Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:3300

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-08-2017
Datum publicatie
29-08-2017
Zaaknummer
200.200.442/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie, aandeel stiefouder.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 395
Burgerlijk Wetboek Boek 1 397
Burgerlijk Wetboek Boek 1 404
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2017-0251
JIN 2017/191 met annotatie van A.C.M. den Ridder-van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer: 200.200.442/ 01

zaaknummer rechtbank: C/15/236202 / FA RK 15-7522

beschikking van de meervoudige kamer van 15 augustus 2017 inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats a] , België,

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. M.B. Winthagen te IJsselstein,

en

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats b] ,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. I. Vledder te Amsterdam.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, van 20 juli 2016, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De man is op 5 oktober 2016 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 20 juli 2016.

2.2

De vrouw heeft op 16 november 2016 een verweerschrift ingediend.

2.3

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een journaalbericht van de zijde van de man van 24 april 2017 met bijlagen, ingekomen op 25 april 2017;

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 25 april 2017 met bijlagen, ingekomen op 26 april 2017;

- een journaalbericht van de zijde van de man van 2 mei 2017 met bijlagen, ingekomen op 3 mei 2017.

2.4

De mondelinge behandeling heeft op 8 mei 2017 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3 De feiten

3.1

Partijen hebben van november 1995 tot augustus 2004 een relatie met elkaar gehad. Uit de relatie van partijen is geboren [de minderjarige] (hierna: [de minderjarige] ), [in] 2002. De vrouw oefent van rechtswege het gezag uit over [de minderjarige] . De man heeft [de minderjarige] erkend.

3.2

Bij beschikking van de rechtbank ’s-Gravenhage van 25 januari 2005 is, voor zover in dit kader van belang, bepaald dat de man aan de vrouw een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] (hierna ook: de kinderbijdrage) dient te voldoen van € 430,- per maand met ingang van 1 september 2004.

3.3

Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

3.4

Ten aanzien van de man is het volgende gebleken.

De man is geboren [in] 1968. Hij is sinds oktober 2004 woonachtig in België en is [in] 2005 in het huwelijk getreden met mevrouw [Y] .

Hij was tot 1 april 2014 in dienst bij [werkgever] . Blijkens de vaststellingsovereenkomst met genoemde werkgever bedroeg zijn laatstgenoten salaris bij ontslag € 4.425,- bruto per maand exclusief vakantietoeslag (€ 57.556,- per jaar) en heeft de man een beëindigingsvergoeding ontvangen van € 13.275,- bruto. De man is medeaandeelhouder van de gewone commanditaire vennootschap (hierna: de GCV) naar Belgisch recht genaamd [de onderneming] . De GCV heeft drie zaakvoerders, de man, zijn echtgenote en de heer [A] . De man bezit 49% van de aandelen, zijn echtgenote bezit eveneens 49%. De man en zijn echtgenote bezitten gezamenlijk ook 1% van de aandelen. De overige 1% berust bij de heer [B] .

Uit de overgelegde (concept)jaarstukken van [de onderneming] van de jaren 2015, 2014 en 2013 blijken de volgende cijfers (in euro’s):

2013 2014 2015

Omzet € 9.730,00 € 73.901,45 € 159.981,06

Bedrijfskosten € 8.791,53 € 35.529,20 € 109.155,86

Eigen vermogen € 23.604,19 € 6.111,49 € 34.173,89

Bedrijfsresultaat € 898,86 € 36.244,22 € 44.144,12

2013 2014 2015

Winst boekjaar na belasting € 898,33 € 29.715,68 € 28.062,40

De man heeft stukken overgelegd waaruit zijn maandelijkse bezoldiging uit de GCV vanaf januari 2016 blijkt. De periodieke bezoldiging van de man is op grond van deze productie € 2.000,- bruto per maand. De netto bezoldiging bedraagt € 1.400,-.

3.5

Ten aanzien van de vrouw is het volgende gebleken.

