Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:351

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-02-2017
Datum publicatie
23-02-2017
Zaaknummer
200.193.356/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen verlenging van de termijn van twaalf jaar op grond van artikel 1:157 lid 5 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2017-0060
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 7 februari 2017

Zaaknummer: 200.193.356/ 01

Zaaknummer eerste aanleg: C/13/585610/ FA RK 15-2891 (LH/MD)

in de zaak in hoger beroep van:

[de vrouw] ,

wonende te [A] , Verenigd Koninkrijk,

appellante in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. M. Dorgelo te Amsterdam,

tegen

[de man] ,

wonende te [B] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellant in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. P. Dorhout te Egmond aan den Hoef, gemeente Bergen.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Partijen worden hierna respectievelijk de vrouw en de man genoemd.

1.2.

De vrouw is op 16 juni 2016 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 16 maart 2016 van de rechtbank Amsterdam, met kenmerk C/13/585610/ FA RK 15-2891 (LH/MD).

1.3.

De man heeft op 29 augustus 2016 een verweerschrift ingediend en heeft daarbij incidenteel hoger beroep ingesteld.

1.4.

De vrouw heeft op 12 oktober 2016 een verweerschrift in het hoger beroep van de man ingediend.

1.5.

De vrouw heeft op 14 juli 2016 nadere stukken ingediend.

1.6.

De man heeft op 1 december 2016 nadere stukken ingediend.

1.7.

De zaak is op 16 december 2016 ter terechtzitting behandeld.

1.8.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de advocaat van de vrouw;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat.

1.9.

De vrouw is, met bericht van afwezigheid, niet verschenen.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn [in] 1977 gehuwd. Uit hun huwelijk is geboren [Y] (hierna: [dochter] ) [in] 1981. In 1987 is de vrouw naar [A] verhuisd. Bij vonnis van de rechtbank te Utrecht van 2 november 1988 is de scheiding van tafel en bed uitgesproken tussen partijen. Voorts is een uitkering tot levensonderhoud van de vrouw bepaald van f 4.500,-/€ 2.042,01 per maand.

In hoger beroep heeft dit hof op 3 november 1994 de uitkering voor de vrouw op f 2.500,-/€ 1.134,45 per maand bepaald. Bij deze beschikking is voorts de echtscheiding uitgesproken. Partijen hebben echter verzuimd de beschikking in te laten schrijven in de registers van de burgerlijke stand.

2.2.

Het huwelijk van partijen is op 22 januari 1999 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 18 november 1998 in de registers van de burgerlijke stand. Bij deze beschikking is een door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw bepaald van f 3.500,-/€ 1.588,23 per maand met ingang van 22 januari 1999.

2.3.

De man betaalt sinds augustus 2001 een uitkering van € 1.000,- per maand, vanaf december 2008 van € 750,- per maand, vanaf 1 juli 2013 van € 500,- per maand en vanaf 1 januari 2014 van € 250,- per maand. In februari 2015 heeft de man voor het laatst betaald.

Niet in geschil is dat de termijn van twaalf jaar als bedoeld in artikel 1:157, lid 4 Burgerlijk Wetboek (BW) is geëindigd op 22 januari 2011.

2.4.

Ten aanzien van de vrouw is het volgende gebleken.

Zij is geboren [in] 1953. Zij is alleenstaand. Tot 1994 woonde [dochter] bij de vrouw in [A] en vanaf 1994 woonde [dochter] bij de man.

Zij ontvangt een Disability Living Allowance van £ 21,80 per week.

Zij ontvangt sinds 1 november 2012 een Employment Support Allowance Income Related van £ 100,15 per week.

Zij ontvangt sinds 10 juli 2015 een Employment Support Allowance Income Related van £ 125,05 per week.

Aan huur betaalt zij £ 165,- per week.

2.5.

Ten aanzien van de man is het volgende gebleken.

Hij is geboren [in] 1946. Hij is gehuwd met mevrouw [X] , geboren [in] 1964.

Zoals blijkt uit de aangifte IB 2015 ontving de man in dat jaar aan AOW-uitkering, pensioen, lijfrente en overige uitkeringen van Aegon, Zwitserleven, Conservatrix, SVB, [B.V.] en United een bedrag van in totaal € 63.322,-.

In verband met de hypothecaire lening gevestigd op de door hem en zijn echtgenote bewoonde woning betaalt hij aan rente € 958,- per maand. De WOZ-waarde bedraagt € 549.500,-.

