Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:3692

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
21-08-2017
Datum publicatie
20-09-2017
Zaaknummer
23-001269-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overtreding artikel 9 lid 2 WVW 1994, bewijsverweer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001269-17

datum uitspraak: 21 augustus 2017

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 29 september 2015 in de strafzaak onder parketnummer 96-120914-15 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,

adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 7 augustus 2017.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij, op of omstreeks 8 juni 2015, te Zaandam, gemeente Zaanstad, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de Zuidervaart, als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat dit vonnis niet de redengevende feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering bevat.

Nadere bewijsoverweging

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit omdat de verdachte niet wist en ook niet redelijkerwijs moest weten dat hij op de dag van het ten laste gelegde feit geen motorrijtuig mocht besturen. In het dossier bevindt zich weliswaar de brief van het CBR omtrent de ongeldigverklaring van het rijbewijs, maar een bewijs van ontvangst dan wel een retourbevestiging ontbreken, zodat niet kan worden bewezen dat de verdachte wist van de ongeldigverklaring van het rijbewijs. Voorts zijn er geen omstandigheden waaruit blijkt dat de verdachte redelijkerwijs heeft moeten vermoeden dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Hij is eerder bij verstek veroordeeld door de politierechter te Amsterdam, maar de in dat vonnis opgelegde gevangenisstraf heeft hij na de in de onderhavige zaak ten laste gelegde datum uitgezeten. Tot dat moment was er geen aanleiding voor de verdachte om te vermoeden dat zijn rijbewijs ongeldig was, aldus de raadsman.

Het hof verwerpt het verweer en overweegt daartoe als volgt.

Uit het dossier blijkt dat het rijbewijs op 26 november 2013 ongeldig is verklaard en dat dit besluit is toegezonden aan de verdachte op het adres waar hij toentertijd stond ingeschreven. Voorts blijkt uit het uittreksel uit de justitiële documentatie dat de verdachte korte tijd voor de thans verweten gedraging, te weten op 10 februari 2015, is veroordeeld wegens overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994, voor een feit gepleegd op 18 maart 2014. Dit vonnis is op 25 februari 2015 – dus 14 dagen na de uitspraak – onherroepelijk geworden. Gelet op deze omstandigheden is het hof van oordeel dat de verdachte op zijn minst genomen redelijkerwijs moest weten dat hij op 8 juni 2015 geen geldig rijbewijs had. Het hof vindt hiervoor steun in de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep dat hij op de hoogte was van een invordering van het rijbewijs, maar dat hij op 8 juni 2015 niet zeker wist of zijn rijbewijs toen al ongeldig was. Het feit dat de verdachte kennelijk zijn administratie niet op orde had ten tijde van het versturen van de ongeldigheidsverklaring door het CBR, doet hieraan niet af. Het hof is van oordeel dat dit onder de eigen verantwoordelijkheid van de verdachte valt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 8 juni 2015 te Zaandam, gemeente Zaanstad, terwijl hij redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie was afgegeven, op de weg, de Zuidervaart, als bestuurder een motorrijtuig, personenauto, van die categorie heeft bestuurd.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het besturen van een personenauto, terwijl hij redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. De verdachte heeft hiermee een in het belang van de verkeersveiligheid jegens hem genomen maatregel genegeerd. Hiermee heeft hij zichzelf en andere weggebruikers in gevaar gebracht.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 27 juli 2017 is hij eerder ter zake van een soortgelijk feit onherroepelijk veroordeeld. Dat de verdachte hieruit geen lering heeft getrokken weegt in zijn nadeel.

De ernst van het bewezen verklaarde feit rechtvaardigt mede in het licht van de recidive van de verdachte in beginsel oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Het hof houdt echter in het voordeel van de verdachte rekening met de huidige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Na een moeilijke periode met allerlei problemen is de verdachte bezig om zijn leven weer op de rit te krijgen. Hij heeft een vaste baan en is bezig om zijn financiële problemen op te lossen. Om deze redenen is het hof met de advocaat-generaal en de raadsman van oordeel dat het opleggen van een vrijheidsbenemende straf bij de huidige stand van zaken een te grote wissel op het leven van de verdachte zou trekken.

Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c, 22d en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 9 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. G.M. Boekhoudt, mr. I.M.H. van Asperen de Boer-Delescen en mr. N.R.A. Meerbeek, in tegenwoordigheid van S.D. van der Heiden, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 21 augustus 2017.

Mr. G.M. Boekhoudt is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.