Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:3429

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-08-2017
Datum publicatie
28-08-2017
Zaaknummer
23-004068-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak mishandeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-004068-16

datum uitspraak: 25 augustus 2017

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 21 oktober 2016 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-143942-16 en 13-094546-16 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,

adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

11 augustus 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld. Het beroep is bij akte beperkt tot de zaak met parketnummer 13-143942-16.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is in de zaak met parketnummer 13-143942-16 ten laste gelegd dat:


hij op of omstreeks 12 maart 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [benadeelde] heeft mishandeld door eenmaal of meermalen (met kracht) te slaan en/of te stompen op/tegen het gezicht/hoofd, in elk geval op/tegen het lichaam van voornoemde [benadeelde] .

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – zal worden vernietigd, omdat het hof met betrekking tot de bewijsvraag tot een ander oordeel komt dan de politierechter.

Vordering van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot de bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

Vrijspraak

Het hof heeft op basis van de stukken en de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen niet de overtuiging gekregen dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. De advocaat-generaal heeft gewezen op de beschrijving door een verbalisant van de door een bewakingscamera opgenomen beelden. Die kan echter onvoldoende aan die overtuiging bijdragen. Immers, het tenlastegelegde slaan en/of stompen is op die beelden niet te zien terwijl hetgeen volgens de verbalisant wél te zien is ook kan passen in de door de verdachte geschetste gang van zaken.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 979,60. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 59,60. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De verdachte wordt niet schuldig verklaard ter zake van het ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in de vordering niet worden ontvangen.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde] in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R.P.P. Hoekstra, mr. N.A. Schimmel en mr. R.P. den Otter, in tegenwoordigheid van

D.J. Herbrink, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

25 augustus 2017.