Aan premie voor een zorgverzekering betaalt hij € 145,- per maand

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is bepaald dat de verplichting van de man om een uitkering tot levensonderhoud aan de vrouw te voldoen met ingang van 22 januari 2011 is geëindigd, waarbij is bepaald dat – voor zover de man tot de datum van de bestreden beschikking meer heeft betaald dan wel meer op hem is verhaald over de periode vanaf 22 januari 2011 – de uitkering tot de datum van de bestreden beschikking is bepaald op hetgeen door de man is betaald of op hem is verhaald.

Het verzoek van de vrouw om ten laste van de man met ingang van 22 januari 2011 een uitkering tot haar levensonderhoud vast te stellen van € 5.604,70, dan wel een bedrag hoger dan € 2.132,22, dan wel € 2.132,22 dan wel € 1.000,-, een en ander onder verlenging van de termijn als bedoeld in artikel 1:157, lid 4 BW, is afgewezen.

3.2.

De vrouw verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, nu de alimentatietermijn van twaalf jaar ex artikel 1:157 BW verlengd dient te worden omdat beëindiging van de uitkering van zo ingrijpende aard is dat dit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw kan worden gevergd,

a. Primair te bepalen dat de man met ingang van 22 januari 2011 dan wel zoveel later als het hof redelijk acht, een uitkering tot levensonderhoud van de vrouw van € 5.604,70 per maand betaalt, dan wel een redelijk ander bedrag hoger dan € 2.132,22 per maand, jaarlijks geïndexeerd, alles verminderd met reeds door de man nadien betaalde bedragen in verband met stilzwijgend voortgezette partneralimentatieverplichtingen en eventuele pensioen-betalingen;

b. Subsidiair te bepalen dat de man met ingang van 22 januari 2011, dan wel per een redelijke latere datum na 22 januari 2011, gezien de reeds verrichte betalingen door de man na 22 januari 2011, € 2.132,22 per maand aan partneralimentatie verschuldigd is, jaarlijks geïndexeerd, alles verminderd met reeds door de man nadien betaalde bedragen in verband met stilzwijgend voortgezette partneralimentatieverplichtingen en eventuele pensioen-betalingen;

c. Meer subsidiair te bepalen dat de man met ingang van 22 januari 2011, dan wel per een redelijke latere datum gezien de reeds verrichte betalingen door de man na 22 januari 2011, per maand aan partneralimentatie minimaal € 1.350,- betaalt, dan wel een door het hof te bepalen bedrag aan partneralimentatie, jaarlijks geïndexeerd, alles verminderd met reeds door de man nadien betaalde bedragen in verband met stilzwijgend voortgezette partneralimentatieverplichtingen en eventuele pensioenbetalingen.

3.3.

De man verzoekt in principaal appel het verzoek van de vrouw af te wijzen.

In incidenteel appel verzoekt hij, met vernietiging van de beschikking waarvan beroep, de vrouw alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek, dan wel dit verzoek af te wijzen en het zelfstandig verzoek van de man alsnog toe te wijzen.

3.4.

De vrouw verzoekt de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn incidenteel appel, althans zijn verzoek af te wijzen.

4 Beoordeling van het hoger beroep

4.1

Nu tussen partijen niet in geschil is dat de vraag naar de rechtmatigheid van de beëindiging van de onderhoudsverplichting van de man beantwoord dient te worden naar de maatstaf van artikel 157, lid 5 BW, zal ook het hof deze maatstaf hanteren.

In incidenteel hoger beroep

4.2.

Nu het verzoek van de man in incidenteel hoger beroep om de vrouw alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in haar inleidend verzoek het meest verstrekkende verzoek is, zal het hof dat eerst behandelen.

4.3.

De man betoogt dat de vrouw haar verzoek om verlenging van de twaalfjaarstermijn te laat heeft ingediend. Op grond van artikel 1:157, lid 5 BW had de vrouw haar verzoek binnen drie maanden na beëindiging moeten indienen. De twaalfjaartermijn is geëindigd op 22 januari 2011 zodat de termijn van drie maanden toen is gaan lopen en derhalve niet in februari 2015 toen de man de alimentatiebetaling feitelijk beëindigde. Dat de man tot februari 2015 alimentatie is blijven betalen, maakt niet dat een stilzwijgende overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen. Er was geen wilsovereenstemming; de man heeft gedwaald omdat hij door toedoen van de vrouw in de veronderstelling verkeerde dat hij levenslang alimentatieplichtig was. De man stelt dat de door de vrouw in dit verband in eerste aanleg aangehaalde uitspraak van de Hoge Raad van 21 mei 2010 (ECLI:NL:HR:BL9543) op een andere situatie ziet, zodat daarbij geen aansluiting kan worden gezocht.

4.4.

