Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:3319

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-08-2017
Datum publicatie
23-08-2017
Zaaknummer
23-002769-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Snorder. Daadwerkelijke betaling van de ritprijs is niet vereist. Opzet van de verdachte was van tevoren reeds gericht op het verrichten van betaald vervoer. Uitzonderingsbepaling van art. 2 lid 5 WPV 2000 is niet van toepassing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002769-16

datum uitspraak: 8 augustus 2017

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Amsterdam van 15 juli 2016 in de strafzaak onder parketnummer 13-121919-15 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1950,

adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 25 juli 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman mr. K. Ramdhan, advocaat te Amsterdam, naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 28 mei 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met een auto (gekentekend [kenteken] ) taxivervoer heeft verricht zonder een daartoe door Onze Minister verleende vergunning.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat de kwalificatie niet in het vonnis is opgenomen en omdat het hof een andere bewijsconstructie hanteert dan de rechtbank Amsterdam.

Bespreking van de gevoerde verweren

De raadsman heeft betoogd dat de verdachte de Nederlandse taal niet machtig is. Derhalve is het onvoorstelbaar dat de verbalisanten hebben geverbaliseerd dat de verdachte hen om geld heeft gevraagd voor het door hem verrichte vervoer. Daarnaast heeft de raadsman een beroep gedaan op de uitzonderingsbepaling van artikel 2, vijfde lid, van de Wet Personenvervoer 2000. In dit artikel is bepaald dat de wet niet van toepassing is op vervoer van personen per auto, anders dan openbaar vervoer, indien de som van de betalingen voor dat vervoer de kosten van de auto en eventuele bijkomende kosten voor dat vervoer niet te boven gaat, tenzij dit wordt verricht in de uitoefening van een beroep of bedrijf. De raadsman concludeert dat er geen ritprijs is betaald en dat de verdachte ten onrechte is veroordeeld.

Het hof constateert dat in het dossier onder andere is opgenomen een proces-verbaal van bevindingen van 28 mei 2015 opgemaakt door de verbalisanten die door de verdachte zijn vervoerd en een proces-verbaal van verhoor van de verdachte van 28 mei 2015. In beide gevallen is met de verdachte gecommuniceerd zonder bijstand van een tolk. Uit voornoemd proces-verbaal van bevindingen blijkt dat de verdachte aan de verbalisanten heeft gevraagd “waarheen?” en dat hij na het bereiken van de bestemming en nadat de verbalisanten waren uitgestapt aan hen vroeg: “krijg ik niets van jullie?”. Op de vraag van de verbalisanten wat hij wilde hebben antwoordde de verdachte “ik wil geld hebben van jullie, vijf euro”. Uit niets kan worden afgeleid dat de verdachte de Nederlandse taal niet voldoende machtig was. Op het politiebureau is de verdachte vervolgens zonder bijstand van een tolk gehoord. Uit dit proces-verbaal blijkt evenmin dat de verdachte de in het Nederlands gestelde vragen niet heeft begrepen. Integendeel, hij geeft concrete op de vraag toegespitste antwoorden en licht zijn antwoorden adequaat toe waar nodig. Gelet op het vorenstaande ziet het hof geen aanleiding om te twijfelen aan de inhoud van de bij ambtseed opgemaakte processen-verbaal. Het hof gaat derhalve uit van de feiten en omstandigheden zoals deze blijken uit het proces-verbaal van bevindingen van 28 mei 2015.

Voor zover de raadsman het verweer heeft willen voeren dat de Wet personenvervoer 2000 niet van toepassing is omdat er geen ritprijs is betaald, overweegt het hof het volgende. Voor de toepasselijkheid van artikel 76 Wet personenvervoer 2000 is van belang of de opzet van de vervoerder van tevoren was gericht op het tegen betaling verrichten van personenvervoer, niet zijnde het openbaar vervoer, terwijl hij hier geen vergunning voor had. De vraag of al dan niet daadwerkelijk is betaald voor het vervoer, is bij de beoordeling of artikel 76 Wet personenvervoer 2000 is overtreden niet relevant. Uit het proces-verbaal van bevindingen van 28 mei 2015 blijkt dat de verdachte door het afgeven van duidelijke signalen het initiatief heeft genomen om verbalisanten tegen betaling met zijn auto te vervoeren. Dat de verbalisanten niet op het betalingsvoorstel van de verdachte zijn ingegaan, laat onverlet dat het oogmerk van de verdachte was gericht op het verkrijgen van vijf euro voor de verrichte rit.

Voor zover de raadsman heeft aangevoerd dat de uitzonderingsbepaling van artikel 2, vijfde lid, van de Wet Personenvervoer 2000 van toepassing is, overweegt het hof als volgt. Uit de memorie van toelichting bij deze wet volgt dat het huidige vijfde lid van voornoemd artikel1 is bedoeld om het zogenaamde carpoolen, met vrienden of collega's van het werk, niet onder de werking van de wet te brengen.2 Nu het handelen van de verdachte was gericht op het tegen betaling vervoeren van onbekenden met zijn personenauto – en dus geenszins sprake was van een ‘vriendendienst/carpoolen’ – is geen sprake van toepasselijkheid van de bedoelde uitzonderingsbepaling.

De verweren van de raadsman worden verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 28 mei 2015 te Amsterdam, met een auto (gekentekend [kenteken] ) taxivervoer heeft verricht zonder een daartoe door Onze Minister verleende vergunning.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 76, eerste lid, van de Wet personenvervoer 2000.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De economische politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een geldboete van € 1.200,00 waarvan € 500,00 voorwaardelijk met proeftijd van twee jaren, te betalen in 7 maandelijkse termijnen van elk € 100,00.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het verrichten van taxivervoer zonder de daartoe vereiste vergunning te hebben. Het vergunningsstelsel voor het taxivervoer is onder meer in het leven geroepen om toezicht van de overheid op het veilig vervoer van personen en een correcte opgave van inkomsten mogelijk te maken. Door taxivervoer te verrichten zonder een daartoe afgegeven vergunning heeft de verdachte zich onttrokken aan dit toezicht. Bovendien heeft hij hierdoor de concurrentiepositie van de vervoerders die wel onder een vergunning hun diensten aanbieden onrechtmatig verslechterd, waardoor zij financieel worden benadeeld.

Het hof acht, alles afwegende, een deels voorwaardelijke geldboete van na te melden hoogte passend en geboden. Het hof houdt rekening met de omstandigheid dat de verdachte momenteel weinig financiële draagkracht heeft. Daarom zal het hof bepalen dat de verdachte het onvoorwaardelijk gedeelte van de geldboete in termijnen mag voldoen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24a en 24c van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en de artikelen 76 en 103 van de Wet personenvervoer 2000.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat een gedeelte van de geldboete, groot € 750,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt dat de geldboete mag worden voldaan in 3 (drie) termijnen van 2 maanden, elke termijn groot € 250,00 (tweehonderdvijftig euro).

Dit arrest is gewezen door de economische kamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.D.L. Nuis, mr. A.D.R.M. Boumans en mr. M.J.A. Plaisier, in tegenwoordigheid van mr. A.T. de Muinck - Dezentje, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

8 augustus 2017.

Mr. M.J.A. Plaisier is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]

1 Bij inwerkingtreding van de Wet Personenvervoer 2000 op 1 januari 2001 was de huidige wettekst van artikel 2, vijfde lid, van de Wet Personenvervoer 2000 opgenomen in het derde lid van dit artikel.

2 Kamerstukken II 1998-1999, 26 456, nr. 3, p.82 (memorie van toelichting).