Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:3704

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
14-09-2017
Datum publicatie
20-09-2017
Zaaknummer
23-000473-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bevestiging vonnis diefstal, behalve ten aanzien van de strafoplegging en de motivering daarvan en met dien verstande dat het hof in een door de politierechter als bewijsmiddel gebruikt geschrift een straatnaam verbeterd leest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000473-17

datum uitspraak: 14 september 2017

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van

de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 7 februari 2017 in de strafzaak onder parketnummer

13-220776-16 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1981,

adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

31 augustus 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, behalve ten aanzien van de strafoplegging en de motivering daarvan– in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – met dien verstande dat het hof in het door de politierechter als bewijsmiddel gebruikte geschrift, te weten een rapport van bevindingen van 29 oktober 2016, opgemaakt door [verbalisant 1] , de (in Amsterdam niet voorkomende) straatnaam ' [straatnaam 1] ' verbeterd leest als ' [straatnaam 2] ', nu het hier, gelet op de inhoud van het proces-verbaal van aanhouding van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] (dossier pagina’s 5 en 6), een kennelijke vergissing van [verbalisant 1] betreft, en met dien verstande dat het hof nader zal ingaan op de door de verdediging gevoerde verweren zoals hieronder weergegeven.

Ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweren

De raadsman heeft ter terechtzitting aangevoerd dat de verdachte moet worden vrijgesproken nu zich in het dossier onvoldoende bewijsmiddelen bevinden voor hetgeen ten laste is gelegd. Hij heeft daartoe – kort gezegd – aangevoerd dat de verklaring van [verbalisant 1] van het bewijs moet worden uitgesloten, nu deze verklaring niet overeenkomt met de verklaring van de aangeefster en derhalve ongeloofwaardig is. De raadsman heeft daarnaast – kort gezegd – aangevoerd dat het niet onmogelijk is dat de telefoon van de aangeefster uit haar broekzak is gevallen en dat deze vervolgens is gevonden door de donkere jongen of iemand anders voordat de verdachte de telefoon in zijn bezit heeft gekregen. Zonder aanvullend bewijs van wegneming is het aantreffen van de telefoon bij de verdachte onvoldoende voor een veroordeling ter zake van diefstal, aldus de raadsman.

Het hof overweegt daaromtrent als volgt.

Het hof leest als hiervoor reeds aangegeven de bovengenoemde straatnaam [straatnaam 1] verbeterd. Voorts overweegt het hof dat de aangeefster zich in haar aangifte (dossier pagina 4) kennelijk vergist, daar waar zij stelt dat zij op de hoek van de [straatnaam 2] en de [straatnaam 3] twee agenten (het hof begrijpt: twee handhavers openbare ruimte, te weten [verbalisant 1] en zijn collega) zag, nu uit het eerdergenoemde proces-verbaal van aanhouding (dossier pagina 5) blijkt dat zij [verbalisant 1] op de Reguliersdwarsstraat (het hof begrijpt: zag en) heeft aangesproken, hetgeen ook uit het rapport van bevindingen van [verbalisant 1] zelf blijkt. Van enige discrepantie tussen de verklaring van de aangeefster en de verklaring van [verbalisant 1] voor wat betreft de steeg waardoor zij gelopen zijn of anderszins is geen sprake. Met name ziet het hof, anders dan de raadsman, niet de discrepanties tussen de verklaringen waar de raadsman op doelt, nu deze verschillen in de verklaringen niet tegenstrijdig zijn, maar betrekking hebben op door [verbalisant 1] en de aangeefster afzonderlijk van elkaar gedane waarnemingen voor wat betreft de telefoons die de verdachte in zijn hand had en op de volledigheid van de verklaring voor wat betreft de vraag of [verbalisant 1] en de aangeefster samen achter de verdachte zijn aangelopen.

Het verweer wordt derhalve verworpen.

Met betrekking tot het alternatieve scenario, zoals geschetst door de raadsman, verwijst het hof naar hetgeen de politierechter daarover reeds heeft opgenomen in het vonnis, welke overweging het hof tot de zijne maakt.

Oplegging van straffen

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 30 dagen en een geldboete ter hoogte van € 2.500,- (vervangende hechtenis: 35 dagen), te betalen in 10 maandelijkse termijnen van elk € 250,-.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot de straf die hem door de politierechter is opgelegd.

De raadsman heeft primair bepleit dat de verdachte wordt vrijgesproken en subsidiair dat in geval van bewezenverklaring aan hem geen onvoorwaardelijke straf wordt opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte, alsmede acht geslagen op diens draagkracht. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zakkenrollerij door een telefoon uit een broekzak te stelen. Zakkenrollerij is een misdrijf dat bij de benadeelden hinder, financieel nadeel en gevoelens van onveiligheid kan veroorzaken. Tevens kan een dergelijk misdrijf gevoelens van angst in de samenleving versterken en moet het uitgaand publiek continu alert zijn op hun mobiele telefoon en andere waardevolle goederen.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 23 augustus 2017 is hij in Nederland niet eerder strafrechtelijk onherroepelijk veroordeeld. Teneinde de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw een soortgelijk misdrijf te plegen zal de gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm worden opgelegd.

Anders dan de raadsman heeft bepleit ziet het hof in de wijze waarop de verdachte na de aanhouding vervoerd is geen enkele reden tot strafmatiging en is toepassing van artikel 9a Sr niet aan de orde.

Het hof acht, alles afwegende, een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 30 dagen, met aftrek van de tijd dat de verdachte in verzekering heeft doorgebracht en een geldboete ter hoogte van € 2.500,- (vervangende hechtenis: 35 dagen), te betalen in 10 maandelijkse termijnen van elk € 250,-, passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24a, 24c en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en de motivering daarvan en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) dagen.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 35 (vijfendertig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de geldboete mag worden voldaan in 10 (tien) termijnen van 1 maand, elke termijn groot

€ 250,00 (tweehonderdvijftig euro).

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. S.M.M. Bordenga, mr. E. Mijnsberge en mr. M.M. van der Nat in tegenwoordigheid van

D.J. Herbrink, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

14 september 2017.

Mr. M.M. van der Nat is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.