De vrouw betoogt dat de man niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat zijn incidenteel hoger beroep geen zelfstandig tegenverzoek inhoudt en hij niet incidenteel concludeert. Het hof volgt dit betoog niet en overweegt daartoe dat de man zich - naar het hof begrijpt - met zijn incidenteel hoger beroep keert tegen de afwijzing van zijn verzoek in eerste aanleg om de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek. Om deze reden kan hij in zijn incidenteel hoger beroep worden ontvangen.

4.5.

Ten aanzien van het incidenteel hoger beroep van de man overweegt het hof verder als volgt. In voornoemde uitspraak van de Hoge Raad van 21 mei 2010 lag de vraag voor wanneer de in artikel 157, lid 5 BW gestelde termijn van drie maanden voor de uitoefening van de bevoegdheid om in rechte verlenging van de alimentatieplicht te verzoeken ingaat in geval de alimentatiebetaling is voortgezet. De Hoge Raad heeft overwogen dat wanneer nog wel één of meer betalingen hebben plaatsgevonden, ervan zal moeten worden uitgegaan dat aan die betalingen een stilzwijgende overeenkomst tot het laten voortduren van de alimentatieplicht ten grondslag ligt, tenzij de alimentatieplichtige bij de betaling meedeelt dat daaraan een andere titel ten grondslag ligt. Bij gebreke van een dergelijke mededeling vangt de termijn van drie maanden van artikel 1:157, lid 5 BW aan op het moment van de laatste betaling. Weliswaar ziet de uitspraak van de Hoge Raad op een andere situatie, maar dat doet niet af aan het oordeel dat in beginsel een stilzwijgende overeenkomst wordt verondersteld wanneer de alimentatiebetaling wordt voortgezet. In casu heeft de man tot februari 2015 bijdragen aan de vrouw betaald omdat hij in de veronderstelling verkeerde dat hij nog alimentatieplichtig was. Aan zijn betalingen heeft hij dan ook geen andere titel ten grondslag gelegd dan zijn (veronderstelde) alimentatieplicht. Ook in dit geval dient naar het hof de termijn van drie maanden aan te vangen op het moment van de feitelijke beëindiging van de betaling. Door op 29 april 2015 een verzoekschrift in te dienen, heeft de vrouw derhalve tijdig om verlenging verzocht. De rechtbank heeft de vrouw terecht ontvangen in haar verzoek tot verlenging. Het verzoek van de man om de vrouw alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in haar inleidende verzoek, wordt afgewezen.

In principaal hoger beroep

4.6.

De vrouw heeft vier grieven tegen de bestreden beschikking gericht die in het kort erop neerkomen dat de rechtbank ten onrechte haar verzoek om verlenging van de twaalfjaarstermijn heeft afgewezen. Zij heeft naar haar zeggen voldoende inzichtelijk gemaakt dat zij een zeer beperkt inkomen heeft en haar gezondheidstoestand werken niet toelaat, om welke reden zij de onder 2.4. vermelde uitkeringen ontvangt. De vrouw is thans 63 jaar oud en zij heeft aanzienlijke schulden. Zonder de alimentatie zakt zij beneden bijstandsniveau. Zij heeft geen pensioen kunnen opbouwen. Beëindiging van de alimentatie is voor haar derhalve van zo ingrijpende aard dat die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van haar kan worden gevergd.

4.7.

De man heeft verweer gevoerd. Hij is van mening dat de vrouw niet heeft onderbouwd waarom zij in de dertig jaren die zijn verstreken sinds hun uiteengaan niet erin is geslaagd in eigen levensonderhoud te voorzien. Voor zover de vrouw niet in staat is om te werken, hetgeen de man betwist, kan zij een inkomen verwerven door de verhuur van een deel van haar woning in [A] of haar huis in [C] .

4.8.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:157, lid 5 BW dient het hof te beoordelen of de beëindiging van de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw ten gevolge van het verstrijken van een termijn van twaalf jaren van zo ingrijpende aard is dat ongewijzigde handhaving van die termijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid van de vrouw niet kan worden gevergd. Voor een positieve beantwoording van die vraag dient de vrouw te stellen en te bewijzen dat sprake is van bijzondere omstandigheden aan haar zijde. Daarbij zal, naast de financiële situatie waarin zij verkeert, onder andere van belang kunnen zijn in hoeverre haar behoefte aan voortduring van een uitkering tot levensonderhoud nog verband houdt met het huwelijk, en of zij alles heeft gedaan wat redelijkerwijze mag worden verwacht om tot financiële zelfstandigheid te geraken.

4.9.

