Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:3369

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-08-2017
Datum publicatie
19-09-2017
Zaaknummer
200.186.102/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervolg van 29 november 2016 (ECLI:NL:GHAMS:2016:5150). Afrekening aanneemovereenkomst. Beoordeling na toegewezen 843a-incident. Betwiste facturen. Rolverwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

arrest

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.186.102/01

zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : 3143559/ CV EXPL 14-16553

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 22 augustus 2017 (bij vervroeging)

inzake

1 [appellant sub 1] ,

2. [appellante sub 2],

beiden wonende te [woonplaats] ,

appellanten,

advocaat: mr. F.G. Horsting te Amsterdam,

tegen:

[X] BOUW B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. R.A. Kaatee te Amsterdam.

Partijen worden hierna [appellanten] en [X] Bouw genoemd.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Het hof heeft op 29 november 2016 in deze zaak een (tweede) tussenarrest gewezen (verder ook: het tussenarrest). Bij dat arrest heeft het hof (in een door [appellanten] opgeworpen incident) [X] Bouw veroordeeld [appellanten] afschrift te verschaffen van de in dat arrest genoemde facturen.

Nadat [X] Bouw afschriften van facturen aan hen had verschaft, hebben [appellanten] een akte genomen. Bij deze akte hebben zij die afschriften in het geding gebracht en hun in de memorie van grieven onder III genoemde vordering geconcretiseerd in bedragen van € 6.930,78 en € 4.919,33, telkens met rente. Vervolgens heeft [X] Bouw een antwoordakte genomen en daarbij producties overgelegd.

Ten slotte is wederom arrest gevraagd.

2 Beoordeling

2.1.

Tot goed begrip van de zaak herhaalt het hof allereerst wat het in overweging 2.1 van het tussenarrest heeft overwogen, zulks met een enkele toevoeging. [X] Bouw heeft in opdracht van [appellanten] verbouwingswerkzaamheden verricht aan het pand van [appellanten] aan de [adres] (verder: het pand). Partijen zijn overeengekomen dat [X] Bouw haar kosten van onderaannemers en materiaal, vermeerderd met 10% opslag, aan [appellanten] in rekening zou brengen. [X] Bouw heeft [appellanten] voor haar werkzaamheden in totaal € 204.428,12 in rekening gebracht bij elf verschillende facturen over de periode vanaf 31 maart 2012 tot 28 oktober 2012. Volgens een door [X] Bouw opgesteld overzicht (bijlage bij productie 2 bij de inleidende dagvaarding) hebben [appellanten] de facturen van [X] Bouw met nummers 71, 94 en 95 slechts gedeeltelijk betaald. Volgens [X] Bouw dient nog een bedrag van € 17.256,50 door [appellanten] te worden voldaan. [appellanten] hebben aangevoerd dat de hun door [X] Bouw in rekening gebrachte bedragen buitensporig hoog zijn en hebben in voorwaardelijke reconventie onder meer terugbetaling gevorderd van het bedrag dat de redelijke prijs in de zin van art. 7:752 BW overstijgt en door hen onverschuldigd is betaald aan [X] Bouw. Bij het bestreden (eind)vonnis van 31 augustus 2015 heeft de kantonrechter – onder meer – geoordeeld dat de vordering van [X] Bouw van € 17.256,50 als betaling van (het restant van) de voornoemde facturen (in het vonnis abusievelijk genummerd 71, 95 en 96) volledig toewijsbaar is, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de datum van verzuim, te weten 12 oktober 2013, de datum waartegen [X] Bouw [appellanten] heeft gesommeerd tot betaling. De kantonrechter heeft [appellanten] niet-ontvankelijk verklaard in hun voorwaardelijke reconventionele vorderingen omdat de voorwaarde waaronder die vorderingen door hen waren ingesteld, niet was vervuld.

2.2.

Bij bespreking van hun (twee) grieven hebben [appellanten] , gegeven de bij het tussenarrest gegeven beslissing, nog slechts belang, voor zover de grieven inhouden dat [appellanten] [X] Bouw te veel hebben betaald.

2.3.1.

In hun na het tussenarrest genomen akte stellen [appellanten] allereerst dat [X] Bouw heeft nagelaten een aantal facturen te produceren die zij hun wel in rekening heeft gebracht, te weten die van Bomij (€ 353,52), [A] (€ 593,=) en [B] (€ 177,55 en € 58,70), terwijl evenmin een factuur is overgelegd ter zake de hun door [X] Bouw in rekening gebrachte parkeerkosten ten belope van € 4.210,=. Omdat uit dit ontbreken blijkt dat voormelde bedragen door [appellanten] wel aan [X] Bouw maar door laatstgenoemde niet aan haar (onder)aannemers, dienstverleners of leveranciers zijn betaald, dient [X] Bouw het hiermee gemoeide bedrag van € 5.392,77, vermeerderd met € 431,42 (8% door [X] Bouw berekende opslag) en € 1.106,60 (btw), mitsdien in totaal € 6.930,78, aan hen terug te betalen, zo betogen [appellanten] Het hof oordeelt als volgt.

2.3.2.