De vrouw is geboren [in] 1974. [de minderjarige] woont bij haar. Zij is [in] 2015 gehuwd met de heer [X] (hierna: [X] ). Niet in geschil tussen partijen is dat [X] vanaf die datum mede-onderhoudsplichtig is jegens [de minderjarige] .

Zij is werkzaam in loondienst bij de [stichting] . De vrouw had – blijkens de door haar overgelegde aanslag inkomstenbelasting 2015 – een bruto jaarloon van € 22.382,-. Blijkens haar jaaropgave 2016 had zij een fiscaal loon van € 23.060,- in dat jaar.

[X] heeft, blijkens de door de vrouw overgelegde aangifte inkomstenbelasting 2015 in dat jaar een fiscale winst uit zijn eenmanszaak [de eenmanszaak] van € 7.003,-. In 2016 bedroeg de winst € 11.232,-. [X] had daarnaast inkomsten uit loondienst bij [bedrijf] van € 40.398,- bruto in 2015. In 2016 had [X] een fiscaal loon blijkens zijn jaaropgave van € 40.972,-.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is het verzoek van de man om de beschikking van de rechtbank ’s-Gravenhage van 25 januari 2005 te wijzigen in die zin dat de kinderbijdrage primair wordt bepaald op nihil en subsidiair wordt verminderd tot een lager bedrag met ingang van 1 april 2014, althans, 1 januari 2015, althans 1 juni 2015, althans datum indiening verzoekschrift, zijnde 10 december 2015, afgewezen.

4.2

De man verzoekt het hof, met vernietiging van de bestreden beschikking, de kinderbijdrage primair op nihil te stellen met ingang van 1 april 2014, althans 1 januari 2015, althans 1 juni 2015, althans de datum indiening verzoekschrift eerste aanleg, althans een door het hof te bepalen ingangsdatum. De man verzoekt subsidiair, met vernietiging van de bestreden beschikking, de kinderalimentatie te verlagen tot een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag, met ingang van 1 april 2014, althans 1 januari 2015, althans 1 juni 2015, althans de datum indiening verzoekschrift in eerste aanleg, althans een andere in goede justitie te bepalen ingangsdatum. De man verzoekt tevens te bepalen dat de vrouw de eventueel teveel door de man betaalde kinderalimentatie aan hem terug dient te betalen.

4.3

De vrouw verzoekt (naar het hof begrijpt) de bestreden beschikking te bekrachtigen en de verzoeken van de man, zo nodig met verbetering van gronden, af te wijzen, kosten rechtens.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Ingevolge artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud worden gewijzigd, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.

5.2

De man heeft in zijn inleidende verzoekschrift (onder meer) gesteld en onderbouwd dat hij per 1 april 2014 zijn baan bij [werkgever] is kwijtgeraakt waardoor hij werd geconfronteerd met een inkomensdaling. Daarnaast zijn per 1 januari 2015 de fiscale regels ten aanzien van de kinderbijdrage gewijzigd door inwerkingtreding van de Wet hervorming kindregelingen. Ook is de vrouw op 9 juli 2015 in het huwelijk getreden waardoor er inmiddels drie onderhoudsplichtigen zijn voor [de minderjarige] . Het hof is op grond van voornoemde omstandigheden van oordeel dat er sprake is van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:401 lid 1 BW. Daarom dient de verplichting van de man tot betaling van kinderalimentatie opnieuw te worden beoordeeld.

5.3

In geschil zijn de behoefte van [de minderjarige] , (grief 5), de draagkracht van de man (grieven 1 t/m 4), de draagkracht van de vrouw (grief 7) en de onderhoudsplicht van [X] (grief 6). De man heeft in grief 8 verwezen naar zijn vorige grieven. Het hof zal deze grieven hieronder bespreken.

Ingangsdatum

5.4

Het hof acht het redelijk om als ingangsdatum van de eventueel gewijzigde bijdrage aan te nemen de datum van indiening van het inleidende verzoekschrift, te weten 10 december 2015. Met de vrouw is het hof van oordeel dat het op de weg van de man had gelegen om, wanneer zijn (financiële) situatie daartoe eerder aanleiding gaf, op een eerdere datum dan 10 december 2015 een verzoekschrift tot wijziging in te dienen.

