Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:3616

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
18-07-2017
Datum publicatie
19-09-2017
Zaaknummer
23-000425-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling mishandeling partner. Hof acht latere verklaring van aangeefster dat zij bij de politie niet naar waarheid heeft verklaard over de mishandeling niet geloofwaardig,

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000425-17

datum uitspraak: 18 juli 2017

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 2 februari 2017 in de strafzaak onder parketnummer 13-215598-16 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,

adres: [adres 1] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 4 juli 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg, ten laste gelegd dat:

1:
hij op of omstreeks 23 oktober 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [benadeelde] heeft mishandeld, bestaande die mishandeling uit het eenmaal of meermalen (met kracht) slaan/stompen in/tegen het gezicht/hoofd, in elk geval tegen het lichaam van voornoemde [benadeelde] .

2:
hij op of omstreeks 23 oktober 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een of meer wapens van categorie I, onder 4, te weten een blank wapen dat uiterlijk gelijkt op een ander voorwerp dan een wapen, namelijk op een credit card, in elk geval een geheim blank wapen voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal om proceseconomische redenen worden vernietigd.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

Met de politierechter en de advocaat-generaal en anders dan de raadsvrouw is het hof van oordeel dat de tenlastegelegde mishandeling wettig en overtuigend kan worden bewezen. Het hof overweegt daartoe het volgende.

Op 23 oktober 2016 om 05.00 uur krijgt de politie de melding van een ruzie aan de [adres 2] te Amsterdam. Om 05.05 uur zijn de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] ter plaatse en in de woning treffen zij de aangeefster aan. Zij is hevig aan het huilen en verklaart onder meer dat de verdachte haar meerdere malen met zijn vuisten op haar hoofd heeft geslagen. Een uur later, om 06.02 uur, wordt de aangifte van aangeefster opgenomen waarbij zij wederom verklaart dat de verdachte haar met zijn vuist op haar hoofd heeft geslagen. Voorts neemt de verbalisant twee rode plekken op het voorhoofd, een grote rode plek op de rechterwang en een beginnende blauwe plek onder het oog van aangeefster waar.

De vriendin van de aangeefster, [getuige] , verklaart dat de verdachte aangeefster meerdere keren met zijn vuist in haar gezicht heeft geslagen.

Ter zitting in eerste aanleg en in hoger beroep heeft de verdachte gesteld dat hij de aangeefster niet heeft geslagen en dat aangeefster een valse aangifte heeft gedaan. Ter zitting in eerste aanleg is de aangeefster als getuige gehoord en zij heeft verklaard dat zij het verhaal dat zij bij de politie heeft afgelegd heeft verzonnen en dat de verdachte niet fysiek naar haar toe is geweest. In hoger beroep heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de kans bestaat dat de ter plaatse gekomen politie één en ander heeft geïnterpreteerd en dat er misschien wel wettig bewijs is maar geen overtuigend bewijs.

Het hof verwerpt het verweer van de raadsvrouw en acht de lezing van de verdachte, ondersteund door de verklaring van de aangeefster zoals zij deze op de zitting in eerste aanleg heeft afgelegd, niet aannemelijk. Het hof hecht meer waarde aan de verklaringen zoals deze zijn afgelegd direct na het tenlastegelegde waarbij de verklaringen van aangeefster en de getuige [getuige] op essentiële punten overeen komen en steun vinden in het door de verbalisant waargenomen letsel. De verklaring van aangeefster dat het niet klopt wat zij bij de politie heeft verklaard acht het hof niet geloofwaardig, nu deze verklaring weersproken wordt door de verklaring van de getuige [getuige] en door de verklaringen die de aangeefster zowel in de woning direct na het voorval als een uur later tegenover verbalisant [verbalisant 3] heeft afgelegd.

Het hof acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op 23 oktober 2016 de aangeefster heeft mishandeld, zoals hieronder bewezen verklaard.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de strafbaarheid ontbreekt nu de verdachte zich niet bewust was dat hij het wapen voorhanden had. Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.

Voor een bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde misdrijf moet de verdachte zich in meer of mindere mate bewust van zijn geweest dat hij het wapen bij zich droeg.

De stelling dat verdachte zich daarvan in het geheel niet van bewust was, vindt reeds zijn weerlegging in de omstandigheid dat de verdachte bij zijn aanhouding uit eigen beweging tegen de politie heeft gezegd dat hij een mes bij zich had. Voor zover de raadsvrouw heeft bedoeld dat de verdachte niet wist dat het om een verboden wapen ging verwerpt het hof dit verweer nu deze wetenschap geobjectiveerd is.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:
hij op 23 oktober 2016 te Amsterdam [benadeelde] heeft mishandeld, bestaande die mishandeling uit het meermalen met kracht stompen tegen het hoofd van voornoemde [benadeelde] .

2:
hij op 23 oktober 2016 te Amsterdam een wapen van categorie I, onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten een geheim blank wapen dat uiterlijk gelijkt op een ander voorwerp dan een wapen, namelijk op een credit card, voorhanden heeft gehad.

Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

mishandeling.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 en 2 bewezen verklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, waarvan 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich – na een eerdere woordenwisseling die avond – schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn vriendin. Hij heeft daardoor inbreuk gemaakt op haar lichamelijke integriteit en bij haar pijn en letsel veroorzaakt. De verdachte heeft met zijn gedrag voorrang gegeven aan de directe uiting van zijn frustratie en emoties. Daarnaast heeft de verdachte een wapen van categorie I voorhanden gehad Het voorhanden hebben van een dergelijk wapen is niet toegestaan en brengt een potentieel risico voor de veiligheid van derden met zich.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 19 juni 2017 is hij eerder ter zake van strafbare feiten onherroepelijk veroordeeld.

Het hof acht in beginsel een taakstraf van na te melden duur passend en geboden. In de persoonlijke omstandigheden van de verdachte ziet het hof aanleiding de taakstraf geheel voorwaardelijk op te leggen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door hechtenis voor de duur van 20 (twintig) dagen.

Bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R.P. den Otter, mr. G. Oldekamp en mr. F.M.D. Aardema, in tegenwoordigheid van

mr. P.M. Huizenga, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

18 juli 2017.

Mr. R.P. den Otter is buiten staat het arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]