Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:3507

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
29-08-2017
Datum publicatie
21-02-2018
Zaaknummer
200.211.547/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vordering tot primair herroeping, subsidiair vernietiging, van arbitraal vonnis. Art. IV Wet 2 juni 2014 modernisering arbitragerecht. Oud procesrecht toepasselijk. Vernietigingsvordering naar rechtbank verwezen, Herroepingsvordering zal verder door het hof worden behandeld. Zie ECLI:NL:GHAMS:2018:1941.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TvA 2018/40
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.211.547/01

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 29 augustus 2017

inzake

BOUWBEDRIJF [X],

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante,

advocaat: mr. N.W.M. van den Heuvel te Breda,

tegen

ELITE SYSTEMEN B.V.,

gevestigd te Oss,

geïntimeerde,

advocaat: mr. Ph.C.M. van der Ven te Den Bosch.

1 Het geding in hoger beroep

Bij dagvaarding van 8 maart 2017 heeft appellante gevorderd dat het hof een vonnis van de Raad van Arbitrage voor de Bouw te Amsterdam van 12 december 2016 met zaaknummer 72.047, tussen partijen gewezen in het hoger beroep van de scheidsrechterlijke vonnissen van 11 december 2012, 7 juli 2014 en 15 oktober 2015 met zaaknummer 33.070, gedeeltelijk zal herroepen ex artikel 1068 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) dan wel gedeeltelijk zal vernietigen ex artikel 1064 en 1065 Rv, met beslissing over de proceskosten, uitvoerbaar bij voorraad.

Bij rolbeslissing van 30 maart 2017 is appellante in de gelegenheid gesteld zich op de rol van 11 april 2017 bij akte uit te laten over de ontvankelijkheid in hoger beroep in verband met het bepaalde in Artikel IV van de Wet van 2 juni 2014 tot wijziging van Boek 3, Boek 6 en Boek 10 van het Burgerlijk Wetboek en het Vierde Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met de modernisering van het Arbitragerecht (hierna: de Wijzigingswet).

Appellante heeft een akte genomen.

Geïntimeerde heeft bij akte geantwoord.

Arrest is daarna bepaald op heden.

2 Beoordeling

2.1.

Artikel IV van de Wijzigingswet luidt als volgt:

“1. Deze wet is van toepassing op arbitrages die aanhangig zijn geworden op of na de datum van inwerkingtreding van deze wet.

2. Op arbitrages die aanhangig zijn of waren voor de datum van inwerkingtreding van deze wet, blijft het Vierde Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing, zoals dat voor de datum van inwerkingtreding van deze wet gold.”

Het hof wijst voor zijn uitleg van het begrip “aanhangig” in de Wijzigingswet naar zijn arrest van 7 maart 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:748.

2.2.

De arbitrageprocedure in eerste aanleg is aanhangig gemaakt op 9 maart 2011, dus ruim vóór de datum van inwerkingtreding van de Wijzigingswet. Dit betekent dat het Vierde Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, zoals dat voor de datum van inwerkingtreding van de Wijzigingswet gold, van toepassing is.

2.3.

Op grond van artikel 1068 lid 2 Rv juncto 1064 Rv, zoals die artikelen voor de datum van inwerkingtreding van de Wijzigingswet golden, behoort de primaire vordering van appellante tot (gedeeltelijke) herroeping van een arbitraal vonnis tot de absolute bevoegdheid van dit gerechtshof. Op grond van artikel 1064 lid 2 Rv juncto 1058 lid 1 Rv, zoals die artikelen voor de datum van inwerkingtreding van de Wijzigingswet golden, behoort de subsidiaire vordering van appellante tot (gedeeltelijke) vernietiging van een arbitraal vonnis tot de absolute bevoegdheid van de rechtbank Amsterdam.

2.4.

Appellante heeft het hof in haar akte verzocht zowel op de primaire als de subsidiaire vordering te beslissen dan wel deze vorderingen ter verdere behandeling en beslissing naar de rechtbank Amsterdam te verwijzen op grond van een analoge toepassing van artikel 71 lid 2 juncto artikel 94 lid 2 Rv. Volgens appellante is de proces-economie daarmee gediend. Indien en voor zover het hof het voorgaande verzoek zal afwijzen, verzoekt appellante het hof de beslissing over zijn bevoegdheid ten aanzien van de subsidiaire vordering aan te houden totdat op de primaire vordering zal zijn beslist danwel zich onbevoegd te verklaren van de subsidiaire vordering kennis te nemen en deze ter verdere behandeling en beslissing te verwijzen naar de rechtbank Amsterdam.

2.5.

Voor het verzoek van appellante om niet alleen op de primaire vordering maar ook op de subsidiaire vordering te beslissen, terwijl het hof daartoe niet bevoegd is, bestaat geen wettelijke grondslag. Ditzelfde geldt voor het verzoek van appellante de zaak in zijn geheel ter verdere behandeling en beslissing te verwijzen naar de rechtbank Amsterdam. Deze verzoeken worden derhalve afgewezen. Het hof ziet evenmin aanleiding de beslissing met betrekking tot de bevoegdheid van het hof aan te houden.

2.6.

De conclusie is dat de subsidiaire vordering niet tot de absolute bevoegdheid van het hof behoort, zodat het zich ingevolge artikel 72 Rv onbevoegd zal verklaren en de zaak in zoverre, nu het de rechtbank Amsterdam in dezen wel bevoegd acht, op de voet van artikel 73 Rv naar deze rechtbank zal verwijzen. Indien en voor zover partijen de rechtbank Amsterdam niet gezamenlijk schriftelijk in kennis stellen van de dag waarop zij de zaak aldaar willen doen dienen, is het aan een der partijen om, overeenkomstig artikel 74 lid 1 Rv, de overige partij(en) op te roepen tegen de dag waarop zij de zaak aldaar ter rolle wil doen dienen.

2.7.

De zaak zal, voor zover het de primaire vordering betreft, naar de rol worden verwezen voor het nemen van een conclusie van antwoord door geïntimeerde.

3 Beslissing

Het hof:

verklaart zich onbevoegd van de subsidiaire vordering van appellante kennis te nemen;

verwijst de zaak in zoverre, in de stand waarin deze zich bevindt, ter verdere behandeling en beslissing naar de rechtbank Amsterdam;

verwijst de zaak met betrekking tot de primaire vordering naar de rol van 10 oktober 2017 voor het nemen van een conclusie van antwoord door geïntimeerde;

wijst het meer of anders verzochte af.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.C. Meijer, J.C.W. Rang en J.W. Hoekzema en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 29 augustus 2017.