Behoefte [de minderjarige]

5.5

Het hof gaat uit van de door de vrouw in hoger beroep overgelegde stukken betreffende de inkomens van partijen ten tijde van het verbreken van de samenwoning. Op basis hiervan bedroeg de behoefte van [de minderjarige] in 2004 € 591,- per maand. Geïndexeerd naar de ingangsdatum 10 december 2015 stelt het hof de behoefte van [de minderjarige] thans vast op € 705,- per maand. Grief 5 van de man behoeft hiermee geen verdere bespreking.

Draagkracht van de man

5.6

De man is van mening dat hij ten gevolge van zijn ontslag bij [werkgever] op 1 april 2014 onvoldoende draagkracht heeft om een bijdrage te kunnen voldoen in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] , dan wel dat hij een lagere bijdrage dan in 2004 vastgesteld, kan voldoen. De man dreef al voor zijn ontslag (hobbymatig), sedert 2011, de reeds bestaande onderneming GCV, vanuit zijn woonplaats in België. Volgens de Belgische wetgeving heeft de man daardoor na zijn ontslag geen recht op een werkeloosheidsuitkering. De man heeft wel gesolliciteerd, maar in zijn branche is het vinden van een baan moeilijk. De man heeft zich om die reden genoodzaakt gezien zijn bedrijf verder uit te bouwen. Nu het bedrijf van de man echter niet voldoende winst behaalt om over te kunnen gaan tot het doen van winstuitkeringen, heeft de man geen draagkracht voor het voldoen van een kinderbijdrage. Mocht er al een mogelijkheid zijn tot het uitkeren van winst/tantième, dan dient deze in gelijke delen aan de vennoten en zaakvoerders te worden gedaan.

De vrouw betwist dit alles. Zij is van mening dat de man onvoldoende heeft gesolliciteerd. Hij heeft nagelaten aan te tonen dat hij er alles aan doet om een inkomen te verwerven, teneinde in de behoefte van [de minderjarige] te voorzien. De vrouw kan zich voorts niet aan de indruk onttrekken dat de man zichzelf bewust geen winst uitkeert om zijn draagkracht zo laag mogelijk te houden. De afgelopen jaren is de omzet en het banksaldo in de GCV van de man flink omhoog gegaan. Een winstuitkering zou, aldus de vrouw, tot de mogelijkheden behoren. Uit de stukken blijkt niet dat de zaakvoerders meedelen bij een winstuitkering. Nu ook de echtgenote van de man elders werkzaam is, kan er van worden uitgegaan dat de man de enige is aan wie een beloning of winstuitkering toekomt. De vrouw heeft tevens aangevoerd dat er een hoge post op de jaarrekening 2015 is betreffende Algemene Onderaannemingen. De man heeft niet met facturen onderbouwd dat deze post niet op hem of zijn echtgenote, dan wel op een eventueel tweede vestiging van de onderneming te [plaats] ziet. De man heeft bovendien de hoge onkostenvergoedingen op de jaarrekening niet nader toegelicht. De vrouw stelt dat de man een luxe leven leidt en heeft dit onderbouwd met berichten van sociale media (vanaf 2014) waaruit etentjes, reisjes enzovoorts blijken. De vrouw vraagt zich af hoe de man en zijn echtgenote dit kunnen realiseren wanneer hij geen tot weinig inkomen heeft.

5.7

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het laatstgenoten bruto jaarsalaris van de man bij [werkgever] bedroeg over het jaar 2013 blijkens de door de man overgelegd stukken € 57.556,-. Vast staat dat het dienstverband van de man bij [werkgever] met ingang van 1 april 2014 is beëindigd en dat de man sindsdien als enige inkomensbron een onderneming drijft onder de naam [de onderneming] Deze onderneming heeft sinds 2014 geen winstuitkeringen gedaan. Sinds 2016 ontvangt de man een maandelijkse bezoldiging van € 2.000,- bruto.