Bij haar antwoordakte heeft [X] Bouw – volgens haar – de bewuste facturen van Bomij, [A] en [B] in het geding gebracht, ten aanzien van de factuur van Bomij daarbij een nadere toelichting gegeven en gesteld, zakelijk, dat de betrokken bedragen overeenkomstig de gemaakte afspraak aan [appellanten] zijn doorbelast. Omdat [appellanten] op die facturen nog niet hebben kunnen reageren, zullen zij in de gelegenheid worden gesteld dat bij akte alsnog te doen, reden waarom de zaak naar de rol zal worden verwezen. In beginsel zal [X] Bouw op de vervolgens door [appellanten] genomen akte niet meer mogen reageren.

2.3.3.

Ten aanzien van de aan [appellanten] door [X] Bouw in rekening gebrachte parkeerkosten ten bedrage van € 4.210,= (vgl. het door [appellanten] in eerste aanleg als productie 6 bij antwoord/eis overgelegde overzicht) geldt dat [appellanten] over het hoofd zien dat de hun door [X] Bouw uitgebrachte offertes van 9 juni 2011 en 20 november 2011 (beide als productie 4 bij inleidende dagvaarding overgelegd), waar-tegen [appellanten] niet hebben geprotesteerd, ter zake parkeergeld bedragen bevatten van € 900,= (voor twee auto’s gedurende samen dertig dagen à € 30,= per uur) respec-tievelijk € 840,= (kennelijk eveneens voor twee auto’s samen gedurende dertig dagen à € 28,= per uur). In het licht hiervan, gevoegd bij de omstandigheid dat de desbetreffende offertes gezamenlijk sloten op € 81.412,70 en [appellanten] [X] Bouw in ieder geval (afgezien van wat zij thans van haar terugvorderen), wegens de onderhavige werkzaamheden terecht een bedrag van (€ 204.428,12 plus € 17.256,50 min € 6.930,78 min € 4.913,33 is) € 209.984,51 hebben betaald, voortvloeiend uit meerwerk en een reeks extra werkzaamheden, acht het hof de door [X] Bouw in rekening gebrachte kosten wegens parkeergeld ter grootte van € 4.210,= niet buitensporig, zodat er geen reden bestaat [X] Bouw tot terugbetaling van dat bedrag c.a. te veroordelen.

2.4.1.

Bij hun na het tussenarrest genomen akte betwisten [appellanten] voorts een aantal van de door [X] Bouw ingevolge het tussenarrest verschafte facturen, te weten die van Comelit (€ 664,= en € 512,=), Energy (€ 1.200,=), Goedkoop (€ 107,68) en Wouter van Veen (€ 1.344,=). Omdat aantoonbaar is dat deze gefactureerde werk-zaamheden en producten niet in de woning zijn uitgevoerd dan wel aangebracht, dient [X] Bouw [appellanten] het hiermee in totaal gemoeide bedrag van € 3.827,68, vermeerderd met € 306,21 (8% door [X] Bouw berekende opslag) en € 85,44 (btw), mitsdien in totaal € 4.919,33, aan hen terug te betalen, zo betogen [appellanten]

2.4.2.

Het hof oordeelt als volgt. Mede in aanmerking genomen dat [appellanten] in hun akte na het tussenarrest eerst (sub 13) stellen dat van twee facturen aantoonbaar is dat ze gefactureerde werkzaamheden en producten betreffen die niet in de woning zijn uitgevoerd dan wel aangebracht maar vervolgens (sub 14) zonder enige toelichting stellen dat het om de onder 2.4.1 genoemde vijf facturen gaat, acht het hof voormelde betwisting onvoldoende toegelicht, reden waarom daaraan zal worden voorbijgegaan. Een uitzondering zal echter worden gemaakt voor de factuur van Energy ad € 1.200,=, omdat [X] Bouw met betrekking tot deze factuur bij haar antwoordakte, kort gezegd, heeft erkend dat zij [appellanten] ten onrechte in rekening is gebracht. [X] Bouw beroept zich te dezen evenwel gemotiveerd op verrekening met een [appellanten] nog niet in rekening gebracht bedrag van (telkens exclusief btw € 175.780,24 minus € 167.545,10 is) € 8.235,14, stelt dat [appellanten] haar per saldo nog € 7.035,= verschuldigd is en behoudt zich het recht voor dit bedrag in een afzonderlijke procedure nog van hen te vorderen. Omdat [appellanten] op dit beroep op verrekening nog niet hebben kunnen reageren, zal het hof hen in de gelegenheid stellen dat bij akte alsnog te doen, mede reden waarom de zaak naar de rol zal worden verwezen. Ook hier geldt dat [X] Bouw in beginsel niet op de vervolgens door [appellanten] genomen akte zal mogen reageren. Het hof merkt nog wel op dat, zoals [appellanten] hebben gevorderd, bij het bedrag van € 1.200,= nog 8% moet worden opgeteld ter zake van door [X] Bouw aan [appellanten] doorberekende opslag ( [X] Bouw heeft immers niet gesteld dat zij over dat bedrag géén opslag heeft berekend) alsmede een met dit onderdeel van de vordering corresponderend bedrag aan btw.

2.5.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

3 Beslissing

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van 5 september 2017 voor een akte aan de zijde van [appellanten] met de doeleinden als hiervoor onder 2.3.2 en 2.4.2 aangegeven, op welke akte [X] Bouw in beginsel niet meer zal mogen reageren;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.J.M. Smit, J.C.W. Rang en E.M. Polak en is door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 22 augustus 2017.