Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:3295

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-08-2017
Datum publicatie
29-08-2017
Zaaknummer
200.177.323/01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2016:1401
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek omgang grootmoeder op grond van zwaarwegende belangen kleinkinderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Zaaknummer: 200.177.323/01

Zaaknummer rechtbank: 15-3236/586411

Beschikking van de meervoudige kamer van 15 augustus 2017 inzake

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerder in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. E.G. Al te Nieuw-Vennep,

en

Samen Veilig Midden-Nederland,

gevestigd te Almere,

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de GI.

Als belanghebbenden zijn overigens aangemerkt:

- [de grootmoeder] (hierna te noemen: de grootmoeder);

- [de moeder] (hierna te noemen: de moeder);

- mevrouw [X] .

In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming,

locatie Amsterdam,

hierna te noemen: de raad.

1 Het verdere geding in hoger beroep

1.1

Het hof verwijst naar zijn tussenbeschikking van 12 april 2016. Bij die beschikking is een voorlopige omgangsregeling tussen de kinderen en de grootmoeder vastgesteld op instigatie van de gezinsmanager, waarbij de kinderen de grootmoeder ten minste twee uur per maand onder begeleiding zien, maar waarbij het de gezinsmanager vrij staat het contact frequenter en/of onbegeleid te laten plaatsvinden. De behandeling van de zaak is pro forma aangehouden tot 15 januari 2017 met het verzoek aan de GI, de grootmoeder en de vader het hof voordien schriftelijk te berichten omtrent het verloop van de omgangsregeling tussen de kinderen en de grootmoeder alsmede de voortgang van het familienetwerkberraad.

1.2

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een brief van de zijde van de grootmoeder en de moeder van 12 januari 2017, ingekomen op 13 januari 2017;

- een fax van de zijde van de GI van 13 januari 2017 met bijlagen, ingekomen op 13 januari 2017;

- een brief van de zijde van de vader van 30 januari 2017 met een bijlage, ingekomen op 30 januari 2017;

- een brief van de zijde van de vader van 21 maart 2017, ingekomen op 31 maart 2017;

- een brief van de zijde van de grootmoeder en de moeder van 3 april 2017, ingekomen op 4 april 2017.

1.3

De mondelinge behandeling is op 28 juni 2017 voortgezet. Verschenen zijn:

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- de GI, vertegenwoordigd door de vervangend gezinsmanager;

- de grootmoeder, bijgestaan door mr. W.D. van Doorn, advocaat te Amsterdam. Voor de grootmoeder is mevrouw F. Salomons opgetreden als tolk in de Spaanse taal;

- mevrouw [X] ;

- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw M. Dik.

2 De nadere beoordeling van het hoger beroep

2.1

De vader heeft ter terechtzitting – naar het hof begrijpt – zijn verzoek in hoger beroep gewijzigd, in die zin dat hij thans verzoekt het inleidend verzoek van de GI af te wijzen, zodat de grootmoeder geen omgang met de kinderen meer zal hebben. De vader heeft daartoe betoogd dat de omgangsregeling thans niet goed verloopt en in strijd is met de belangen van de kinderen. De laatste omgangsafspraak is, zonder medeweten van de vader, onbegeleid verlopen en de grootmoeder heeft de kinderen onder druk gezet. Volgens de vader heeft de grootmoeder de kinderen in het verleden bovendien mishandeld en hij vreest dan ook voor herhaling. Ook geven de kinderen aan dat zij niet naar de omgangsafspraken met de grootmoeder willen. De vader en zijn partner moeten de kinderen op dit moment dwingen, hetgeen de vader niet in het belang van de kinderen acht. Daarnaast vertonen de kinderen na de omgangsmomenten afwijkend gedrag. Dit wordt bevestigd door de school van de kinderen. De vader is daarom van mening dat omgang met de grootmoeder niet in het belang van de kinderen is. Voorts heeft de vader betoogd dat er geen belang meer is bij het vaststellen van een omgangsregeling tussen de grootmoeder en de kinderen. De grootmoeder is immers op een aantal van de afgelopen omgangsafspraken niet verschenen en bovendien is de moeder weer terug in Nederland. De schakelfunctie tussen de kinderen en de moeder die de grootmoeder vervulde is aldus komen te vervallen.

