeeld. Desalniettemin zou het hof op grond van het bovenstaande oplegging van een gevangenisstraf van 3 tot 4 jaren gerechtvaardigd hebben geacht, indien de verdachte haar daad volledig had kunnen worden toegerekend en er van mitigerende omstandigheden geen sprake zou zijn. Daarbij is gelet op de straffen die door rechters in soortgelijke gevallen zijn opgelegd. Het slachtoffer heeft geen blijvende gevolgen aan het steekincident overgehouden. In het andere geval zou zelfs oplegging van een hogere straf geïndiceerd zijn geweest.

Naar de persoon van de verdachte is onderzoek gedaan door [psychiater] en [GZ-psychloog] , respectie-velijk als psychiater en GZ-psycholoog verbonden aan het NIFP. Zij hebben ieder op 17 februari 2017 een rapportage uitgebracht. De psycholoog heeft – samengevat en voor zover hier van belang – het volgende gerapporteerd en geadviseerd:

( a) De verdachte is behept met een licht verstandelijke beperking (LVB). Daarnaast lijdt de verdachte, die van Eritrese afkomst is maar vanuit Sudan in 2011 als asielzoeker naar Nederland is gekomen en wiens asielaanvraag na binnenkomst binnen 48 uur is afgewezen, aan een post traumatisch stresssyndroom (PTSS) ten gevolge van de ontberingen (waaronder seksueel geweld) die zij in Sudan en tijdens haar reis heeft moeten doormaken. Haar LVB zorgt ervoor dat de verdachte moeite heeft de wereld te begrijpen en beperkt is in haar zelfredzaamheid en de interactie met anderen. Bij het verwerken van ingewikkelde informatie, zoals bij sociale interacties, zal zij soms overvraagd worden, omdat zij onvoldoende in staat is een probleem van verschillende kanten te bekijken.

( b) Zowel de PTSS als de LVB waren substantieel van invloed op het handelen van de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde. In de daaraan voorafgaande periode kon zij de (afwerende) gedragingen van haar partner niet begrijpen en daarmee vanwege de PTSS maar moeilijk omgaan; ook haar partner – de enige persoon die zij nog vertrouwde – had haar teleurgesteld. Tijdens het incident hebben lang bestaande onderdrukte gevoelens van boosheid de verdachte overspoeld, resulterend in een hevige woede. Geadviseerd wordt de verdachte het ten laste gelegde in verminderde mate toe te rekenen.

( c) Het risico op herhaling [naar het hof begrijpt: van soortgelijke feiten] is matig tot verhoogd. Vanuit de PTSS kunnen momenten van boosheid zich relatief onverwacht openbaren en de kans dat deze de verdachte zullen overspoelen is vanwege haar LVB groot.

( d) Om het recidiverisico dat de verdachte in zich bergt te reduceren moet de verdachte worden behandeld voor de PTSS en psycho-educatie worden geboden voor het omgaan met haar LVB-problematiek bij een polikliniek en GGZ-instelling met expertise op beide vlakken. Geadviseerd wordt de verdachte door middel van het stellen van bijzondere voorwaarden tot het een en ander te verplichten.

De psychiater is op vergelijkbare gronden tot (nagenoeg) gelijke bevindingen en adviezen gekomen.

Nu de conclusies van de psycholoog en de psychiater worden gedragen door hun bevindingen, maakt het hof die tot de zijne. Dit alles betekent dat voor het hof vast staat dat de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde leed aan een PTSS en een licht verstandelijke beperking kende en dat dit in zeer belangrijke mate heeft bijgedragen aan de totstandkoming van haar gewraakte handelwijze. Het hof rekent de verdachte het bewezen geachte feit dus in verminderde mate toe. Dit heeft een sterk matigend effect op de hoogte van de op te leggen gevangenisstraf.

Verder heeft het hof in strafverminderende zin rekening gehouden met de uitzichtloze situatie waarin de verdachte zich als uitgeprocedeerde asielzoeker die – voor zover het hof kan overzien – vooralsnog geen mogelijkheden heeft aan te tonen dat Eritrea haar land van herkomst is, zich al geruime tijd bevindt en naar verwachting zal blijven bevinden.

Op basis van het voorgaande is het hof van oordeel dat de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden passend en geboden is. Daarvan zal het hof – gelijk de rechtbank – een deel van 6 maanden in voorwaardelijke vorm opleggen om de verdachte er op die manier toe te bewegen bijzondere voorwaarden na te leven die erop zijn gericht het recidiverisico dat zij in zich bergt te verkleinen. Daarbij heeft het hof aansluiting gezocht bij het rapport van Reclassering Nederland van 6 maart 2017 waarin onder andere wordt geadviseerd de verdachte te verplichten tot (1) het naleven van een plicht zich te melden bij de reclassering, (2) het ondergaan van een ambulante behandeling bij Equator (een GGZ-instelling voor getraumatiseerde asielzoekers en vluchtelingen), en (3) een opname in en 24-uursvoorziening voor maatschappelijke opvang.

De raadsvrouw heeft verzocht aan de verdachte een gevangenisstraf van maximaal zes maanden op te leggen. Zij heeft erop gewezen dat de advocaat die de verdachte in haar vreemdelingenrechtelijke procedures bijstaat, voornemens is een hernieuwde aanvraag voor een verblijfsvergunning in te dienen en dat een dergelijke aanvraag bij oplegging van een vrijheidsstraf van langere duur, gelet op § 7.10.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (oud), tot mislukken is gedoemd. Het hof is echter van oordeel dat – vooral – het strafdoel van generale preventie zich bij een vergrijp als het onderhavige verzet tegen oplegging van een straf die lager is dan die, alle omstandigheden in aanmerking genomen, passend en geboden wordt geacht. Welke consequenties een straf als na te noemen heeft voor een eventuele nieuwe aanvraag voor een verblijfsvergunning en welk gewicht in dat verband aan de bijzondere omstandigheden waaronder het thans bewezen feit is begaan moet worden toegekend, is niet aan het hof.

Het hof acht, alles afwegende, een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren:

  • -

    aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of

  • -

    geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen,

dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. de veroordeelde meldt zich bij de dichtstbijzijnde reclasseringsorganisatie (bij voorkeur het Leger des Heils, afdeling Jeugdbescherming & Reclassering, en anders Reclassering Nederland) in haar verblijfomgeving zo vaak en zo frequent als haar toezichthouder noodzakelijk acht en houdt zich aan alle aanwijzingen die haar door of namens de toezichthouder worden gegeven;

2. de veroordeelde stelt zich voor haar persoonlijkheidsproblematiek en licht verstandelijke beperking onder behandeling c.q. begeleiding van Equator (of een andere door de reclassering aan te wijzen GGZ-instelling), waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die haar in het kader van die behandeling door of namens haar behandelaar(s) en begeleider(s) zullen worden gegeven;

3. de veroordeelde verblijft in een 24-uurs voorziening van het Leger des Heils (of een soortgelijke door de reclassering aan te wijzen instelling), en houdt zich aan het (dag-)programma dat deze voorziening in overleg met de reclassering opstelt, een ander zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Geeft het Leger des Heils, afdeling Jeugdbescherming & Reclassering, opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.J.I. de Jong, mr. A.E. Kleene-Krom en mr. R. Kuiper, in tegenwoordigheid van mr. A.S. Metgod, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 20 september 2017.

.