Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:3709

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-09-2017
Datum publicatie
20-09-2017
Zaaknummer
23-002098-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beginsel van de redelijke en billijke belangenafweging, bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. Verdachte toerekeningsvatbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002098-16

datum uitspraak: 7 september 2017

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 25 mei 2016 in de strafzaak onder parketnummer 13-659056-16 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 24 augustus 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks de periode 10 januari 2016 tot en met 11 januari 2016 te Amsterdam, althans in Nederland, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend op Twitter

- de tekst(en) geplaatst

  • -

    "Is what mi ain't like fuck de wijk agente [slachtoffer] jij spende hier heel veel geld en geweld voor fuck la policia [slachtoffer]" en/of

  • -

    "jij spende hier heel veel geld en geweld voor fuck la policia [slachtoffer] jij gaat dood" en/of

  • -

    "met mijn mala bala lood als ik jou op straat zie schiet ik jou lau dood in gein ben lau men" en/of

  • -

    "hou je aan de lijn ben niet klein mi lied ik laat je verdwijn ik breek jou lau steek jou lijk in de fik kijk ik flik en doe echt ben soesoe" en/of

  • -

    "[slachtoffer] gaat de silbagg in gek tabon de jemek"

en/of

- een afbeelding geplaatst van een vuurwapen met een demper en/of

- de tekst geplaatst ".22 whit the demper mi henter dit zoude op december gebeuren kruitgeuremn na fraude bij deze doe ik t zodra ik vrij"

en/of

- een afbeelding geplaatst van een vuurwapen met munitie en/of

- een afbeelding geplaatst van een vuurwapen en/of

- de tekst geplaatst "whores" althans woorden van gelijke dreigende aard en strekking (welke tekst(en) en/of afbeelding(en) bij voornoemde [slachtoffer] bekend zijn geraakt).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof zich niet verenigt met het vonnis van de rechtbank te Amsterdam.

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat het Openbaar Ministerie het beginsel van de redelijke en billijke belangenafweging heeft geschonden. De politie heeft deze zaak zelf laten escaleren door het slachtoffer op de hoogte te brengen van de op Twitter aangetroffen bedreigingen, terwijl er alternatieven voor de politie voorhanden waren. Daarbij, zo begrijpt het hof, had mevrouw [slachtoffer] onwetend moeten zijn gehouden van de geuite bedreigingen. Daarom moet het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk worden verklaard, aldus de raadsman van de verdachte.

Krachtens het in artikel 167, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering neergelegde opportuniteitsbeginsel, is het aan het Openbaar Ministerie om zelfstandig te beslissen of – en zo ja – wie vervolgd wordt. Hierbij heeft het Openbaar Ministerie een ruime discretionaire bevoegdheid. Slechts indien zou blijken dat het Openbaar Ministerie bij zijn vervolgingsbeslissing zou handelen in strijd met de wet, een verdrag of enig beginsel van een goede procesorde, zou dit de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie kunnen raken. Dit betekent dat de beslissing van het Openbaar Ministerie om tot vervolging over te gaan zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijk toetsing leent, in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde.

Een uitzonderlijk geval als zojuist bedoeld, doet zich onder meer voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) die vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. In het geval van een zodanige, aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing is de (verdere) vervolging onverenigbaar met het verbod van willekeur (dat in de strafrechtspraak in dit verband ook wel wordt omschreven als het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging).

Naar het oordeel van het hof is hiervan in de onderhavige zaak volstrekt geen sprake. De bij de bedreigingen gebezigde woorden vormden voor de politie meer dan voldoende aanleiding om te handelen in het belang van de persoonlijke veiligheid. In dit kader hebben ook opsporingshandelingen en vervolgens vervolging plaatsgevonden. De door de raadsman aangevoerde omstandigheid dat mogelijk anders had kunnen worden gehandeld –wat daarvan ook zij– biedt geen enkel aanknopingspunt voor de conclusie dat hierdoor geen vervolgingsrecht heeft bestaan. Ook overigens is niet gebleken dat sprake is van een uitzonderlijk geval dat de verstrekkende conclusie tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging rechtvaardigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van 10 januari 2016 tot en met 11 januari 2016 te Amsterdam, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend op Twitter

- de tekst(en) geplaatst

  • -

    "Is what mi ain't like fuck de wijk agente [slachtoffer] jij spende hier heel veel geld en geweld voor fuck la policia [slachtoffer]" en

  • -

    "jij spende hier heel veel geld en geweld voor fuck la policia [slachtoffer] jij gaat dood" en

  • -

    "met mijn mala bala lood als ik jou op straat zie schiet ik jou lau dood in gein ben lau men" en

  • -

    "hou je aan de lijn ben niet klein mi lied ik laat je verdwijn ik breek jou lau steek jou lijk in de fik kijk ik flik en doe echt ben soesoe" en