Bij de beantwoording van de vraag of de inkomensterugval in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw kan worden gevergd, zijn meerdere factoren van belang. Vanwege de leeftijd van de vrouw kan nauwelijks meer van haar worden verlangd dat zij thans nog een inkomen uit arbeid verwerft. Het komt in dit geval derhalve aan op de vraag of de vrouw anderszins al hetgeen redelijkerwijze van haar mag worden verwacht, heeft gedaan om tot financiële zelfstandigheid te geraken. Het hof beantwoordt deze vraag evenals de rechtbank ontkennend. De vrouw heeft in dit verband gesteld dat haar gezondheidstoestand haar (heeft) belet om betaalde werkzaamheden te verrichten, maar zij heeft de door haar gestelde gezondheidsklachten zoals apneu, fibrosis en rhinosinusitis niet met stukken onderbouwd, althans zij heeft niet inzichtelijk gemaakt dat zij als gevolg van deze klachten de afgelopen jaren nimmer in staat is geweest om (parttime) te werken. Het enkele gegeven dat zij een Disability Living Allowance en een Employment Support Allowance ontvangt, kan niet tot de slotsom leiden dat zij (de afgelopen jaren) volledig arbeidsongeschikt is (geweest). Daarbij neemt het hof voorts in aanmerking dat de vrouw ten tijde van het feitelijk uiteengaan van partijen, welk moment inmiddels bijna dertig jaar geleden is, 34 jaar oud was. Zij had destijds weliswaar de zorg voor de toen zesjarige dochter van partijen, maar [dochter] is op dertienjarige leeftijd bij haar vader gaan wonen. De vrouw was toen 41 jaar oud. Gesteld noch gebleken is dat zij toen reeds volledig arbeidsongeschikt was. De vrouw heeft geen enkel inzicht gegeven in haar arbeidsverleden vóór, tijdens en na haar huwelijk met de man. Kennelijk kenmerkte het huwelijk van partijen zich door een traditioneel rollenpatroon, maar niet gebleken is welke inspanningen de vrouw zich na het uiteengaan met de man, en vooral na de verhuizing van [dochter] naar haar vader, heeft getroost om tot financiële onafhankelijkheid te komen. Daarbij neemt het hof in ogenschouw dat de vrouw in feite vier jaar extra de tijd heeft gekregen om financieel onafhankelijk te worden nu partijen hebben nagelaten de eerste echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand te laten inschrijven. De eisen waaraan moet zijn voldaan voor een verlenging van de twaalfjaarstermijn zijn zwaar. Het had op de weg van de vrouw gelegen om te stellen en te bewijzen dat zij onvoldoende mogelijkheden heeft gehad, gelet op haar leeftijd, gezondheidstoestand, arbeidsverleden en achtergrond, om in zestien jaar een eigen inkomen te verwerven. Daaraan heeft de vrouw niet voldaan.

4.10.

De vrouw heeft voorts onvoldoende onderbouwd dat zij geen andere inkomsten heeft of kan hebben dan uit arbeid. Zij heeft de hiervoor vermelde (arbeidsongeschikt-heids)uitkeringen met enkele stukken onderbouwd, maar zij heeft geen volledig inzicht verschaft in haar inkomens- en vermogenspositie. Zo had het, gelet op het betoog van de man omtrent de appartementen in [A] en [C] , op haar weg gelegen bijvoorbeeld een aangifte IB, althans het Britse equivalent daarvan, in het geding te brengen. Uit een dergelijk stuk kan immers blijken of zij al dan niet beschikt over inkomsten uit verhuur en/of vermogen.

4.11.

Ook haar stelling dat zij geen mogelijkheid heeft gehad om pensioen op te bouwen, heeft de vrouw naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd. Daartoe diene het volgende.

De vrouw betwist dat de man zijn gedurende het huwelijk opgebouwde pensioen heeft verevend met de vrouw. Het gaat hier om het tijdens het huwelijk van partijen opgebouwde pensioen bij Stichting Pensioenfonds Citco Nederland. In 1992 zijn deze pensioenaanspraken van de man overgedragen aan de Amersfoortse. De man stelt thans dat hij het bij Citco opgebouwde pensioen heeft verdeeld en de helft heeft achtergelaten bij Citco ten behoeve van de vrouw. Uit de stukken valt echter af te leiden dat volgens Citco alleen het bijzonder partnerpensioen is achtergebleven en dat de man zijn ouderdomspensioen in zijn geheel heeft meegenomen naar de Amersfoortse. Op grond van de stellingen van partijen in dit verband alsmede de door partijen overgelegde stukken, is het voor het hof niet duidelijk of en hoe het door de man opgebouwde pensioen tussen partijen is verevend. Naar het oordeel van het hof had het echter op de weg van de vrouw gelegen haar stelling dat zij geen recht op pensioen heeft, nader te onderbouwen bijvoorbeeld aan de hand van een echtscheidingsconvenant of een brief van de Amersfoortse. Voor zover de man echter nog tot verevening dient over te gaan, betekent dit dat er wel een pensioenvoorziening ten behoeve van de vrouw is.

