Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:333

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-02-2017
Datum publicatie
13-02-2017
Zaaknummer
23-003039-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voorwaardelijk opzet op uitvoer verdovende middelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-003039-16

datum uitspraak: 8 februari 2017

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 29 juli 2016 in de strafzaak onder de parketnummers 15-820252-16 en

10-661082-14 (TUL) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994,

adres: [adres] ,

thans gedetineerd in P.I. Veenhuizen, gevangenis Esserheem.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 25 januari 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de beslissingen omtrent de opgelegde straf, het beslag en de vordering tot tenuitvoerlegging – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat de bewijsoverweging van de rechtbank door onderstaande bewijsoverweging wordt vervangen en artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht aan de toepasselijke wettelijke voorschriften wordt toegevoegd.

Bewijsoverweging

De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep over het hem verweten feit de volgende gang van zaken naar voren gebracht. De verdachte had bij een criminele organisatie schulden die hij – hoewel de organisatie daarop aandrong – niet kon afbetalen. Daarom zou de verdachte voor die organisatie naar de Dominicaanse Republiek reizen en van daar uit (naar hij dacht) drugs naar Nederland brengen. Voor de heenreis naar de Dominicaanse Republiek moest de verdachte met zijn reisbenodigdheden naar een bepaald adres komen. Daar stond voor hem een lege koffer gereed op een bed en zeiden de mannen van voormelde organisatie tegen de verdachte “inpakken, inpakken”. De verdachte moest snel zijn reisbenodigdheden in de koffer stoppen, terwijl de mannen om hem heen stonden. De verdachte ging ervan uit dat deze koffer nodig was voor het transport van de drugs die hij op de terugreis moest vervoeren. Hij heeft de koffer – één à twee dagen voor zijn vertrek naar de Dominicaanse Republiek – mee naar huis genomen en daar verder niet in gekeken.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde niet bewezen kan worden verklaard, nu de verdachte niet wist dat hij al op de heenweg naar de Dominicaanse Republiek drugs in zijn koffer had zitten.

Het hof verwerpt dit verweer. Naar het oordeel van het hof blijkt uit de door de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep afgelegde verklaringen dat bij hem sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op het uitvoeren van de bij hem aangetroffen verdovende middelen. Daarbij acht het hof van belang dat de verdachte naar eigen zeggen op reis ging voor een criminele organisatie waarvoor hij – naar hij dacht – drugs zou gaan vervoeren naar Nederland, ten behoeve waarvan hij een koffer van leden van die organisatie kreeg. De omstandigheden waaronder de verdachte die koffer kreeg en moest inpakken, alsmede het feit dat de inhoud van die koffer ruim 5 kg zwaarder woog dan de bagage die de verdachte daarin had gedaan, hadden hem alle aanleiding moeten geven die koffer aan een nauwkeurige inspectie te onderwerpen. Door dit na te laten heeft de verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij ook op de heenreis naar de Dominicaanse Republiek verdovende middelen zou vervoeren. Terzijde merkt het hof op dat de verdachte op de hem ter terechtzitting in hoger beroep gestelde vraag wat hij zou hebben gedaan als hij zou hebben gezien dat de drugs in de koffer zat, heeft geantwoord: ‘Dan had ik misschien niets anders gedaan’.

Oplegging van straf

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van voorarrest en onder de algemene en bijzondere voorwaarden in het vonnis vervat.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering en een ambulante behandeling gedurende de proeftijd, zolang de reclassering dat nodig acht.

De raadsman heeft het hof verzocht, in geval van een bewezenverklaring, aan de verdachte geen zwaardere straf op te leggen dan in eerste aanleg is opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de opzettelijke uitvoer van 5.351,1 gram MDMA. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De uitgevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in MDMA gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof. Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 20 januari 2017 is hij weliswaar eerder onherroepelijk veroordeeld, maar ter zake van andersoortige feiten, zodat het hof dit niet in het nadeel van de verdachte meeweegt.

Het hof gaat bij de strafmaat uit van het daadwerkelijke gewicht van de pillen. Het hof is zich ervan bewust dat de zogenoemde LOVS-oriëntatiepunten ten aanzien van harddrugs in tabletvorm een omrekenformule inhouden waarbij een aantal van vijf pillen wordt gelijkgesteld aan 1 gram. Nu echter uit het proces-verbaal van onderzoek van de aangetroffen pillen blijkt dat in casu de schatting van het aantal pillen (bij benadering 21.577) van het gemeten gewicht is afgeleid, zal het hof die omrekenformule niet hanteren.

Het hof heeft acht geslagen op het omtrent de verdachte opgemaakte reclasseringsrapport van 9 juli 2016.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van voorarrest en onder de algemene en bijzondere voorwaarden zoals hierna genoemd, passend en geboden. Het hof overweegt tot slot dat, gelet op de LOVS-oriëntatiepunten, bij een gewicht van 5.351,1 gram in principe een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur passend zou zijn. Het hof ziet echter geen aanleiding een zwaardere straf op te leggen dan door de advocaat-generaal is gevorderd.

Beslag

Het hof zal overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal, gelasten dat de inbeslaggenomen patroon, die volgens de verdachte niet aan hem toebehoort, zal worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende.

Vordering tot tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft een vordering tot tenuitvoerlegging ingediend van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 13 juni 2014 voorwaardelijk opgelegde straf (10/661082-14). Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering wordt afgewezen op de grond dat de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf reeds in een andere zaak is gelast en dat vonnis onherroepelijk is.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie in zijn vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Het hof overweegt als volgt.

Op grond van de mededeling van de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep is met voldoende zekerheid komen vast te staan dat de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf in de zaak met parketnummer 10/661082-14 reeds bij onherroepelijk vonnis in een andere zaak is gelast. Gelet hierop zal het openbaar ministerie in zijn vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de beslissingen omtrent de opgelegde straf, het beslag en de vordering tot tenuitvoerlegging en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 12 (twaalf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren of ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de volledige proeftijd zal melden bij de Reclassering Nederland, zolang en frequent als de reclassering dit noodzakelijk acht.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich onder ambulante behandeling zal stellen, gedurende de volledige proeftijd of korter, zolang de reclassering dat nodig vindt.

Geeft opdracht aan de Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde(n) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

1.00

STK Munitie - 16-027400 1 patroon.

Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 10/661082-14.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. van Woensel, mr. R.D. van Heffen en mr. R. Kuiper, in tegenwoordigheid van

mr. S. Egidi, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 8 februari 2017.