  • -

    "[slachtoffer] gaat de silbagg in gek tabon de jemek"

en

- een afbeelding geplaatst van een vuurwapen met een demper en

- de tekst geplaatst ".22 whit the demper mi henter dit zoude op december gebeuren kruitgeuremn na fraude bij deze doe ik t zodra ik vrij"

en

  • -

    een afbeelding geplaatst van een vuurwapen met munitie en

  • -

    een afbeelding geplaatst van een vuurwapen en

  • -

    de tekst geplaatst "whores",

welke teksten en afbeeldingen bij voornoemde [slachtoffer] bekend zijn geraakt.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd

Strafbaarheid van de verdachte

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat er ruim voldoende aanwijzingen zijn om aan te nemen dat er sprake was van niet-toerekenbaarheid van de verdachte, zoals het feit dat de verdachte was opgenomen in een gesloten setting op basis van een rechterlijke machtiging in het kader van de BOPZ, medicatie tegen psychoses kreeg en zeer verward was, hetgeen blijkt uit de inhoud van zijn twitterberichten.

Het hof overweegt als volgt.

Vooropgesteld wordt dat als uitgangspunt heeft te gelden dat een strafbaar feit aan een verdachte kan worden toegerekend tenzij uit feiten en omstandigheden blijkt dat toerekening niet of slechts in verminderde mate kan plaatsvinden. Daarvoor zijn doorgaans de bevindingen van een deskundige beschikbaar die na onderzoek, waaraan de verdachte heeft meegewerkt, een advies uitbrengt.

Uit het dossier, waaronder een de verdachte betreffend reclasseringsadvies van Inforsa van 12 juni 2017, en op basis van het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat bij de verdachte sprake is van psychiatrische problematiek. Aan enige nadere verkenning daarvan heeft hij zijn medewerking geweigerd. Dit betekent dat het ontbreekt aan onderbouwde informatie over de persoon van de verdachte op basis waarvan een gefundeerd oordeel over de mate van toerekenbaarheid kan worden gegeven.

Er zijn geen concrete aanknopingspunten dat sprake is van een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestesvermogen van de verdachte ten tijde van het delict, dat deze aan de toerekening van het feit aan de verdachte volledig in de weg staan. Zoals hierna zal blijken zal de problematiek van de verdachte het hof aanleiding geven met terughoudendheid te oordelen over de straftoemeting.

Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

Vonnis van de rechtbank en standpunten van partijen

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, met een proeftijd van twee jaar.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

De raadsman van de verdachte heeft het hof ter terechtzitting in hoger beroep verzocht de verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van straf of maatregel. De verdachte bevindt zich op basis van een rechterlijke machtiging op de voet van de Wet BOPZ thans in een omgeving waarin hij actief wordt behandeld en verplicht medicatie krijgt. Een verplaatsing naar een andere omgeving, zoals een gevangenis, zou een zeer negatieve invloed op de verdachte kunnen hebben, aldus de raadsman.

Het oordeel van het hof

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging van een wijkagente door het plaatsen van bedreigende teksten en afbeeldingen op een Twitteraccount. Door zo te handelen heeft de verdachte op indringende wijze het gevoel van veiligheid van deze politiefunctionaris aangetast. Het plaatsen van dit soort teksten op social media kan een grote impact hebben op de persoon aan wie deze woorden zijn gericht.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 14 augustus 2017 is hij eerder onherroepelijk veroordeeld voor misdrijven, hetgeen in zijn nadeel weegt.

Gelet op het voorgaande, en met name de ernst van het feit, is het hof van oordeel dat in beginsel een gevangenisstraf van substantiële duur de enig passende reactie is.

Het hof houdt rekening met de psychische problematiek van de verdachte. Hij verblijft sinds enige tijd op basis van de Wet BOPZ in een kliniek en wordt daar behandeld. Hierin ziet het hof aanleiding de gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm op te leggen.

De hieronder bedoelde straf wordt, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, passend en geboden geacht.

Enerzijds wordt hiermee recht gedaan aan de ernst van het feit en strekt deze straf ertoe de verdachte ervan te weerhouden opnieuw een strafbaar feit te plegen terwijl de verdachte anderzijds bij het uitblijven van recidive in staat wordt gesteld zijn medische behandeling te vervolgen.

In het voorgaande ligt besloten dat toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht naar het oordeel van het hof, gelet op de aard en de ernst van het delict, niet aan de orde is en ook, dat niet kan worden volstaan met een lagere straf dan de hieronder bedoelde.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 63 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. F.M.D. Aardema, mr. R.M. Steinhaus en mr. G.M. Boekhoudt, in tegenwoordigheid van S.D. van der Heiden, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 7 september 2017.