Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:3514

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
30-08-2017
Datum publicatie
13-09-2017
Zaaknummer
23-004015-16
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mishandeling. Verwerping beroep op noodweer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-004015-16

datum uitspraak: 30 augustus 2017

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 18 oktober 2016 in de strafzaak onder de parketnummers 13-186552-16 en 13-260840-15 (TUL) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1996,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

16 augustus 2017.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman mr. C. Crince Le Roy, advocaat te Amsterdam, naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 11 september 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [slachtoffer] heeft mishandeld, bestaande die mishanding uit het eenmaal of meermalen stompen en/of slaan in/tegen het gezicht/kaak, in elk geval tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer].

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bespreking van een ter terechtzitting gevoerd verweer

De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer en daarom dient te worden vrijgesproken van de hem tenlastegelegde mishandeling. De raadsman heeft gesteld dat de verdachte zich geconfronteerd zag met een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. De aangever heeft immers een slaande beweging gemaakt en de verdachte daarmee op de kaak geraakt. De raadsman stelt zich op het standpunt dat de verdachte met het uitdelen van een vuistslag als reactie op het gepleegde geweld van de aangever het juiste middel op de juiste wijze heeft gehanteerd.

Het hof gaat uit van de volgende, aan wettige bewijsmiddelen ontleende, feiten en omstandigheden.

Uit het dossier blijkt dat aangever, werkzaam als hoofdportier bij de horecazaak ‘[naam]’ in Amsterdam, de verdachte de toegang heeft geweigerd en hem herhaaldelijk heeft gesommeerd om de entreeruimte van de zaak te verlaten. De verdachte gaf daar geen gehoor aan en wilde naar eigen zeggen verhaal halen waarom hij niet naar binnen mocht. Omdat de verdachte weigerde de zaak te verlaten, heeft aangever hem naar buiten geduwd. De verdachte heeft zowel tegenover de politie als ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij daarop heeft gereageerd door aangever een klap in het gezicht te geven.

Het hof stelt voorop dat het de taak van een portier van een uitgaansgelegenheid is de orde te bewaken en te beslissen wie de gelegenheid mag bezoeken en wie niet. Als bezoeker van de horecazaak diende de verdachte gehoor te geven aan de opdracht van de portier om de zaak te verlaten. Door dit na te laten en ‘verhaal te halen’ werd de aangever genoodzaakt andere passende maatregelen te nemen, er op gericht de verdachte op een aanvaardbare wijze de zaak uit te krijgen. Aangever heeft daarbij gehandeld binnen de maatschappelijk aanvaardbare grenzen van zijn taakuitoefening als portier. Onder deze omstandigheden is het binnen de toegang gevende entree van de horecagelegenheid wegduwen van de verdachte door de portier niet aan te merken als een wederrechtelijke aanranding waartegen verdediging geboden was. Het beroep op noodweer wordt verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 11 september 2016 te Amsterdam, [slachtoffer] heeft mishandeld, bestaande die mishandeling uit het eenmaal stompen in het gezicht van voornoemde [slachtoffer].

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot geldboete van € 250,00, subsidiair 5 dagen vervangende hechtenis, te betalen in 5 maandelijkse termijnen van elk € 50,00.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft een portier een vuistslag in het gezicht gegeven, nadat hem door de portier de toegang werd geweigerd en hij werd gesommeerd het pand te verlaten. Met zijn handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en hem gehinderd bij het uitoefenen van zijn werkzaamheden. Voorts heeft hij bijgedragen aan in de maatschappij heersende gevoelens van angst en onveiligheid, in het bijzonder nu het feit in het uitgaansleven heeft plaatsgevonden zodat ook anderen daarvan getuige waren. Het hof rekent dit de verdachte aan.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 2 augustus 2017 is hij eerder onherroepelijk veroordeeld ter zake van mishandeling begaan in het uitgaansleven.

Het hof acht, alles afwegende, een geldboete van na te melden hoogte passend en geboden. Het hof zal bepalen dat de verdachte de geldboete in termijnen mag voldoen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 23, 24, 24a, 24c en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 16 februari 2016 opgelegde voorwaardelijke veroordeling bestaande uit een geldboete ter hoogte van 200,00 euro subsidiair 4 dagen hechtenis. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom zal de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 (vijf) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de geldboete mag worden voldaan in 5 (vijf) termijnen van 1 maand, elke termijn groot

€ 50,00 (vijftig euro).

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 16 februari 2016, parketnummer 13-260840-15, te weten van:

een geldboete van € 200,00 (tweehonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 4 (vier) dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P.A.M. Hoek, mr. H.T. van der Meer en mr. A. Dantuma-Hieronymus, in tegenwoordigheid van mr. A.T. de Muinck - Dezentje, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 30 augustus 2017.

Mr. A. Dantuma-Hieronymus is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

[…]