Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:3375

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-08-2017
Datum publicatie
03-10-2017
Zaaknummer
200.205.418/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Geschil omtrent opheffing executoriaal beslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer: 200.205.418/01 KG

zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland: C/15/247788 / KG ZA 16-651

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 22 augustus 2017

inzake

[appellant] ,

wonend te [woonplaats] ,

appellant in het principale appel,

geïntimeerde in het incidentele appel,

advocaat: mr. I. Heijselaar te Amsterdam,

tegen

1 [geïntimeerde sub 1] ,

wonend te [woonplaats] , en

2. [geïntimeerde sub 2],

wonend te [woonplaats] ,

geïntimeerden in het principale appel,

appellanten in het incidentele appel,

advocaat: mr. E.A. Wentink-Quelle te Ouderkerk aan de Amstel.

Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerden] genoemd.

1 Het verloop van het geding in hoger beroep

[appellant] is bij dagvaarding van 9 december 2016 in hoger beroep gekomen van een (in een proces-verbaal vervat mondeling) vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem, van 17 november 2016, in deze zaak onder bovengenoemd zaak-/rolnummer in kort geding gewezen tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerden] als gedaagden.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met productie;

- memorie van antwoord in principaal appel tevens memorie van grieven in incidenteel appel, met productie;

- memorie van antwoord in incidenteel appel.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 5 juli 2017 doen bepleiten door hun voornoemde advocaten. Beide advocaten hebben daarbij gebruik gemaakt van pleitnotities, die in het geding zijn gebracht. Tevens hebben [geïntimeerden] nog nadere stukken overgelegd.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellant] heeft in principaal appel geconcludeerd dat het hof – bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest – het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en de vordering van [appellant] alsnog volledig zal toewijzen, met beslissing over de proceskosten, en heeft in incidenteel appel geconcludeerd dat het hof dit beroep zal verwerpen, eveneens met beslissing over de proceskosten.

[geïntimeerden] hebben in principaal appel geconcludeerd dat het hof het principale beroep zal verwerpen, hebben in incidenteel appel geconcludeerd dat het hof bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en de vordering van [appellant] geheel zal afwijzen, en hebben zowel in principaal als in incidenteel appel geconcludeerd dat het hof [appellant] zal veroordelen in de werkelijke proceskosten.

2 De beoordeling

2.1.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

( i) [geïntimeerden] zijn de gezamenlijke eigenaren en bewoners van het perceel met opstal [adres 1] . [appellant] is eigenaar van het naastgelegen perceel met opstal [adres 2] .

(ii) [appellant] is in ieder geval sinds 2008 bezig geweest met het in eigen beheer uitvoeren van verbouwingswerkzaamheden op zijn perceel. Sindsdien ligt er onder meer (los) bouw- en afvalmateriaal op het perceel van [appellant] .

(iii) Bij besluit van 2 september 2008, verzonden op 10 september 2008, heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [gemeente] [appellant] een last onder dwangsom opgelegd onder meer om de losse bouw- en afvalmaterialen op zijn terrein en in het bijzonder langs de erfafscheiding met het perceel [adres 1] te verwijderen en verwijderd te houden, zijn perceel aan de achterzijde te egaliseren en eventueel op te hogen en de begroeiing, met uitzondering van de in kuipen geplaatste bamboe, te verwijderen en verwijderd te houden.

(iv) Op 9 juni, 29 juli en 1 augustus 2011 hebben opnieuw inspecties van het perceel van [appellant] plaatsgevonden, waarbij is geconstateerd dat onverminderd sprake was van diverse overtredingen, onder meer door de aanwezigheid van losse bouw- en afvalmaterialen en het niet althans onvoldoende egaliseren en ophogen van het perceel. Bij besluit van 23 augustus 2011 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [gemeente] [appellant] laten weten dat hij de op 10 september 2008 opgelegde dwangsom tot het maximum van € 8.000,= had verbeurd, dat tot invordering daarvan zou worden overgegaan en dat een nieuwe last onder dwangsom werd opgelegd. Bij besluit van 7 februari 2012 heeft het college van burgemeester en wethouders [appellant] laten weten dat tot invordering van de op grond van het besluit van 23 augustus 2011 verbeurde dwangsom van € 15.000,= zou worden overgegaan.