Het ligt op de weg van de man te onderbouwen dat hij onvoldoende draagkracht heeft om aan zijn verplichting tot het betalen van kinderalimentatie te voldoen. Naar het oordeel van het hof heeft de man hier niet aan voldaan. Zijn stelling dat hij zich niet meer uit het bedrijf, dat sedert 2014 winstgevend is, heeft uitgekeerd dan de maandelijkse bezoldiging van € 2.000,- bruto per 1 januari 2016 en voordien geen inkomsten uit het bedrijf heeft ontvangen, heeft de man onvoldoende onderbouwd. Onbetwist is de stelling van de vrouw dat de man er een luxe levensstijl op na houdt die niet overeenstemt met het door hem gestelde inkomen. De stelling van de man dat hij in al die jaren geleefd heeft van spaargeld en leningen bij zijn broer, heeft hij in dit verband niet nader onderbouwd, terwijl dit wel op zijn weg had gelegen. Voorts heeft de man met betrekking tot de hoge post ‘Algemene Onderaannemingen’ op de jaarrekening van 2015 geen onderliggende facturen overgelegd, en daarmee heeft hij de stelling van de vrouw dat hij zichzelf inhuurt, onvoldoende weersproken. Ook de post onkostenvergoedingen in de resultatenrekening 2015 van € 12.259,88 heeft de man niet inzichtelijk gemaakt door hiervan specificaties over te leggen. Gelet op het vorenstaande heeft de man niet voldaan aan de verplichting van art. 21 Rv tot een juiste en volledige voorlichting van de rechter en de wederpartij. Ingevolge deze bepaling staat het het hof vrij daaraan de gevolgtrekkingen te verbinden die hij geraden acht.

Het hof is voorts van oordeel dat het op de weg van de man had gelegen om zich, in het licht van zijn onderhoudsverplichting en de in dat kader van belang zijnde inspanningsverplichting om voldoende draagkracht te verkrijgen, in te spannen om op andere wijze inkomen te verkrijgen, bijvoorbeeld door (actief) te solliciteren op een functie in loondienst, toen de onderneming naar zijn zeggen niet renderend genoeg bleek om voldoende inkomsten uit te ontvangen. Voor dit oordeel is van belang dat de man de onderneming reeds in 2011 in mede-eigendom had en naar zijn zeggen in ieder geval vanaf april 2014 door middel van zijn werkzaamheden geprobeerd heeft inkomsten uit het bedrijf te krijgen. Dat de man aan voornoemde inspanningsverplichting heeft voldaan, is door hem niet aannemelijk gemaakt. Hij heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij solliciteert of zich op andere wijze inspant om een inkomen te ontvangen, waarmee hij in ieder geval in staat is aan zijn wettelijke onderhoudsverplichting te voldoen. Gelet op vorenstaande is het hof van oordeel dat de man vanaf de datum van indiening van het verzoekschrift, te weten 10 december 2015, redelijkerwijs in staat moest worden geacht weer zijn oude inkomen, zijnde het bruto jaarinkomen over 2013 te kunnen verdienen. Het hof zal daarom de draagkracht van de man berekenen uitgaande van zijn bruto jaarinkomen in 2013. De grieven 1 tot en met 4 van de man worden dan ook verworpen.

5.8

Het hof neemt bij de bepaling van de draagkracht van de man zijn netto besteedbaar inkomen tot uitgangspunt. Dit inkomen wordt vastgesteld door het bruto inkomen en de werkelijke inkomsten uit vermogen te verminderen met de belastingen en premies die daarover verschuldigd zijn. Het hof gaat daarbij uit van de volgende gegevens. Het fiscaal loon van de man in 2013 bedroeg € 57.556,-. Bij het berekenen van het netto besteedbaar inkomen ten behoeve van de bepaling van de draagkracht houdt het hof rekening met de algemene heffingskorting en arbeidskorting. De man deed immers in 2013 belastingaangifte in Nederland, zijn netto besteedbaar inkomen was destijds afhankelijk van het Nederlandse belastingstelsel, reden waarom het hof ook voor de berekening van zijn inkomen over 2015 hier vanuit gaat. Dat correspondeert met een netto besteedbaar inkomen in 2015 van € 3.144,- per maand (gebaseerd op de fiscale tarieven van 2015). In de op grond van de draagkrachttabel, behorende bij het rapport van de Expertgroep Alimentatienormen, toepasselijke draagkrachtformule 70% [NBI – (0,3 x NBI + 875)] leidt dat netto besteedbaar inkomen tot een draagkracht van (afgerond) € 928,- per maand.