2.2

De GI heeft zich ter terechtzitting in hoger op het standpunt gesteld dat de omgang op zichzelf positief verloopt. [kind a] en [kind b] zoeken meer contact met de grootmoeder en de omgang verloopt ‘natuurlijker’. De omgangsregeling verloopt echter nog steeds niet naar behoren. De vader verzet zich tegen de omgang en is niet bereid gebleken om met de grootmoeder in gesprek te gaan. Het door de GI voorgestelde familienetwerkberraad heeft dan ook niet plaatsgevonden. Hoewel de GI meent dat omgang met de grootmoeder – gelet op de hechting van de kinderen – in het belang van de kinderen is, is de GI tevens van mening dat de omgang op dit moment zeer belastend is voor de kinderen. De kinderen zitten in de knel tussen de grootmoeder en de vader en zij ondervinden hier veel last van.

2.3

Volgens de grootmoeder verloopt de omgangsregeling positief. Dat de afspraken een aantal keer niet zijn doorgegaan, is niet alleen aan haar te wijten. De vader is eveneens een aantal keer niet verschenen. Voorts meent de grootmoeder dat de situatie niet is veranderd doordat de moeder terug is in Nederland. De moeder heeft weliswaar omgang met de kinderen maar de grootmoeder is daarbij niet aanwezig. De omgang met de moeder en die met de grootmoeder moeten dan ook los van elkaar worden gezien. Aangezien de kinderen lange tijd bij de grootmoeder hebben gewoond, acht de grootmoeder het in het belang van de kinderen dat de omgang met haar en de andere familieleden wordt voortgezet. De grootmoeder erkent wel dat de kinderen in de knel zitten. Om die reden stelt zij voor de overdracht anders te regelen. Indien de grootmoeder de kinderen uit school kan halen hoeft er geen contact plaats te vinden tussen de vader en de grootmoeder, hetgeen tot minder stress bij de kinderen zal leiden.

2.4

De raad heeft ter terechtzitting in hoger beroep haar zorgen geuit over het loyaliteitsconflict waar de kinderen zich inmiddels al drie jaar in bevinden. Aangezien er geen duidelijk beeld is over hoe de kinderen de huidige situatie ervaren, acht de raad het van belang dat de raad onderzoek doet naar de vraag of omgang met de grootmoeder in het belang van de kinderen is.

2.5

Het hof overweegt als volgt.

Zoals reeds is overwogen in de tussenbeschikking van 12 april 2016 hebben de kinderen en de grootmoeder recht hebben op omgang met elkaar. Het recht op omgang wordt voor de grootmoeder gewaarborgd door artikel 1:377a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW). Dit recht is echter niet onbegrensd en kan worden ontzegd op de in artikel 1:377a, derde lid, BW limitatief opgesomde gronden, die als gemeenschappelijk kenmerk hebben dat omgang in strijd is met de zwaarwegende belangen van het kind.

Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat de omgangsregeling tussen de grootmoeder en de kinderen niet naar behoren verloopt. Hoewel de omgang op zichzelf goed gaat, zijn de grootmoeder en de vader niet in staat gebleken om met elkaar in gesprek te treden en is het niet mogelijk gebleken de omgangsregeling verder uit te breiden of de omgang onbegeleid te laten verlopen. Daarnaast is de voorlopige omgangsregeling van ten minste twee uur per maand, zoals vastgesteld in de tussenbeschikking van dit hof, meerdere keren niet doorgegaan. De grootmoeder en de vader stellen over en weer dat de oorzaak daarvan gelegen is in het gedrag van de ander. Wat hier ook van zij, vast staat dat de huidige omgangsregeling tussen de grootmoeder en de kinderen zeer belastend is voor de kinderen. Door de verstoorde familieverhoudingen en de onmogelijkheid tot contact tussen de vader en de grootmoeder bevinden de kinderen zich al drie jaar in een loyaliteitsconflict, hetgeen tot veel spanning bij hen leidt. De kinderen vertonen na afloop van de omgangsmomenten afwijkend gedrag en lijken hun woede niet kwijt te kunnen. Daarnaast zijn er nog steeds zorgen over de sociaal-emotionele ontwikkeling van de kinderen. Om die reden volgen zij speltherapie en is door de GI Intensieve Pedagogische Thuishulp (IPT) ingezet. [kind a] gaat daarnaast eenmaal per week naar de zorgboerderij. De IPT is inmiddels afgerond, aangezien uit gesprekken bleek dat de vader geen verdere hulpvragen had.

