Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:3760

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
19-09-2017
Datum publicatie
22-09-2017
Zaaknummer
23-004433-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek terugwijzing naar rechtbank. Uit dossier blijkt niet dat de advocaat die verzetschrift heeft ingediend de verdachte als raadsman zou bijstaan in de strafzaak in eerste aanleg. Geen schending art. 51 Sv. Veroordeling tot geldboete wegens opzettelijke overtreding van art. 13 van de Flora- en faunawet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-004433-16

datum uitspraak: 19 september 2017

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 29 september 2016 in de strafzaak onder parketnummer 96-219506-15 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1952,

adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

5 september 2017.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman mr. T.G.M. Houben, advocaat te Koog aan de Zaan, naar voren is gebracht.

Verzoek tot terugwijzing

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman verzocht de zaak terug te wijzen naar de rechtbank. Daartoe is aangevoerd dat de economische politierechter niet aan de behandeling van de strafzaak ten gronde had mogen toekomen omdat één van de personen die een kernrol vervult bij het onderzoek ter terechtzitting, te weten de raadsman van de verdachte, mr. B.J.W. Tijkotte, aldaar niet is verschenen aangezien het voorschrift van artikel 51 van het Wetboek van Strafvordering niet is nageleefd.

Het hof overweegt als volgt.

Bij het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is het hof gebleken dat mr. Tijkotte voornoemd bij brief van 2 juli 2015 namens de verdachte verzet heeft gedaan tegen de aan verdachte opgelegde strafbeschikking. Uit het verzetschrift blijkt dat mr. Tijkotte tot indiening daarvan door de verdachte bepaaldelijk gevolmachtigd was.

Het hof stelt voorop dat indien uit enig in het dossier aanwezig stuk aan de rechter of de andere justitiële autoriteiten kan blijken dat de verdachte voor de desbetreffende aanleg is voorzien van rechtsbijstand door een raadsman, deze raadsman als zodanig behoort te worden erkend.1

Uit de wetsgeschiedenis van de Wet OM-afdoening blijkt dat voor het aanwenden van het rechtsmiddel van verzet zoveel mogelijk is aangesloten bij de reeds bestaande rechtsmiddelen in strafzaken. Uit een verzetschrift kan, evenals uit een appelakte, niet zonder meer worden afgeleid dat de advocaat die dit rechtsmiddel namens de verdachte heeft ingesteld, de verdachte ook zal bijstaan bij de daaropvolgende behandeling.2 Hierbij is van belang dat het door mr. Tijkotte ingediende verzetschrift naar de kern genomen niet meer inhoudt dan dat verzet wordt gedaan en dat de raadsman is gevolmachtigd tot indiening daarvan. Enig ander stuk waaruit volgt dat mr. Tijkotte de verdachte zal bijstaan bij de behandeling van de zaak in eerste aanleg heeft het hof in het dossier niet aangetroffen.

Het voorschrift van artikel 51 van het Wetboek van Strafvordering is dus niet geschonden. Er is geen aanleiding de zaak terug te wijzen naar de rechtbank en het daartoe strekkende verzoek wordt afgewezen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 12 mei 2015 te Haarlem op en/of in de omgeving van de Van der Aartweg, al dan niet opzettelijk, een putter, Latijnse benaming Carduelis carduelis, orde Passeriformes, familie Fringillidae, althans één of meer dieren en/of eieren en/of nesten en/of producten van dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, binnen of buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht en/of onder zich heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op 12 mei 2015 te Haarlem opzettelijk een putter, Latijnse benaming Carduelis carduelis, orde Passeriformes, familie Fringillidae, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, onder zich heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a van de Flora- en faunawet.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De economische politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 500,00, subsidiair 10 dagen hechtenis.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft een putter, een beschermde inheemse diersoort, in een volière naast haar woonwagen gehouden. Het onder zich houden van beschermde inheemse dierensoorten is strafbaar gesteld met het oog op de bescherming van deze soorten en een zorgvuldig faunabeheer. Het naleven van deze regels is dan ook van groot belang. Een strafoplegging is aangewezen teneinde te laten blijken dat de handelswijze van verdachte niet juist is geweest.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 22 augustus 2017 is zij eerder onherroepelijk veroordeeld, zij het ter zake van een andersoortig feit.

Het hof acht, alles afwegende, een geldboete van na te melden duur passend en geboden. Gelet op de beperkte draagkracht van de verdachte – zoals door de raadsman ter terechtzitting naar voren is gebracht – zijn termen aanwezig om te bepalen dat de geldboete in termijnen mag worden voldaan.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en artikelen 4 en 13 van de Flora- en faunawet en de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Vernietigt de eerder uitgevaardigde strafbeschikking d.d. 2 juli 2015 onder CJIB nummer 9132542002306189.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 (vijf) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de geldboete mag worden voldaan in 5 (vijf) termijnen van 1 maand, elke termijn groot € 50,00 (vijftig euro).

Dit arrest is gewezen door de economische kamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. D.J.M.W. Paridaens, mr. P.C. Römer en mr. M. Lolkema, in tegenwoordigheid van mr. N.E.M. Keereweer en mr. A.T. de Muinck - Dezentje, griffiers, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 19 september 2017.

Mr. M. Lolkema en mr. A.T. de Muinck – Dezentje zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 ECLI:NL:HR:2000:ZD2182

2 ECLI:NL:HR:2017:2256