Draagkracht van de vrouw

5.9

Het hof neemt ook bij de bepaling van de draagkracht van de vrouw haar netto besteedbaar inkomen tot uitgangspunt. Het hof gaat ook hierbij uit van de cijfers van 2015.

Het fiscaal loon van de vrouw bedroeg in 2015 € 22.382,-. Op grond van het voorgaande komt het hof op een netto besteedbaar inkomen in 2015 van € 1.536,- per maand (tarieven 2015/2). Bij het berekenen van het netto besteedbaar inkomen ten behoeve van de bepaling van de draagkracht houdt het hof rekening met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting. Dat netto besteedbaar inkomen leidt op grond van voormelde draagkrachtformule tot een draagkracht van (afgerond) € 140,- per maand. Grief 7 van de man slaagt.

Draagkracht van [X]

5.10

Door zijn huwelijk en samenleving met de vrouw, is [X] onderhoudsplichtig voor [de minderjarige] geworden. Ook aan de zijde van [X] neemt het hof zijn netto besteedbaar inkomen tot uitgangspunt bij het bepalen van zijn draagkracht. Het hof gaat ook hierbij uit van de cijfers van 2015.

Het fiscaal loon van [X] bedroeg in 2015 € 40.398,-. Daarnaast had [X] een winst uit onderneming van € 7.003,-. Op grond van het voorgaande komt het hof op een netto besteedbaar inkomen in 2015 van € 3.034,- per maand (tarieven 2015/2). Bij het berekenen van het netto besteedbaar inkomen ten behoeve van de bepaling van de draagkracht houdt het hof rekening met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting, alsook voor de winst uit onderneming met de zelfstandigenaftrek en de MKB-winstvrijstelling. Op grond van de voornoemde draagkrachtformule leidt dat netto besteedbaar inkomen tot een draagkracht van (afgerond) € 874,- per maand.

De onderhoudsplichtigen en hun onderlinge verhouding

5.11

Blijkens de Parlementaire Geschiedenis met betrekking tot artikel 1:395 BW (Parl. Gesch. BW Inv. Boek 1, p. 1442-1443) zijn, in het geval de onderhoudsverplichting van de stiefouder samenvalt met die van de ouder van de kinderen, de verplichtingen ter zake van onderhoud in beginsel van gelijke rang. De omvang van ieders onderhoudsverplichting hangt dan af van de omstandigheden van het geval waarbij als belangrijke factoren in het bijzonder gelden het gegeven dat tussen de ouder en het kind een nauwere verwantschap bestaat dan tussen de stiefouder en het stiefkind, de draagkracht van de ouder en de stiefouder en de feitelijke verhouding tot ieder van de onderhoudsplichtigen.

Het hof neemt als omstandigheden in aanmerking dat er sprake is van een regelmatig contact tussen de man en [de minderjarige] en [X] pas sinds 10 juli 2015 stiefouder van [de minderjarige] is. Zowel de draagkracht van de man als die van [X] zijn toereikend om in de behoefte van [de minderjarige] te voorzien. Zouden onderhoudsbijdragen van de drie onderhoudsplichtigen naar rato van hun draagkracht worden vastgesteld, dan zou dat betekenen dat een aanzienlijk deel van de behoefte van [de minderjarige] voor rekening van [X] komt. Dat acht het hof geen redelijke verdeling in het licht van bovenvermelde omstandigheden. Het hof ziet dan ook aanleiding om de onderhoudsverplichting van [X] te stellen op 1/3 deel van de behoefte van [de minderjarige] (€ 235,-) en de overige 2/3 deel van de behoefte naar rato van draagkracht te verdelen tussen de man en de vrouw. Grief 6 van de man slaagt in zoverre.