Daarnaast heeft de man, in reactie op de stellingen van de vrouw en onder overlegging van onderbouwende stukken, aangevoerd dat hij ter voldoening van zijn alimentatie-verplichtingen een bedrag van € 106.679,15 ter zake van een bij Aegon afgesloten lijfrente aan de vrouw heeft laten uitkeren in de periode 2007-2009. Volgens de man heeft hij aldus meer dan voldoende gedaan om de pensioenvoorziening van de vrouw te waarborgen. De vrouw heeft niet betwist dat zij voormeld bedrag heeft ontvangen, maar zij heeft gesteld dat zij dit bedrag grotendeels aan de man heeft moeten terugbetalen. Uit de stukken valt af te leiden dat de vrouw in 2009 (in ieder geval) een bedrag van € 86.190,93 op een rekening van de man heeft gestort. De man betwist echter dat het hier gaat om een terugbetaling van alimentatie. Volgens hem zag dit bedrag op de terugbetaling door de vrouw van door de man voorgeschoten bedragen in verband met de verbouwing en herinrichting van haar [A] woning. Het hof is van oordeel dat de vrouw laatstgenoemde stelling onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Daarom gaat het hof bij gebrek aan verdere informatie van de kant van de vrouw ervan uit dat het vermogen van de vrouw daadwerkelijk is toegenomen met het bedrag van € 106.679,15. Ook gelet hierop is de stelling van de vrouw, dat zij over geen enkele pensioenvoorziening beschikt, onvoldoende onderbouwd.

4.12.

Tot slot heeft de vrouw bij wijze van bijzondere omstandigheid naar voren gebracht dat de man met zijn uitlatingen bij haar het vertrouwen heeft gewekt dat hij levenslang alimentatie aan haar zou betalen. Zij wijst in het bijzonder op zijn e-mail aan haar van 19 juni 2014 waarin hij schrijft “Ik geef [de vrouw] in overleg met mijn dochter levenslang € 250,- p.m.”. Doordat de man is blijven betalen na afloop van de wettelijke termijn heeft hij erkend dat hij een bijzondere verplichting heeft en dat zij behoefte heeft, aldus de vrouw.

Het hof leidt uit voormelde e-mail, maar bijvoorbeeld ook uit de brief van de man van 1 december 2014 aan Jongejan Wisseborn Gerechtsdeurwaarders, af dat de man het kennelijk nodig heeft geacht om ook na 22 januari 2011 alimentatie aan de vrouw te blijven voldoen. Zoals vermeld onder 2.3. is de man de betalingen echter wel al vanaf 2001 gaan afbouwen. In dat licht bezien heeft de vrouw aan de enkele door haar aangehaalde zin uit de e-mail van 19 juni 2014 niet de gerechtvaardigde verwachting mogen ontlenen dat de man haar daadwerkelijk levenslang een uitkering tot levensonderhoud als bedoeld in artikel 1:157 BW heeft willen verstrekken. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de man heeft gesteld dat hij in de periode waarin hij dit bericht schreef ten onrechte in de veronderstelling verkeerde dat hij wettelijk verplicht was tot het betalen van een bijdrage. Het hof merkt voorts op dat de vrouw geen stukken in het geding heeft gebracht waaruit blijkt dat de man dergelijke uitspraken al in de periode van 1987 tot en met 2011 heeft gedaan. In deze jaren, en vooral in de periode nadat [dochter] naar Nederland verhuisde in 1994, heeft de vrouw dus ervan uit moeten gaan dat limitering van de alimentatie de hoofdregel was en dat zij zich moest inspannen om financieel onafhankelijk van de man te geraken. De door de man gedane uitlatingen leiden het hof dus niet tot de conclusie dat sprake is van een uitzonderlijke situatie die een verlenging van de twaalfjaartermijn rechtvaardigt.

4.13.

Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot een bekrachtiging van de bestreden beschikking. De stellingen van de man ten aanzien van zijn draagkracht behoeven derhalve geen bespreking meer.

4.14.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

In principaal en incidenteel hoger beroep

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.R. Sturhoofd, mr. M.F.G.H. Beckers en mr. W.K. van Duren in tegenwoordigheid van mr. F.J.E. van Geijn als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 7 februari 2017.