( v) Het college van burgemeester en wethouders was, ondanks verzoeken daartoe van [geïntimeerden] , in elk geval op 20 november 2012 nog niet overgegaan tot invordering van de door [appellant] verbeurde dwangsommen.

(vi) Bij vonnis in kort geding van 20 november 2012 (verder: het vonnis van 20 november 2012) heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Haarlem de vorderingen van [geïntimeerden] in conventie om [appellant] – op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,= per dag met een maximum van € 10.000,= – te bevelen, kort gezegd, zijn perceel te ontdoen en ontdaan te houden van alle losse bouw- en afvalmaterialen en overmatige begroeiing, zijn perceel aan de achterzijde te egaliseren en op te hogen met schone grond en zodanige maatregelen te nemen dat het (hemel)water van het dak van het bijgebouw grenzend aan de tuinmuur van [geïntimeerden] niet meer op het erf van [geïntimeerden] kan aflopen, toegewezen. Bij datzelfde vonnis zijn vorderingen van [appellant] in reconventie afgewezen, terwijl [appellant] zowel in conventie als in reconventie is veroordeeld in de proceskosten. Dit vonnis is bij exploot van 29 november 2012 aan [appellant] betekend.

(vii) Bij bindend advies, gegeven door mr. F.M. Visser – in het kader van een televisieprogramma – op 22 april 2016 (verder: het bindend advies), is het [appellant] verboden om zich vanaf 22 mei 2016 te 00.00 uur binnen een straal van 500 meter rondom het perceel [adres 2] te bevinden, met bepaling dat [appellant] bij overtreding van dit verbod aan [geïntimeerden] van rechtswege een boete zal verbeuren van € 1.000,= per keer met een maximum van € 100.000,=.

(viii) Bij vonnis van 15 maart 2017 heeft de rechtbank Noord-Holland de vordering van [appellant] tot vernietiging van het bindend advies slechts in zoverre toegewezen dat het [appellant] wel is toegestaan het in het verbodsgebied gelegen gezondheidscentrum te bezoeken (mits hij de [naam weg] in [gemeente] niet oversteekt) en dat de duur van het in het advies gegeven verbod is beperkt tot de periode dat [geïntimeerde sub 1] en/of [geïntimeerde sub 2] aan [adres 1] woonachtig zal zijn, en heeft de rechtbank die vordering voor het overige afgewezen.

(ix) Bij vonnis in kort geding van 13 juni 2016 (verder: het vonnis van 13 juni 2016) heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Holland de vordering van [appellant] in conventie tot schorsing van het bindend advies in afwachting van de (hiervoor onder (viii) bedoelde) beslissing omtrent de vernietiging van dat advies afgewezen en [appellant] veroordeeld in de proceskosten ten bedrage van € 1.104,=, en heeft de voorzieningenrechter de vordering van [geïntimeerden] in reconventie tot veroordeling van [appellant] tot betaling van krachtens het bindend advies verbeurde boetes toegewezen tot een (wegens overtreding op 22 mei 2016 en dus eenmalig) bedrag van € 1.000,= en de proceskosten gecompenseerd. Dit vonnis is bij exploot van 23 juni 2016 aan [appellant] betekend. Bij vonnis in kort geding van 2 maart 2017 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Holland een hernieuwde vordering van [appellant] tot schorsing van het bindend advies opnieuw afgewezen.

( x) [geïntimeerden] hebben op 14 juli 2016 ten laste van [appellant] uit hoofde van het vonnis van 20 november 2012 en het vonnis van 13 juni 2016 executoriaal beslag laten leggen op de aan [appellant] toebehorende onroerende zaak [adres 2] (verder: het executoriale beslag) voor een vordering die volgens hen in totaal € 12.694,91 bedraagt, welke vordering bestaat uit een bedrag van € 10.000,= wegens verbeurde dwangsommen op grond van het vonnis van 20 november 2012, uit een bedrag van € 2.104,= wegens verbeurte van een eenmalig boetebedrag van € 1.000,= alsmede de proceskosten ten bedrage van € 1.104,= op grond van het vonnis van 13 juni 2016, en uit diverse (executie)kosten.

2.2.