Voorts is gebleken dat de moeder sinds oktober 2016 terug in Nederland is. De moeder is een procedure gestart tot vaststelling van een zorgregeling op grond van artikel 1:253a BW, in welk kader de vader en de moeder zijn gestart met mediation. De vader heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangegeven dat er slechts twee gesprekken tussen de ouders zijn geweest en het aldus nog te vroeg is om hier iets over te zeggen. De moeder heeft momenteel eenmaal per maand omgang met de kinderen, waarbij zij de kinderen ophaalt bij station [woonplaats] en na vier uur weer terug brengt. Deze omgangsregeling verloopt eveneens moeizaam. De vader heeft ter terechtzitting desgevraagd verklaard dat de afgelopen twee omgangsmomenten met de moeder geen doorgang hebben gevonden. De kinderen hadden op het station aangegeven geen zin te hebben om met de moeder mee te gaan, waarna de moeder is weggelopen en niet meer terug is gekomen.

Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat omgang tussen de grootmoeder en de kinderen onder de huidige omstandigheden in strijd is met de zwaarwegende belangen van de kinderen. Ter zitting in hoger beroep van 28 juni 2017 is gebleken dat de kinderen nog steeds in de knel zitten tussen de grootmoeder en de vader. De interactie tussen de grootmoeder en de vader is sinds de indiening van het inleidend verzoek geenszins verbeterd en elk onderling vertrouwen ontbreekt. De vader is, gelet op gebeurtenissen in het verleden, niet in staat om emotionele toestemming te geven voor de omgang tussen de kinderen en de grootmoeder. De omgangsmomenten leiden hierdoor tot veel spanning bij de kinderen, hetgeen een negatieve invloed heeft op hun ontwikkeling. Het hof acht het een zwaarwegend belang van de kinderen dat zij niet langer worden blootgesteld aan dit spanningsveld. Daarnaast verloopt de omgang tussen de moeder en de kinderen eveneens moeizaam en brengt deze omgangsregeling ook de nodige spanning bij de kinderen teweeg. Het hof acht het in het belang van de kinderen dat er meer rust en stabiliteit komt. Hoewel het hof erkent dat contact en de instandhouding van de band tussen de grootmoeder en de kinderen van belang is, is de conclusie dat het opleggen van een omgangsregeling tussen de grootmoeder en de kinderen onder de huidige omstandigheden te belastend voor hen is. Het hof is gelet op het voorgaande dan ook van oordeel dat aan de grond van artikel 1:377a lid 3, aanhef en onder d BW is voldaan. Het hof zal de verzoeken van de GI en de grootmoeder derhalve afwijzen.

2.6

Uit het hiervoor overwogene volgt dat het hof geen aanleiding ziet, zoals door de raad ter zitting aangeboden, de beslissing aan te houden in afwachting van een raadsonderzoek. Het hof acht het in het belang van de kinderen dat er thans duidelijkheid komt. Het hof heeft daarbij tevens in aanmerking genomen dat alle betrokkenen ter zitting hebben verklaard de voorkeur te geven aan een einde van de procedure en aan helderheid.

2.7

Gelet op de aard van de zaak ziet het hof geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

2.8

Dit leidt tot de volgende beslissing.

3 De beslissing

Het hof, in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

wijst de verzoeken van de GI en de grootmoeder af;

compenseert de proceskosten van de procedures in eerste aanleg en in hoger beroep in dier voege, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.N. van de Beek, mr. A.V.T. de Bie en mr. P.J.W.M. Sliepenbeek, bijgestaan door mr. S.C.G.A. Duivenvoorde als griffier en is op 15 augustus 2017 in het openbaar uitgesproken.