5.12

Gelet op het vorenstaande bedraagt de nog tussen de man en de vrouw te verdelen behoefte van [de minderjarige] in 2015 € 470,- (te weten 2/3 deel van € 705,-). De totale draagkracht van partijen bedroeg in 2015 € 1.068,-. Het aandeel van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] bedraagt € 408,- per maand (€ 928,- / € 1.068,- x (€ 705,- – € 235,-). Het aandeel van de vrouw bedraagt € 62,- per maand (€ 140,- / € 1.068,- x (€ 705,- – € 235,-).

Zorgkorting

5.13

Vervolgens dienen de kosten van de zorgregeling tussen de man en [de minderjarige] in aanmerking te worden genomen als een percentage van de behoefte, de zorgkorting. Het percentage van de zorgkorting is afhankelijk van de frequentie van de omgang. Nu sprake is van een omgangsregeling van gemiddeld één dag per week, zal het hof een percentage van 15% in aanmerking nemen. De zorgkorting bedraagt dan € 106,- per maand. Aangezien partijen gezamenlijk voldoende draagkracht hebben om in de behoefte van [de minderjarige] te voorzien, zal het hof de zorgkorting volledig in mindering brengen op het aandeel van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] .

5.14

Uit het voorgaande volgt dat over de periode vanaf 10 december 2015 een bijdrage van € 302,- per maand in overeenstemming is met de wettelijke maatstaven.

Terugbetalingsverplichting

5.15

Voormeld bedrag is lager dan de kinderbijdrage die gold ingevolge de te wijzigen beschikking van de rechtbank ’s-Gravenhage van 25 januari 2005. Volgens vaste rechtspraak dient de rechter met behoedzaamheid gebruik te maken van zijn bevoegdheid om met ingang van een voor zijn uitspraak gelegen datum wijziging te brengen in eerder vastgestelde onderhoudsbijdrage, met name indien dit ingrijpende gevolgen kan hebben voor de onderhoudsgerechtigde in verband met een daardoor in het leven geroepen verplichting tot terugbetaling van hetgeen in de daaraan voorafgaande periode in feite is betaald of verhaald. Daarbij zal de rechter, naar aanleiding van hetgeen ten processe is gebleken, moeten beoordelen of, en in hoeverre, in redelijkheid van de onderhoudsgerechtigde terugbetaling kan worden verlangd. Vast is komen te staan dat de man sedert juni 2014 niet uit eigen beweging aan zijn betalingsverplichting inzake kinderalimentatie heeft voldaan en dat hij als gevolg daarvan een forse betalingsachterstand had. In 2016 is een deel van de verschuldigde alimentatie executoriaal op de man verhaald. Gelet op de hoogte van de toen geïncasseerde bedragen is het niet aannemelijk dat de vrouw over de periode van 10 december 2015 tot heden feitelijk teveel kinderalimentatie van de man heeft verkregen. Door de verlaging van de kinderbijdrage zal er op haar dan ook geen terugbetalingsverplichting komen te rusten. Het bezwaar van de vrouw tegen het eerst in hoger beroep gedane verzoek van de man om de eventueel teveel door hem betaalde kinderalimentatie aan hem terug te betalen, hoeft dan ook geen bespreking meer. Dat verzoek moet worden afgewezen.

5.16

Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijzigt de beschikking van de rechtbank Den Haag van 25 januari 2005 en bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 10 december 2015 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] € 302,- (zegge: DRIEHONDERDTWEE EURO) per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.V.T. de Bie, mr. J.F.A.M. Graafland-Verhaegen, mr. T.M. Subelack, bijgestaan door mr. N. Groen als griffier, en is op 15 augustus 2017 in het openbaar uitgesproken.