[appellant] heeft in eerste aanleg gevorderd, kort gezegd, opheffing van het executoriale beslag en veroordeling van [geïntimeerden] in de proceskosten. Hij heeft daartoe gesteld, kort gezegd, dat het executoriale beslag vexatoir is, dat uit hoofde van het vonnis van 20 november 2012 geen bedrag van € 10.000,= aan dwangsommen is verbeurd althans daarop thans geen aanspraak (meer) kan worden gemaakt en dat dit laatste evenmin kan plaatsvinden ten aanzien van de verbeurte van de boete van € 1.000,= uit hoofde van het vonnis van 13 juni 2016 en de in dat vonnis vastgestelde proceskosten ten bedrage van € 1.104,=. [geïntimeerden] hebben tegen deze vordering verweer gevoerd.

2.3.

De voorzieningenrechter heeft in het vonnis waarvan beroep als volgt overwogen. Ingevolge artikel 611a lid 3 Rv kan een dwangsom niet worden verbeurd dan na betekening van de uitspraak waarbij zij is vastgesteld. Vast staat dat het vonnis van 20 november 2012 op 27 mei 2016 aan [appellant] is betekend. Ten tijde van deze betekening was het [appellant] echter krachtens het bindend advies op straffe van een forse boete verboden zijn perceel te betreden. Omdat het [appellant] daardoor onmogelijk is geworden om zonder overtreding van het bindend advies aan de veroordelingen van het vonnis van 20 november 2012 te voldoen, is vrijwel uitgesloten dat in een eventuele bodemprocedure zal worden geoordeeld dat [appellant] een bedrag van € 10.000,= aan dwangsommen heeft verbeurd. Het executoriale beslag zal dan ook, voor zover het voor dit bedrag is gelegd, worden opgeheven. Voor zover dit beslag is gebaseerd op de veroordeling van [appellant] bij het vonnis van 13 juni 2016 tot betaling aan [geïntimeerden] van € 2.104,= aan boete en proceskosten blijft het executoriale beslag in stand. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat van de kant van [geïntimeerden] is toegezegd dat van verdere executie op basis van de veroordeling zal worden afgezien totdat duidelijkheid is verkregen over de rechtsgeldigheid van het bindend advies, zolang [appellant] het gebiedsverbod van het bindend advies naleeft, aldus (nog steeds) de voorzieningenrechter. Op grond van een en ander heeft de voorzieningenrechter het executoriale beslag opgeheven voor zover dat is gelegd voor een bedrag van meer dan € 2.104,=, de proceskosten gecompenseerd en het meer of anders gevorderde afgewezen.

2.4.

Het principale appel strekt tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep voor zover daarbij het executoriale beslag niet is opgeheven ten aanzien van, kort gezegd, een bedrag van € 2.104,=, terwijl het incidentele appel strekt tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep voor zover daarbij het executoriale beslag is opgeheven ten aanzien van, kort gezegd, een bedrag van € 10.000,=.

2.5.

Met zijn eerste grief betoogt [appellant] , naar het hof begrijpt, dat voor zover het om de verbeurte van de boete ten bedrage van € 1.000,= gaat, heeft te gelden dat niet alleen een dwangsom maar ook een boete eerst kan worden verbeurd na betekening van de uitspraak waarbij zij is vastgesteld. De boete waarvoor het executoriale beslag is gelegd, wordt gevorderd op grond van het bindend advies en dat bindend advies is niet aan hem betekend. Het hof volgt [appellant] niet in dit betoog, omdat wat ingevolge 611a lid 3 Rv voor de verbeurte van dwangsommen geldt, niet (ook) geldt voor de verbeurte van boetes, en de boete – net als de na te noemen proceskosten ten bedrage van € 1.104,= – bovendien niet wordt gevorderd op grond van het bindend advies maar uit hoofde van het vonnis van 13 juni 2016, dat op 23 juni 2016 aan [appellant] is betekend. [appellant] heeft in dit verband betoogd dat voor hem niet duidelijk was wat hem te doen stond, met name dat hij zijn perceel niet meer mocht betreden, maar wel moest voldoen aan het vonnis van 20 november 2012. Dit betoog berust, naar hierna (onder 2.7) zal blijken, op het (voor hem kenbare) misverstand dat het vonnis van 20 november 2012 pas op 27 mei 2016 aan [appellant] is betekend. Voor zover het om de proceskosten ten bedrage van € 1.104,= gaat, begrijpt het hof het betoog van [appellant] aldus dat als het bindend advies in de bodemprocedure wordt vernietigd, de grondslag voor het leggen van het executoriale beslag ook in dit opzicht niet meer bestaat. Het hof verwerpt dit betoog van [appellant] eveneens, omdat uit wat hiervoor (onder 2.1 sub (viii)) is overwogen blijkt dat het bindend advies in de bodemprocedure inhoudelijk nagenoeg geheel in stand is gelaten. Bovendien vloeide de veroordeling in de proceskosten ten bedrage van € 1.104,= in het vonnis van 13 juni 2016 voort uit afwijzing van de vordering van [appellant] tot schorsing van het bindend advies op dat moment en had een eventuele (latere) vernietiging in de bodemprocedure van het bindend advies – waarvan dus (in hoofdzaak) geen sprake is geweest – aan die beslissing en de daarmee samenhangende proceskostenveroordeling geen afbreuk kunnen doen. Uit een en ander volgt dat grief I in principaal appel faalt.

2.6.

[appellant] beroept zich met zijn tweede grief op de overweging van de voorzieningenrechter in het vonnis waarvan beroep dat van de kant van [geïntimeerden] is toegezegd dat van verdere executie op basis van de veroordeling zal worden afgezien totdat duidelijkheid is verkregen over de rechtsgeldigheid van het bindend advies, zolang [appellant] het gebiedsverbod van het bindend advies naleeft. Naar het hof begrijpt betoogt [appellant] vervolgens dat [geïntimeerden] deze toezegging niet gestand hebben gedaan door bij exploot van 23 november 2016 de verjaring van de op grond van het vonnis van 20 november 2012 verbeurde dwangsommen te stuiten en dat deze handelwijze van [geïntimeerden] onbegrijpelijk is omdat de voorzieningenrechter het beslag voor zover dat was gelegd voor een bedrag van meer dan € 2.104,=, heeft opgeheven. Wat er zij van dit betoog, het snijdt in elk geval geen hout, omdat stuiting van de verjaring van een vordering (hier: tot betaling van dwangsommen) geen daad van executie is, voor het overige uit niets blijkt dat [geïntimeerden] na hun toezegging maatregelen strekkende tot verdere executie hebben genomen en inmiddels vaststaat dat het bindend advies in de bodemprocedure in essentie in stand is gelaten, zodat deze toezegging voor de beoordeling van de vordering van [appellant] niet meer relevant is. Dit betekent dat ook grief II in principaal appel wordt verworpen en dat [geïntimeerden] geen belang meer hebben bij bespreking van grief II in incidenteel appel.

2.7.

[geïntimeerden] richten hun eerste grief tegen de overweging van de voorzieningenrechter dat het vonnis van 20 november 2012 op 27 mei 2016 aan [appellant] is betekend, dat ten tijde van deze betekening [appellant] krachtens het bindend advies op straffe van een forse boete zijn perceel niet mocht betreden, dat het [appellant] daardoor onmogelijk is geworden om zonder overtreding van het bindend advies aan de veroordelingen van het vonnis van 20 november 2012 te voldoen en dat daarom vrijwel uitgesloten is dat in een eventuele bodemprocedure zal worden geoordeeld dat [appellant] een bedrag van € 10.000,= aan dwangsommen heeft verbeurd. [geïntimeerden] stellen terecht dat het vonnis van 20 november 2012 niet pas op 27 mei 2016 is betekend, maar dat dit al op 29 november 2012 is gebeurd. Blijkens het desbetreffende exploot van laatstgenoemde datum is toen immers uitdrukkelijk de grosse van het vonnis van 20 november 2012 betekend, terwijl blijkens het exploot van 27 mei 2016 op die datum [appellant] a. is aangezegd dat bij het exploot van 29 november 2012 aan hem bevel is gedaan om – op straffe van verbeurte van een dwangsom – binnen een maand na 29 november 2012 aan de in het vonnis van 20 november 2012 gegeven bevelen te voldoen, dat hij niet aan alle bevelen heeft voldaan en dat hij daardoor aan [geïntimeerden] wegens verbeurde dwangsommen verschuldigd is geworden € 10.000,=, en b. bevel is gedaan om binnen twee dagen na 27 mei 2016 een bedrag van € 10.000,= aan verbeurde dwangsommen en een bedrag van € 74,43 aan kosten van het exploot te betalen, met aanzegging dat als [appellant] niet aan dit bevel zou voldoen de voornoemde titel (dat wil zeggen: het vonnis van 20 november 2012) ten uitvoer zou worden gelegd. Een en ander betekent dat de desbetreffende overweging (1.4) uit het vonnis waarvan beroep niet in stand kan blijven. [geïntimeerden] stellen dat, wat er zij van eventuele verbeurte van dwangsommen in de periode daarvóór – over welke periode [appellant] stelt geen dwangsommen te hebben verbeurd –, [appellant] in elk geval in de periode van 19 april 2016 tot en met 8 mei 2016 – dus gedurende twintig opeenvolgende dagen waarin [appellant] zonder het verbod uit het bindend advies te overtreden aan het vonnis van 20 november 2012 had kunnen voldoen – dwangsommen heeft verbeurd, dat zij hem daarom bij exploot van 27 mei 2016 onder meer een bevel tot betaling hebben gedaan en dat de verjaring van deze dwangsommen op rechtsgeldige wijze is gestuit (zie productie XXII van [geïntimeerden] , waarin overigens onder ‘aangezegd’ kennelijk abusievelijk 29 november 2016 in plaats van 29 november 2012 als datum van betekening van het vonnis van 20 november 2012 wordt genoemd). [appellant] heeft niet (voldoende gemotiveerd) betwist dat hij gedurende de periode van 19 april 2016 tot en met 8 mei 2016 dwangsommen heeft verbeurd, zodat zijn verweer dat de vordering van [geïntimeerden] wegens op grond van het vonnis van 20 november 2012 verbeurde dwangsommen is verjaard – aan welk verweer kennelijk ten grondslag ligt dat de dwangsommen, indien al verschuldigd geworden, in elk geval in een veel eerdere periode verschuldigd zijn geworden – moet worden verworpen. De conclusie is dat [appellant] uit hoofde van het vonnis van 20 november 2012 dwangsommen heeft verbeurd tot een bedrag van € 10.000,= en dat grief I in incidenteel appel terecht is voorgesteld.

2.8.

[geïntimeerden] hebben gevorderd dat [appellant] zal worden veroordeeld tot betaling van de werkelijke door hen gemaakte proceskosten. Een dergelijke vordering komt alleen voor toewijzing in aanmerking indien sprake is van misbruik van procesrecht en daarom van onrechtmatig handelen. [geïntimeerden] hebben echter onvoldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld die tot de conclusie kunnen leiden dat [appellant] – hoewel dat gelet op de vele procedures die inmiddels door hem zijn en, blijkens daartoe strekkende mededelingen van zijn kant ter zitting in hoger beroep, nog zullen worden geïnitieerd, niet ondenkbaar is – misbruik van procesrecht heeft gemaakt, zodat een veroordeling van [appellant] tot betaling van de werkelijke proceskosten achterwege moet blijven. Daaruit volgt dat grief III in incidenteel appel in zoverre faalt.

2.9.

De slotsom luidt dat het principale appel faalt en het incidentele appel overwegend slaagt. Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en de vordering van [appellant] zal alsnog worden afgewezen. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van de eerste aanleg alsmede het principale en incidentele appel. Dit betekent dat grief III in incidenteel appel in zoverre slaagt en dat grief III in principaal appel faalt.

3 De beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep, en, opnieuw recht doende:

wijst de vordering van [appellant] als in eerste aanleg ingesteld af;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het geding in eerste aanleg en begroot die kosten, voor zover tot heden aan de kant van [geïntimeerden] gevallen, op € 288,= voor verschotten en op € 816,= voor salaris advocaat;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het geding in principaal appel en begroot die kosten, voor zover tot heden aan de kant van [geïntimeerden] gevallen, op € 314,= voor verschotten en op € 2.682,= voor salaris advocaat;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het geding in incidenteel appel en begroot die kosten, voor zover tot heden aan de kant van [geïntimeerden] gevallen, op nihil voor verschotten en op € 1.341,= voor salaris advocaat;

verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het over en weer meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.M.A. Verscheure, W.H.F.M. Cortenraad en D.J. van der Kwaak, en is in het openbaar uitgesproken op 22 augustus 2017 door de rolraadsheer.